Onze jacht op roem in de boksring
HET was 21 januari 1966. Terwijl ik op het krukje in mijn hoek van de boksring zat, had ik het gevoel dat ik mij eindelijk op de drempel van roem en fortuin bevond. Het enige wat ik nog moest doen was dit gevecht winnen en Francisco San José zou tot Spaans bokskampioen zwaargewicht worden uitgeroepen. De volgende stap zou het Europees kampioenschap zijn.
Mijn gedachten werden abrupt onderbroken door het geluid van de gong, en de eerste ronde begon. Mijn tegenstander, Mariano Echevarría, koesterde klaarblijkelijk overeenkomstige ambities, en wij begonnen aan een vinnig duel dat 12 ronden duurde. Wij waren allebei sterk en het werd een genadeloos gevecht. Die dag werd ik Spaans kampioen zwaargewicht — een overwinning op punten.
Als jongen stond ik in mijn geboortestad Toro, in de provincie Zamora in Noordwest-Spanje, als straatvechter bekend. Hoewel ik werd opgevoed op een katholiek internaat, veranderde ik niet door het onderwijs daar. Na mijn schooltijd stortte ik me in een leven van misdaad en immoraliteit.
Na verloop van tijd werd ik verliefd op een meisje uit die plaats, maar zij wilde mij alleen accepteren als ik mijn levenswijze zou veranderen. Ik begon me dus wat te beteren, maar ik wilde nog steeds vechten. Daar boksen de enige wettige en „edele” manier was waarop dit kon, werd ik bokser. In 1963 vertegenwoordigde ik Spanje in de Mediterrane Spelen die in de Italiaanse stad Napels werden gehouden en won een bronzen medaille. In plaats van te proberen me te plaatsen voor de Olympische Spelen van Tokio het jaar daarop, besloot ik echter professional te worden. Als ik dan toch risico’s nam, dan kon ik me daar per slot van rekening net zo goed voor laten betalen. Zo dacht ik er tenminste over.
Maar wat bereikte ik ermee? Zes maanden nadat ik de Spaanse zwaargewichttitel had gewonnen, versloeg mijn rivaal Echevarría me in zes ronden. Ik was kampioen af. De vier jaren die daarop volgden, vocht ik 23 wedstrijden; ik won er elf, verloor er negen en drie eindigden onbeslist. Langzaamaan begon ik te beseffen dat ik werd gemanipuleerd door de promotors en managers om de carrière van anderen te bevorderen. In 1969 schreef een sportjournalist me af als een „zoenoffer”. Omdat ik het geld nodig had, werkte ik bij twee gelegenheden mee aan wat wij in het Spaans een tongo noemen, een gevecht waarvan de uitkomst afgesproken werk is. Toen ik in 1967 weigerde mee te doen aan een soortgelijk zaakje, zorgde de scheidsrechter ervoor dat ik verloor. Het drong ten slotte tot me door dat in veel gevallen kampioenschappen worden beslist in de kantoren van de promotors en niet in de ring.
In het begin van mijn carrière had ik mijn jongere broer, Carlos, ertoe overgehaald ook te gaan boksen. Hier volgt zijn kant van het verhaal:
Terwijl Francisco successen behaalde als amateurbokser, won ik veldlopen. Ik was echter geneigd naar Francisco op te zien en zijn voorbeeld te volgen.
Op een dag in 1963 kwam Francisco thuis en kondigde aan dat hij mijn eerste gevecht had georganiseerd. Met goedkeuring van de Boksbond van Valladolid moest ik in onze geboortestad uitkomen tegen een bokser die Sanchez heette. Ik was zenuwachtig, maar ik mocht mijn eigen stadsgenoten niet teleurstellen. Waar het op uitliep, was dat ik won door knock-out in de tweede ronde. De menigte werd razend van enthousiasme en droeg me op de schouders door de stad. Het succes steeg mij naar het hoofd. Nu ik voor de eerste maal de zoete smaak van de overwinning had geproefd, werd ik besmet met de boksmanie en ook ik begon te dromen van roem en fortuin in de ring.
Ik verhuisde naar Madrid, waar ik de juiste soort van training kon krijgen en genoeg gevechten gearrangeerd konden worden. In 1965 en ook het jaar daarop werd ik de Spaanse amateurkampioen in mijn gewichtsklasse. Ik werd geselecteerd in het Spaanse nationale team voor gevechten tegen Frankrijk en op regionaal niveau tegen teams in Duitsland en Portugal. Al deze amateurwedstrijden waren stappen naar een carrière als professional.
Ten slotte brak de lang verwachte dag aan — 23 november 1966. Mijn debuut als professional in Madrid was tegen Ben Bachir. Ik won door KO. Ik had er geen flauw vermoeden van dat ik hem jaren later onder heel andere omstandigheden zou ontmoeten. Nu begon er een hele reeks internationale tegenstanders onder mijn vuisten te vallen, sommigen door KO en anderen op punten. Maar het gevecht dat de diepste indruk maakte, vond plaats in Barcelona op 30 december 1969 tegen Bernard Daudu, een ervaren Nigeriaanse bokser.
Hoewel ik buiten de ring kalm en gereserveerd was, onderging ik als het gevecht eenmaal was begonnen een metamorfose tot een woeste boksautomaat, alleen maar bezeten van het idee mijn rivaal KO te slaan. Ik herinner me de woorden van een trainer in mijn amateurtijd: „Als je de ring binnengaat, denk er dan aan dat je je tegenstander hoe dan ook moet uitschakelen. Ga eropaf met haat in je hart en beuk hem in stukken. Het is je vijand. Heb geen medelijden met ’m.”
Toen het gevecht op gang kwam, misten mijn slagen hun doel. De menigte werd ongeduldig. Zij wilden bloed zien. Het was een gevecht van acht ronden en er was nog maar één ronde over. Ik zat in mijn hoek naar het haastige advies van mijn secondant te luisteren: „Maak ’m in deze ronde af of je verliest het gevecht!” Toen begon mijn bloed te koken en op het geluid van de gong ging ik vol woede en haat op hem af. Plotseling, ongeveer halverwege de ronde, raakte ik hem met een linkse hoekstoot op de kaak, gevolgd door een rechtse op de lever. Hij kwam in de touwen te hangen en ik raakte hem nog een keer. Hij ging neer en werd uitgeteld.
Toen de korte overwinningsformaliteiten voorbij waren, verliet ik snel de ring, verkleedde mij en nam de trein terug naar Bilbao. Toen ik uit de trein stapte, stonden mijn vrouw en mijn zuster mij op te wachten maar zij zag er gespannen uit. Wat was er aan de hand? Zij vertelden mij het nieuws. Daudu was gestorven aan een hersenbloeding!
Het is moeilijk mijn reactie te beschrijven toen ik dat nieuws hoorde. Ik huilde lang en bitter. Ik kon niet geloven dat mijn vuisten de dood van een andere man hadden veroorzaakt.
Maar wat vreemd is de menselijke aard toch! Wat gemakkelijk kunnen we dingen wegredeneren! Al gauw vond ik excuses om te rechtvaardigen dat ik bleef boksen. Anderen die belang hadden bij mijn carrière, kwamen met hun raad: „Het was een ongeluk. Boksen is een sport. De schuld ligt niet bij jou. Waarschijnlijk had hij al letsel opgelopen bij het vorige gevecht.” „Nu heb je de kans om geld te slaan uit de roem die je hebt verworven.” Maar diep in mijn hart beviel dit alles me niets. Ik wist dat het boksen hem had gedood, maar ik was de beul geweest die hem de genadeslag had toegediend.
Drie maanden later was ik terug in de ring, in Madrid. Op de televisie wilde men weten hoe ik over mijn carrière dacht na die tragische ervaring. Ik antwoordde dat ik vastbesloten was te blijven boksen.
De ene overwinning na de andere leidde uiteindelijk tot mijn grote kans op 25 december 1970. Het was de strijd om de Spaanse titel zwaarweltergewicht. De plaats: Bilbao, Vizcaya. Mijn rivaal: José María Madrazo, een man met ervaring. Maar ik was jonger en sterker, en in de zesde ronde kreeg ik hem twee keer tegen het canvas. Hij kreeg er zwaar van langs, zodat ten slotte de scheidsrechter tussenbeide kwam en mij een technisch KO toekende. Eindelijk had ik bereikt wat mijn broer vier jaar eerder gelukt was: Ik was kampioen van Spanje geworden.
Maar een jaar voordat ik dit doel bereikte, had mijn broer Francisco zich uit de bokssport teruggetrokken. Waarom? Laat hij het u zelf vertellen.
Hoewel ik mezelf meer als een atheïst dan als een katholiek beschouwde, was ik toen Jehovah’s Getuigen mij bezochten, nieuwsgierig naar wat zij geloofden. Ik bewonderde hun moed. Ze waren klaarblijkelijk oprecht. Hoewel ik niet alles geloofde wat zij leerden, interesseerde het me wel de bijbel te kennen en te begrijpen. Met de wekelijkse hulp van de Getuigen bestudeerde ik de bijbel aan de hand van het leerboek De waarheid die tot eeuwig leven leidt. De Getuigen brachten nooit het onderwerp boksen ter sprake. Maar toen wij hoofdstuk 14 bestudeerden, „Hoe de ware religie te identificeren”, besefte ik dat het duidelijke identificerende kenmerk van een christen liefde dient te zijn. Ik leerde dat Jezus had gezegd: „Hieraan zullen allen weten dat gij mijn discipelen zijt, indien gij liefde onder elkaar hebt” (Joh. 13:35). Het boek verklaarde vervolgens: „Het moet een liefde zijn die elk aspect van het dagelijks leven diepgaand beïnvloedt.” In mijn geval behoorde daar ook boksen toe.
Er was een bijzondere wedstrijd op komst. Mijn broer Carlos en ik zouden uitkomen in hetzelfde programma, San José I en San José II, zoals wij als boksers bekendstonden. Ik mediteerde intens over mijn situatie en vroeg in gebed om Gods leiding. Moest ik en kon ik blijven boksen en mezelf toch een christen noemen? Na veel zelfonderzoek besloot ik dat mijn gevecht in de arena voor stierengevechten in Bilbao op 17 oktober 1969 mijn laatste zou zijn.
De bekendmaking aan de pers dat ik mij op grond van mijn religieuze geweten uit de ring terugtrok, sloeg in als een bom. Carlos kon niet geloven dat vier maanden van bijbelstudie zo’n verandering in mij teweeg hadden kunnen brengen. Mijn „vrienden” in de bokswereld probeerden mij ertoe te bewegen op mijn besluit terug te komen. Zij boden mij de gelegenheid om een gooi te doen naar de Europese titel, waarbij voor mij een flinke som geld te winnen viel. Hoewel ik het geld nodig had, hield ik zonder wankelen aan mijn besluit vast.
Ik trok mij met mijn gezin terug naar mijn geboortestad Toro, waar ik sindsdien een andere soort van strijd heb gestreden, de christelijke strijd. De bijbelse waarheid heeft mijn persoonlijkheid veranderd. Om te illustreren wat ik bedoel: toen ik enige tijd geleden bezoeken van huis tot huis bracht om de bijbel te bespreken, dreigde een stevige knaap mij van de trap te gooien. Vroeger zou dat voor mij aanleiding geweest zijn om hem met een paar kaakstoten tegen de grond te slaan. In plaats daarvan praatte ik zijn slechte humeur weg en beëindigde het gesprek vreedzaam. — 2 Tim. 2:24-26.
Het is niet gemakkelijk geweest mijn persoonlijkheid te hervormen en het gebruik van vuisten plaats te laten maken voor de kracht van de rede. Maar ik ben beslist tevredener nu ik bij mijn gezin ben, het land bewerk, dieren verzorg en op een bescheiden schaal God mag dienen. Wat een contrast met de felle lichten van de boksarena en de bloeddorst van het grillige publiek! — Rom. 12:1, 2; Kol. 3:10, 12.
Alhoewel mijn besluit om de ring te verlaten Carlos voor een raadsel plaatste, ging hij verder met zijn carrière. Laat hem vertellen wat er gebeurde:
Ongeveer een jaar nadat Francisco zich had teruggetrokken, werd er op mijn deur geklopt. Het was dezelfde Getuige die hem had bezocht. Ik nodigde hem binnen en na een gesprek stelde hij me voor de bijbel te bestuderen. Mijn gedachte was: „Kennis kan nooit kwaad”, en in elk geval was ik er nieuwsgierig naar wat zo’n grote invloed op mijn broer had uitgeoefend. Ik accepteerde dus een studie, maar maakte duidelijk dat ik het boksen nooit zou opgeven voor religie.
Ik geloof dat mijn eerste grote verrassing kwam toen ik de Tien Geboden opsloeg in het bijbelboek Exodus. Ik dacht dat ik ze uit mijn hoofd kende uit mijn schooltijd, maar deze geboden in de bijbel verschilden van de kerkelijke versie. Zo had ik bijvoorbeeld nooit gehoord van het tweede gebod, dat het gebruik van beelden bij de aanbidding verbiedt. Die weglating werd in de kerkelijke versie opgevangen door het tiende gebod in tweeën te splitsen. Dat bedrog opende mij de ogen. — Ex. 20:4-6.
Na slechts enkele bijbelstudies kreeg ik een zware strijd te voeren met mijn geweten. Mijn vrouw aanvaardde de christelijke waarheid en voor mijzelf kon ik het handschrift al op de muur zien staan: mijn boksdagen waren geteld als ik de bijbel bleef bestuderen. Daarom excuseerde ik me een paar weken van de bijbelstudie en andere keren hoopte ik maar dat de Getuigen zouden vergeten te komen. Niettemin beïnvloedde de bijbel mijn denkwijze. Ik besefte dat toen ik mijn titel zwaarweltergewicht op 10 oktober 1971 verdedigde tegen Angel Guinaldo uit Salamanca.
Toen ik de ring instapte, schreeuwde de menigte: „Geef ’m ervan langs, San José! Maak ’m vlug af!” „Verkoop hem een goeie linkse”, en meer van dat soort kreten. Mijn tegenstander zat in zijn hoek te wachten op zijn kans mij van mijn titel te beroven. Ondertussen bestookte mijn geweten mij. Er schoten mij woorden uit de bijbel te binnen, zoals 1 Johannes 4:20: „Wie zijn broeder, die hij heeft gezien, niet liefheeft, kan God, die hij niet heeft gezien, niet liefhebben.” Een vloed van andere teksten flitste door mijn geest en veroordeelde mijn handelwijze, terwijl ik voor mezelf probeerde goed te praten wat ik op het punt stond te gaan doen.
De gong klonk. Daar stond ik tegenover mijn tegenstander. Tijdens het gevecht liet mijn geweten me geen rust. Ik betrapte me erop dat ik dacht: „Wat doe ik hier? Lieve God, vergeef me alstublieft!”
Het scheen allemaal een eeuwigheid te duren. Maar ik wilde dolgraag de ring vaarwel zeggen als titelhouder. Mijn persoonlijke trots sprak een woordje mee. Ik wilde dat men zou weten dat ik het boksen opgaf uit liefde voor God en niet omdat ik mijn titel had verloren.
Eindelijk was het gevecht voorbij, maar niet met mijn gebruikelijke KO-stoot. Had ik gewonnen of verloren? Ik wachtte gespannen op de beslissing. De scheidsrechter kondigde aan . . . onbeslist. Ik had de titel nog!
Ik werd nu officieel beschouwd als kandidaat voor de Europese titel. Jarenlang had ik gewerkt en gevochten voor die kans. Van alle kanten werd er druk op mij uitgeoefend — door mijn geweten en door mijn relaties in de bokswereld. Voortdurend bestudeerde ik de bijbel en bezocht ik christelijke vergaderingen. Het gevolg was dat ik een kracht op mijn geest voelde inwerken. Om het in bokstermen te zeggen: de bijbel had mij in de touwen gekregen en ik stond op het punt tegen het canvas te gaan. Hoe kon ik schriftplaatsen weerstaan zoals: „Ik ben hard voor mijn lichaam en leid het als een slaaf, om niet, na tot anderen te hebben gepredikt, zelf op een of andere wijze afgekeurd te worden”, en: „De liefde berokkent de naaste geen kwaad”? — 1 Kor. 9:27; Rom. 13:10.
Ik slaagde erin verscheidene maanden lang geen enkele invitatie voor een gevecht te accepteren. Toen ontving ik in februari 1972 een brief van de boksbond waarin mij werd meegedeeld dat ik 15 dagen had om mijn titel te verdedigen en dat ik hem anders verspeelde. Ik ging in gebed tot Jehovah en bad om hulp en leiding. Die hulp kwam en ik kondigde aan dat ik mij op basis van mijn religieuze beginselen uit de ring terugtrok.
Dàt gaf een reactie van jewelste in de nieuwsmedia. Tweemaal werd ik op de tv geïnterviewd om mijn motieven uiteen te zetten. Veel sportliefhebbers hadden kritiek op mijn besluit. Maar eindelijk had ik vrede met mezelf. Ik had een ware overwinning behaald.
Soms wordt me gevraagd of het me spijt dat ik het boksen heb opgegeven. Dan moet ik denken aan het onderschrift van een persfoto van Francisco en mij, in bokstenue, met onze handen al in de bandages voor een gevecht. Het luidde: „Carlos en Francisco San José, tegenover elkaar. Hoewel in verschillende gewichtsklassen, zoeken beide broers een beloning voor hun krachtsinspanningen in de efemere glorie van de ring.” Let wel: „efemere glorie”. „Efemeer” komt van een Grieks grondwoord dat letterlijk betekent: slechts één dag durend. Hoe waar is dat in de bokswereld!
Ik ben in contact gekomen met enkele eens beroemde ex-boksers. Zij bieden een meelijwekkende aanblik. Zij kijken altijd terug op hun korte en vergane glorie. Waar zijn hun „vrienden” nu? Hoe vaak heb ik gezien dat een bokser alleen „vrienden” heeft als hij wint, en als die „vrienden” geld beuren als resultaat van zijn overwinningen. Begin te verliezen en de „vrienden” verdwijnen.
En over geld gesproken — een fortuin heb ik beslist niet met boksen gemaakt. Ongeveer een derde van de prijs dekt de kosten van training en management. En in de maanden tussen de gevechten is het restant nodig voor het levensonderhoud van het gezin.
Sedert ik een Getuige ben geworden, heb ik echter veel meer verworven in andere opzichten. Ik heb nu ware vrienden, wier vriendschap gebaseerd is op echte en blijvende waarden, en niet omdat iets van de roem van een idool op hen afstraalt. Het zijn mijn geestelijke broeders met wie ik deelneem aan de prediking van het „goede nieuws” in San Salvador del Valle in de Noordspaanse provincie Vizcaya. En als ik deelneem aan dit werk, heb ik het voorrecht een getuige te zijn voor de grootste persoon in het universum, Jehovah God.
Wanneer ik christelijke congressen bijwoon, komen er vaak herinneringen aan mijn bokstijd boven, eenvoudig omdat ze worden gehouden in sportarena’s waar ik jaren geleden gebokst heb. Dat was het geval in 1978 op het internationale congres in Barcelona, waarvoor ook het gemeentelijke sportpaleis werd gebruikt, de plaats waar ik een eind had gemaakt aan het leven van de Nigeriaanse bokser Daudu. Wat een tegenstelling! In plaats van een bloeddorstige mensenmassa die schreeuwde om een KO, was er nu een vredelievende menigte die luisterde naar het Woord van God in een sfeer die liefde en rust ademde.
Al eerder, in 1974, toen ik de districtsvergadering van Jehovah’s Getuigen op het voetbalterrein van Salamanca bijwoonde, zag ik een stevig gebouwde Getuige in mijn richting komen die me bekend voorkwam. Hij keek naar mij, passeerde me en draaide zich toen om om nog eens te kijken, zoals ik ook hem voor de tweede maal opnam. Verbaasd riepen we gelijktijdig uit „Maar jij moet Ben Bachir/San José II zijn!” En dat was ook zo. Wij die vroeger vijanden waren geweest in de ring waren nu verenigd als christelijke broeders!
Francisco en ik zijn blij dat wij de onverkwikkelijke bokswereld met zijn wreedheid en geweld, hebzucht, manipulaties en exploitatie vaarwel hebben gezegd. Wij hebben een betere levenswijze gevonden, de christelijke weg der liefde, een weg die een blijvende beloning biedt, namelijk Gods goedkeuring en eeuwig leven. — Hebr. 11:6; Rom. 6:23.
[Inzet op blz. 18]
„Ik wist dat hij door het boksen was gestorven, maar ik was de beul geweest”
[Inzet op blz. 19]
’Ik leerde dat een christen een liefde moet hebben die zijn dagelijks leven diepgaand beïnvloedt. In mijn geval behoorde daar ook boksen toe’
[Inzet op blz. 21]
’Efemere glorie — slechts één dag durend. Hoe waar is dat in de bokswereld!’