Mensen — Wat „bezielt” hen?
Mensen doen goede dingen, maar ook verkeerde dingen. Zij zijn een mengeling van goed en kwaad. Dikwijls schieten zij in de roos, maar dikwijls ook slaan zij de plank mis. Zij zijn vol tegenstrijdigheden, bitter en zoet tegelijk. Waarom? Hoe komt het dat zij zo zijn? Wat „bezielt” de mensen nu in werkelijkheid? Deze serie over MENSEN zoekt naar het antwoord.
WAAROM komt een man op een dag thuis en schiet zijn vrouw en vier kinderen dood? Waarom slijt een andere man zijn levensdagen met hard werken om voor zijn gezin te zorgen?
De één stelt zijn leven in dienst van de mensheid, terwijl een ander een leven leidt van misdaad en geweld. De één geeft met milde hand om lijden te verlichten, een ander pot rijkdommen op en zaait pijn en ellende om zich heen. Sommigen geven aan de armen, anderen verwijten de armen hun armoede. De ene groep vindt vreugde in bouwen en creatief bezig zijn. Anderen scheppen een wraakzuchtig genoegen in zinloze vernielzucht. Waarom handelen verschillende mensen zo verschillend?
Sterker nog: Waarom kan één en dezelfde persoon nu eens zo vriendelijk en liefdevol zijn en dan weer zo wreed? Wellicht gebruikt hij zijn kennis en de daaruit voortvloeiende macht om de mensheid goed te doen, om het volgende ogenblik diezelfde kennis aan te wenden om bommen te maken waarmee vrouwen en kinderen aan stukken worden gereten. Sommigen zullen zich er achteraf bedroefd over voelen terwijl anderen niets voelen. Vanwaar dit innerlijke conflict, deze oorlog tussen vlees en geest, deze toestand in de mens alsof hij een tegen zichzelf verdeeld huis is? Is het erfelijk bepaald? Is het een gevolg van zijn omgeving? Zijn er onbevredigde behoeften in de mensen die hen ertoe drijven slechte dingen te doen? En als aan deze behoeften wordt voldaan, zijn zij dan in staat het goede te doen dat zij misschien wensen te doen?
De apostel Paulus schreef over dit innerlijke conflict: „Ik begrijp mijn eigen daden niet. Want ik doe niet wat ik graag wil doen, nee, ik doe juist wat ik verafschuw. Want het goede dat ik wil doen, doe ik niet, maar het verkeerde dat ik niet doen wil, doe ik juist wèl. Innerlijk stem ik helemaal in met de wet van God, maar in mijn handelen ontdek ik een andere wet. Die wet strijdt tegen de wet van God waarmee ik met mijn verstand instem.” — Rom. 7:15, 19, 22, 23, Het Nieuwe Testament in de omgangstaal.
Jakobus, een broer van Jezus, schreef over de tegenstrijdigheden in de mensen: „De tong . . . kan geen mens temmen. Ze is een weerspannig, schadelijk ding, vol dodelijk vergif. Met haar zegenen wij Jehovah, ja, de Vader, en met haar vervloeken wij nochtans mensen die ’naar Gods gelijkenis’ zijn ontstaan. Uit dezelfde mond komt zegen en vloek voort. Het is niet juist, mijn broeders, dat deze dingen zo blijven geschieden.” — Jak. 3:8-10.
Merk op dat Jakobus zegt dat de mens „naar Gods gelijkenis” is ontstaan. Wat betekent dat? Is dat de sleutel voor het antwoord op de vraag: Wat bezielt de mensen?