Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g82 8/6 blz. 20-24
  • „Nog vijf dagen te leven”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „Nog vijf dagen te leven”
  • Ontwaakt! 1982
  • Vergelijkbare artikelen
  • Jehovah’s Getuigen en de bloedkwestie
    Jehovah’s Getuigen en de bloedkwestie
  • Bewaring door gehoorzaamheid aan Gods wet betreffende bloed
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Gebruik uw leven in overeenstemming met Gods wil
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Tovenaars noch goden
    Ontwaakt! 1994
Meer weergeven
Ontwaakt! 1982
g82 8/6 blz. 20-24

„Nog vijf dagen te leven”

De lessen van een tragedie

OP EEN zaterdagmiddag betraden Wilson Rojas, een bedieningsman van zwaar materieel in een land in Midden-Amerika, en diens assistent een mobiele bergplaats om hun materiaal voor die dag op te bergen. Wilson verheugde zich erop naar huis te gaan, naar zijn vrouw Clarissa en hun driejarig dochtertje Iriabeth.

Maar door onbekend gebleven oorzaken explodeerden op dat ogenblik in een kettingreactie ongeveer 200 slaghoedjes, 100 staven dynamiet, 50 liter benzine en drie acetyleen-cilinders. Wilsons assistent was op slag dood. Wilson werd dwars door de wand van de bergplaats geslagen en belandde bewusteloos een meter of acht verderop.

Zo begon een zware beproeving voor de familie Rojas. Wilson en Clarissa vertellen ons wat er gebeurde.

Clarissa: Omstreeks half vier die middag kwam mijn schoonmoeder langs. Zij had al van de explosie gehoord en vreesde het ergste, maar probeerde mij niet al te bang te maken. Onmiddellijk belde ik naar het ziekenhuis, maar alles wat men kon doen was het feit van de explosie bevestigen.

Eindelijk, tegen vier uur die middag, belde een vriend vanuit het ziekenhuis met het schokkende nieuws: „Wilson is levensgevaarlijk gewond. Op dit ogenblik vechten ze voor zijn leven. Als hij het overleeft, zullen misschien zijn rechterarm en zijn linkerbeen geamputeerd moeten worden.”

Toen ik Wilson eindelijk mocht zien, trof ik hem zwevend tussen leven en dood. Hele stukken vlees waren door de explosie afgerukt en wat er overgebleven was, vertoonde ernstige brandwonden. Ingeademd acetyleengas had zijn mond, keel en longen geblakerd. De lichaamshelft die naar de explosie toegekeerd was geweest, was geperforeerd door honderden metaalsplinters. Zijn gezicht was onherkenbaar. De medische staf kon mij geen hoop geven dat hij in leven zou blijven.

Wilson: Vanaf het ogenblik dat de deur van de bergplaats dicht ging, herinner ik mij niets meer, totdat ik acht dagen later in het ziekenhuis wakker werd. Ik verzonk in diepe wanhoop toen ik hoorde hoe ernstig ik eraan toe was. Ik had het gebruik van één oog, één oor, één arm en één been verloren. Ik kon niet eten, en praten ging alleen op een hese fluistertoon en met de grootste moeite. Ik werd met intraveneuze voeding in leven gehouden.

Kort nadat ik bij bewustzijn was gekomen, kwam er een verpleegster bij mijn bed om als een routinekwestie de apparatuur voor een bloedtransfusie klaar te zetten. Toen ik haar uitlegde dat ik een dergelijke behandeling niet kon aanvaarden, riep zij de dokter die met mijn geval was belast. Eerst probeerde hij mij te overreden door te zeggen: „De enige manier om uw leven te redden is door middel van een bloedtransfusie. Uw bloedbeeld is uitermate slecht.”

Ik wilde hem graag uitleggen waarom ik geen medische behandeling kon aanvaarden waarbij ik bloed toegediend zou krijgen. Allerlei bijbelteksten schoten mij te binnen zoals Handelingen 15:28, 29, die aantonen dat christenen zich onthouden van bloed.

„Ik ben niet geïnteresseerd in uw geloofsovertuiging of uw opvattingen”, zei de arts. Terwijl hij bij elk woord bozer werd, vervolgde hij: „En ik ben evenmin geïnteresseerd in uw fanatisme of uw dwaze ideeën. Probeer maar niet meer tegen me te praten, want u overtuigt me toch niet. Ik ben erin geïnteresseerd uw leven te redden. Als u een bloedtransfusie afwijst, dan staak ik mijn behandeling. Dan trek ik mijn handen van u af. En bovendien meld ik dit bij de medisch directeur en dat betekent dat ook geen enkele andere arts uw geval op zich zal willen nemen.”

Toen hij zich omdraaide om weg te lopen, spande ik mij tot het uiterste in om mij verstaanbaar te maken. „Maar dokter, wacht u even. Ik heb gehoord van een speciale behandeling, waarbij ijzerbestanddelen worden gebruikt om het bloed op te bouwen. Dat heeft een andere arts mij aanbevolen. Zou dat mij niet helpen?”

„Hier doen wij wat de artsen zeggen, niet wat de patiënt zegt”, antwoordde hij. „Hoe dan ook, u hebt nog maar vijf dagen te leven. Wat kan het mij schelen of u niet gered wilt worden? Als u als fanaticus wilt sterven, dan is dat uw zaak!” En daarmee draaide hij zich om en liep weg.

Clarissa: Wilsons geval was dermate kritiek, dat hij naar een van de grotere en beter geoutilleerde ziekenhuizen in de hoofdstad was overgebracht. Zijn brandwonden waren langzaam begonnen te genezen; hij was nu bij bewustzijn en had kans gezien om acht dagen in leven te blijven na het ongeluk. Dus dacht ik dat er misschien nog wel hoop was. Maar even nadat ik op die achtste dag op de ziekenzaal was gekomen, riep een verpleegster mij terzijde. Drie artsen en de hoofdzuster wilden mij spreken.

„Mevrouw Rojas, wij hebben een probleem. Uw man heeft dringend een bloedtransfusie nodig, aangezien hij veel bloed heeft verloren. Hij heeft veel te weinig rode bloedlichaampjes. Maar hij heeft geweigerd bloed te nemen. Natuurlijk weten wij wel dat hij als stervende waarschijnlijk niet beseft wat hij zegt. Wij zouden dus graag zien dat u ons machtigt tot het toedienen van een bloedtransfusie.”

Ik voelde mij ijskoud worden, maar ik kon onmiddellijk antwoorden. „Ik kan geen machtiging verlenen voor een behandeling die mijn man niet wil toestaan, omdat ik zijn standpunt respecteer. Ons standpunt is niet gebaseerd op blind fanatisme, maar daarentegen op een studie van de bijbel.”

Maar de arts die met het geval was belast, sloeg met gebalde vuist op tafel en verklaarde heftig: „Het heeft geen zin hier verder over te praten. Laat hem dan maar doodgaan, als jullie dat allebei zo graag willen. Aan die explosie is hij niet overleden, maar nu gaat hij er toch aan door bloedverlies. Hij heeft nog vijf dagen te leven, meer niet.” Daarop liep hij de kamer uit. De andere arts keek mij aan en zei: „De enige reden waarom wij uw man niet naar huis sturen is, dat hij zo’n wrak is. Zijn toestand is zo kritiek dat hij niet vervoerd kan worden.”

Toen ik de kamer uitliep, voelde ik mij vernederd. Maar wat mij het meest van alles bedroefde, was dat ik niet mocht uitleggen waarom wij als Jehovah’s Getuigen zo krachtig vasthouden aan ons besluit het gebruik van bloed bij medische behandeling te vermijden. Bovendien werd er niet één enkele alternatieve behandeling genoemd, en mocht ik er niet eens een voorstellen. Het leek allemaal zo hopeloos. Er zat niets anders op dan te wachten tot Wilson stierf, binnen vijf dagen.

Nadat ik het formulier had getekend waardoor het ziekenhuis werd ontheven van alle verantwoordelijkheid voor Wilsons geval, werd iedere vorm van therapie gestaakt, behalve het routinematig verschonen van zijn verbanden. Hij werd verplaatst naar een bed in een hoekje achteraf. Toen hij begreep wat er gebeurd was, riep hij mij dicht bij zich, opdat ik hem kon verstaan. Met nauwelijks hoorbare stem zei hij tegen mij: „Ik heb er geen belang bij mijn leven te redden voor dit samenstel van dingen. De gedachte dat ik jou en Iriabeth alleen achterlaat, valt mij zwaar, maar wij hebben de opstandingshoop en wij zien elkaar terug in de nieuwe ordening.” Beiden baden wij in stilte.

Wilson: Het leek wel of iedereen wist dat ik de patiënt was die geen bloed wilde aanvaarden en die men nog maar vijf dagen had gegeven.

Ik herinner mij nog heel goed één jonge verpleegster, die mij meer dan een uur lang ervan probeerde te overtuigen dat zij allen het beste met mij voorhadden. Zij zei: „Met maar een klein beetje bloed kunt u uw leven redden. Als u wilt, kan ik tegen middernacht terugkomen met de transfusie, als alle anderen slapen. Niemand zal ooit te weten komen dat u bloed hebt genomen. Wat vindt u ervan? Zal ik het komen brengen?”

„U verspilt uw tijd, want ik zal het niet aanvaarden.”

„Nu, denkt u er nog maar eens heel goed over na. Want u gaat echt hier in dit bed sterven. Morgen kom ik terug.”

De volgende dag kwamen twee vriendelijke artsen schijnbaar terloops een praatje bij mijn bed maken. Na wat algemeenheden vroegen zij mij naar mijn geloofsopvatting met betrekking tot bloedtransfusies. Hoewel ik amper kon praten, slaagde ik erin hun Gods zienswijze met betrekking tot bloed uiteen te zetten.

„Het beste wat u kunt doen is die dwaze ideeën uit uw hoofd zetten”, antwoordden zij. „Bloed zal u het leven schenken. Kijk, ons motto is: ’Geef leven’ en wij staan ervoor in dat het bloed dat wij u geven u niet zal schaden.”

Nog moeilijker was het emotionele beroep dat Eduardo, de patiënt in het bed naast mij, op mij deed. Toen de derde van de vijf dagen ten einde liep, smeekte Eduardo: „Je hebt nog maar twee dagen en ik kan aan je zien dat je echt doodgaat!”

„God heeft ons de opstandingshoop gegeven, Eduardo. Als ik moet sterven om Gods beginselen hoog te houden, ben ik er trots op dat te mogen doen.”

Misschien waren de moeilijkste tijden voor mij wel de lange, pijnlijke en slapeloze nachten. In zekere zin werd ik door die intense pijn geholpen. Ik had zo verschrikkelijk veel pijn, dat ik mij niet kon concentreren op naargeestige gedachten over de dood of zelfbeklag. Alleen, en geconfronteerd met het feit dat niemand werkelijk dacht dat ik het er levend af zou brengen, leerde ik op Jehovah God te vertrouwen als nooit tevoren. Mijn gebeden werden langer, ware „gesprekken” met God. Dagelijks voelde ik mij dichter bij hem. Dit, en niets anders dan dit, heeft mij emotioneel, geestelijk en zelfs fysiek staande gehouden.

Clarissa: Die gevreesde vijfde dag kwam en ging en Wilson voelde zich iets beter dan tevoren. Aangezien alle ziekenhuistherapie gestaakt was, waren mijn familie en ik zelf begonnen. Wij gaven hem eiwitrijk voedsel en dienden hem de bloedopbouwende behandeling toe die een arts Wilson vroeger had aanbevolen. Langzaam, heel langzaam, daarna sneller, begon hij vooruit te gaan. Spoedig werd het iedereen duidelijk dat Wilson heel eenvoudig niet dood zou gaan!

Weldra nam een nieuwe arts zijn geval over. Hij liet een bloedproef doen. Zodra hij de uitslag zag, liet hij de proef overdoen. Hij zei dat er in het laboratorium een of andere fout gemaakt moest zijn. Niettemin gaf de tweede test dezelfde resultaten te zien. De dokter stond er versteld van hoe Wilsons bloedbeeld verbeterd was. Hij zei: „Natuurlijk helpt zijn levensstijl — geen verkeerde gewoonten of schadelijke spanningen — zijn snelle herstel te verklaren, maar toch maar voor een deel. Ik heb er werkelijk geen volledige verklaring voor.”

Wilson: Hoewel mijn snelle herstel indruk maakte op iedereen, kwam een plotselinge wending het beeld versomberen. Mijn gewonde linkerbeen begon mij verschrikkelijk pijn te doen. Toen het gips eraf gehaald werd, bleek er een begin van gangreen te zijn ten gevolge van een bloedstolsel in de knie. Er werd een specialist bij gehaald. Nadat hij mij had onderzocht, kwam hij tot de slotsom dat het stolsel daar al enige tijd gezeten had, ongetwijfeld ten gevolge van het ongeluk. Hij zei dat het elk ogenblik los kon schieten en binnen enkele seconden een eind aan mijn leven zou kunnen maken. Er was echter ook een kans, dat het stolsel met medicamenten opgelost kon worden. Zo niet, dan zou mijn been geamputeerd moeten worden.

De behandeling met medicamenten loste het stolsel op en opnieuw was ik buiten gevaar. Op een dag kwam de specialist aan mijn bed zitten. Hij maakte wat opmerkingen over mijn snelle herstel van de brandwonden en infecties, en nu weer van dat bloedstolsel, en vroeg toen — uit nieuwsgierigheid, zo dacht ik — waarom ik enkele weken geleden eigenlijk geen bloedtransfusie had genomen. Ik legde uit waarom en ik kan mij zijn woorden nog levendig herinneren: „De reden waarom dat bloedstolsel niet losgeschoten is en u uw leven heeft gekost, was het lage bloedvolume en het feit dat het bloed zo dun was. Als u een transfusie had aanvaard, zou u naar alle waarschijnlijkheid op dit ogenblik dood zijn. Mijn gelukwensen.”

Later, toen ik mijn vrouw vertelde wat de specialist had gezegd, huilden wij en dankten wij samen Jehovah. Het overtuigde ons ervan dat gehoorzaamheid aan God altijd de beste weg is. In mijn geval heeft dat letterlijk mijn leven gered!

Drie maanden na het ongeluk kon ik het ziekenhuis verlaten. Maanden van therapie en behandeling als lopend patiënt lagen nog in het verschiet, maar het ergste was achter de rug.

Mijn herstel bleef de spot drijven met alle voorspellingen. De verwachtingen waren dat ik nooit meer zonder rolstoel zou kunnen. Maar ik dacht dat ik me op zijn minst met krukken zou kunnen voortbewegen.

Clarissa: Hij vertikte het eenvoudig om het op te geven. Ik heb hem ik weet niet hoe dikwijls van de vloer moeten oprapen. Maar eindelijk kon hij zich heel aardig redden op krukken. Nog was hij niet tevreden. Hij wilde alleen maar een stok gebruiken. Welnu, na nog meer valpartijen kreeg hij ook dat voor elkaar. Ik herinner mij nog dat een Getuige hem een prachtige hardhouten wandelstok wilde geven, maar Wilson wees het aanbod van de hand. Hij zei dat hij die binnenkort niet meer nodig zou hebben. Tot ieders verrassing kreeg hij gelijk! Het is nu meer dan drie jaar na het ongeluk. Wilson kan zo veel meer dan iemand ooit had verwacht.

Wilson: Zodra ik een beetje kon rondhompelen, ging ik terug naar het ziekenhuis om mijn vrienden op te zoeken. De meesten van hen waren er nog en waren heel blij met mijn herstel. Terwijl ik de gang afliep, kwam ik de arts tegen die voorspeld had dat ik nog maar vijf dagen zou leven. „Dag dokter”, zei ik.

„Ken ik u?” vroeg hij met een licht verwonderde blik.

„Ik ben de patiënt die nog maar vijf dagen te leven had.”

Zijn gezicht was niet in staat zijn verbazing te verbloemen. „Eh, u ziet er werkelijk goed uit. Ahum, eh, ik geloof dat u behoorlijk dikker bent geworden. Enneh . . . werkelijk heel prettig dat u zo snel bent hersteld.” En haastig maakte hij zich uit de voeten.

Veel andere artsen, verpleegsters en assistenten herkenden mij. Allen leken blij mij te zien. Ik ben ervan overtuigd dat zij allemaal, zelfs degenen die mij het nemen van bloed probeerden op te dringen, erin geïnteresseerd waren dat ik zou blijven leven. Zijzelf stonden ook onder druk.

Natuurlijk hadden wij ervaringen gelezen over mensen die oog in oog met de dood bloedtransfusie weigerden, maar het is nog heel iets anders een dergelijke ervaring aan den lijve te ondergaan. Als je te horen krijgt dat je nog vijf dagen te leven hebt en je denkt aan je gezin dat thuis op je wacht, dan word je heel sterk geconfronteerd met de consequenties van je besluit. Wat waren Clarissa en ik dankbaar dat wij de bijbel goed hadden onderzocht en onze kennis van God al van tevoren hadden verdiept. En wat hebben wij onze christelijke broeders en zusters leren waarderen. Hun bezoeken zijn zo aanmoedigend geweest. En bovenal hebben wij de gave van het gebed leren waarderen. Wij houden niet op Jehovah te danken omdat hij ons kracht om te volharden heeft gegeven toen wij die het hardst nodig hadden. — Ingezonden.

[Inzet op blz. 21]

„Ik ben niet geïnteresseerd in uw geloofsovertuiging of uw opvattingen”, zei de arts

[Inzet op blz. 22]

„Ik had zo verschrikkelijk veel pijn, dat ik mij niet kon concentreren op naargeestige gedachten over de dood of zelfbeklag”

[Inzet op blz. 22]

„Ik leerde op Jehovah God te vertrouwen als nooit tevoren”

[Inzet op blz. 23]

„Spoedig werd iedereen duidelijk dat Wilson heel eenvoudig niet dood zou gaan!”

[Inzet op blz. 23]

De specialist zei: „Als u een transfusie had aanvaard, zou u naar alle waarschijnlijkheid op dit ogenblik dood zijn. Mijn gelukwensen”

[Inzet op blz. 24]

„Wat waren Clarissa en ik dankbaar dat wij de bijbel goed hadden onderzocht en onze kennis van God al van tevoren hadden verdiept”

[Illustratie op blz. 22]

„U hebt nog maar vijf dagen te leven” zei de arts

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen