„Dit religieuze geloof van de wetenschapsman”
DE ALGEMEEN aanvaarde wetenschappelijke theorie is dat het universum een begin heeft gehad dat bekendstaat als de ’oerexplosie’, en de veronderstelling is dat daarna het heelal is uitgedijd. Dit is in overeenstemming met het eerste vers van de bijbel, dat erover spreekt dat het universum een begin heeft gehad. Robert Jastrow geeft hier commentaar op in zijn boek „God and the Astronomers” (1978):
„Theologen zijn over het algemeen verrukt over het bewijs dat het universum een begin heeft gehad, maar zo’n bewijs brengt astronomen merkwaardigerwijs van streek.” Hij citeert enkele uitspraken die werden gedaan als reactie op de gedachte van een uitdijend heelal. Albert Einstein: „Deze omstandigheid ergert me.” De Britse sterrenkundige Sir Arthur Eddington: „Het idee van een begin boezemt mij afkeer in . . . het laat me koud.” Phillip Morrison van MIT: „Ik zou het willen verwerpen.” Allan Sandage van de Palomar-sterrenwacht: „Het kan niet echt waar zijn.” Jastrow vervolgt dan:
„Hun reacties verschaffen een interessante demonstratie van wat de wetenschappelijke geest — naar wordt verondersteld toch een zeer objectieve geest — doet wanneer bewijsmateriaal dat door de wetenschap zelf aan het licht is gebracht, tot een conflict met de geloofsartikelen van onze professie leidt. Het blijkt dat de wetenschapsman zich net zo gedraagt als de rest van ons wanneer onze geloofsovertuigingen in strijd zijn met de bewijzen. We raken geïrriteerd, we doen alsof het conflict niet bestaat, of we camoufleren de zaak met betekenisloze frasen.” Verderop merkt Jastrow op: „Er is in wetenschap iets religieus . . . Dit religieuze geloof van de wetenschapsman wordt verstoord door de ontdekking dat de wereld een begin heeft gehad . . . ”