Stad op stelten
Door Ontwaakt!-correspondent in Nederland
„GROOTVADER! De grond beeft helemaal! Is dat een aardbeving?” Grootvader glimlacht en vertelt zijn tiener-kleinzoon die op vakantie in Amsterdam is: „Nee, Frans, dit is geen aardbeving. Die zware truck die zo juist voorbijdaverde, was de oorzaak. De grond in deze stad is zo slap, dat een plotselinge druk of belasting de hele omgeving doet schudden en trillen.”
Frans zucht van verlichting. „Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Ik was echt even bang.”
„Wel, dat zijn de stadsbestuurders ook, Frans. Zij maken zich zorgen over al dat zware verkeer dat zich door de oude binnenstad perst en door het voortdurende getril heel wat schade toebrengt aan de eeuwenoude gebouwen, die niet op dit geweld zijn berekend.”
Nadat de twee een poosje zwijgend hun wandeling hebben vervolgd, vraagt Frans weer: „Weet u wat ik niet begrijp: Hoe die oude huizen kunnen blijven staan als de grond zo slap en week is.”
„Stelten, Frans.”
„Stelten?”
„Wel, ik geef toe, dat is ook niet de naam die een bouwkundige zou gebruiken, maar zou je graag iets willen weten over die methode van bouwen?”
„Natuurlijk, grootvader.”
„Kom dan even naast me zitten op deze bank. Probeer nu alle huizen, flats, torens, bruggen, wegen en andere bouwwerken — alles — weg te denken. Wat zie je dan?”
Frans sluit de ogen in een ernstige poging alles weg te denken. „Ik zie, eh . . . niets!”
„Heel goed, dat is nu precies waar het mee begon — een moerassige streek aan de mond van een magere rivier, waar zich na verloop van tijd wat boeren en een enkele koopman vestigden. Aan de monding van de rivier de „Amestelle” wierpen ze een dam op om zich te weren tegen de overstromingen bij vloedtij. Maar de huizen die ze daar bouwden, Frans, leken niet op de huizen in deze tijd. De mensen waren met weinig tevreden. Op een simpel fundament van riet en twijgen werden de houten wanden opgezet, daarop kwam een dak van riet, dat tegen brandgevaar met leem werd bestreken, en ziedaar: het huis was gereed. Hoe licht die eerste huisjes waren, blijkt wel uit het feit dat als er een in brand vloog, de belendende huisjes uit voorzorg eenvoudig uit elkaar werden genomen en naar een veiliger plaats werden overgebracht.
Na verloop van tijd vereiste echter de voortdurende dreiging van brandgevaar de bouw van duurzamere woningen. In de vijftiende eeuw woedden er twee grote branden; die van 1452 legde meer dan de helft van de toen toch al vele honderden huizen van oud „Amestelledamme” volledig in de as. Het gevolg was dat de magistraten het gebruik van houten wanden gingen verbieden en nog uitsluitend stenen muren toestonden. Daarmee ontstond voor de toenmalige bewoners echter een nieuw probleem, Frans, en ik vermoed dat jij al begrijpt wat voor probleem dat was?”
„Ik denk dat die fundering van riet en takken niet voldoende was om die stenen muren te houden.”
Precies! Er was een betere fundering nodig. En dus begon men houten palen in de grond te slaan, aanvankelijk nog korte exemplaren, van slechts 1,2 tot 1,5 meter lang, en later, toen er grotere huizen kwamen, soms wel palen van 7,5 meter.
Toch, hoewel de Amsterdamse huizen nu sterker en hoger werden, bleven ze in vele opzichten nog erg primitief. Verscheidene huizen hadden bijvoorbeeld slechts één privaat. In de toenmalige koopcontracten werd dan ook omstandig vastgesteld wie de privaten zou moeten ledigen en door wiens huis het vuil moest worden afgevoerd. Pas in 1528 bepaalden de toenmalige stadsbestuurders dat er geen huis meer zonder privaat gebouwd mocht worden. Overigens was Amsterdam op andere gebieden vooruitstrevend genoeg. De stad groeide uit tot een drukke handelshaven en de vraag naar nog stabielere gebouwen nam toe. Aan het begin van de zeventiende eeuw werd op 11 meter onder het slik van de stad een harde zandlaag ontdekt. En vanaf dat moment vereisten de magistraten dat alle palen tot in die harde ondergrond werden gedreven.”
„Dat is heel interessant, grootvader”, merkt Frans op, „maar hoe kregen ze die lange palen de grond in?”
„Heel lang zijn de heipalen met handkracht de bodem in geslagen. Eerst werd daarvoor eenvoudig een grote houten hamer gebruikt, later gebruikte men een zwaarder blok dat aan beide kanten was voorzien van twee handvaten en dat door twee man op en neer werd bewogen. En nog weer later werden de heiblokken tussen twee geleidepalen in tot hoog boven de heipaal getrokken en dan losgelaten. Het omhoogtrekken geschiedde met een touw dat over een katrol liep en er waren heel wat sterke kerels voor nodig om het heiblok de hoogte in te krijgen.”
„Maar hoe konden zoveel mannen aan een touw trekken zonder elkaar in de weg te lopen?”
„Dat is een goede vraag! Maar de toenmalige Amsterdammers hadden een oplossing. Ze verbonden aan het hoofdtouw een aantal dunnere lijnen, zodat ieder aan zijn eigen touw kon trekken. Natuurlijk was dat heien eentonig werk en om de tijd te korten werden er op het ritme van de hamer van het heiblok speciale heiliederen gezongen, dat wil zeggen, meestal zong de heibaas en zorgden de werkers voor de cadans. Daarbij poogde men het ritme en de zang wat aan te wakkeren door het schenken van sterke drank, wat helaas nogal eens tot dronkenschap en wangedrag leidde en . . . overtreding van de bouwvoorschriften.
Honderden jaren zijn er alleen houten palen gebruikt. Die kunnen per stuk slechts acht tot twaalf ton dragen, zodat er onder een gebouw van enige omvang heel wat nodig waren. Herinner je je nog dat we gisteren langs het Paleis op de Dam liepen? Dat is op 13.659 palen gebouwd.”
„Maar, grootvader, gaan die houten palen nooit rotten? En moeten ze dan niet vervangen worden door nieuwe palen?”
„Dat zou je denken, Frans, maar wanneer men ervoor zorgt dat ze met hun bovenkant onder de grondwaterspiegel blijven, kunnen ze honderden jaren mee.”
„Worden er nog steeds houten palen gebruikt?”
„Ja, zo af en toe, voor een kleiner gebouw. Maar meestal gebruikt men nu palen van gewapend beton. Die hoeven niet tot onder de grondwaterstand te worden gedreven en kunnen een veel zwaardere last dragen dan houten exemplaren. Nog iets over je vraag omtrent de vervanging van aangetaste palen. Daar heeft men ook iets op gevonden. De palen die men voor vervangingsdoeleinden gebruikt, zijn geen gewone palen, maar bestaan uit segmenten van ongeveer 1,2 meter — holle segmenten die zo zijn gemaakt dat het ene segment precies op het andere past en een hele reeks op elkaar een complete paal vormen. Deze segmenten worden met hydraulische kracht in de grond geperst, stuk voor stuk; en als één segment in de grond is verdwenen, wordt via de holle kern de aarde uit het onderste segment verwijderd. Het ene segment wordt zo op het andere bevestigd, tot de harde zandlaag is bereikt. Daarna vult men de holle kern met beton, hetgeen de uit vele delen bestaande paal stevigheid verleent, terwijl zich aan de onderzijde een brede voet van onregelmatig beton vormt, die het draagvermogen extra vergroot. Deze methoden past men ook toe in de omgeving van gebouwen die door normaal heien beschadigd zouden raken, of in de buurt van ziekenhuizen of kantoorgebouwen, waar mensen van het lawaai van het heien hinder zouden hebben.”
„Dank u, grootvader, dat u me dit allemaal verteld hebt. Wanneer ik thuis ben, zal ik mijn vrienden heel wat te vertellen hebben over mijn vakantie in Nederland.”