Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g77 22/10 blz. 24-26
  • Zij boden zich vrijwillig aan om overal te dienen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Zij boden zich vrijwillig aan om overal te dienen
  • Ontwaakt! 1977
  • Vergelijkbare artikelen
  • Van succesvolle studenten tot succesvolle zendelingen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1997
  • Gileads achtenvijftigste klas — bereidwillig en vol waardering
    Ontwaakt! 1975
  • „Getuigen . . . tot de verst verwijderde streek der aarde”
    Ontwaakt! 1976
  • Een bereidwillige geest brengt mensen naar Gilead
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
Meer weergeven
Ontwaakt! 1977
g77 22/10 blz. 24-26

Zij boden zich vrijwillig aan om overal te dienen

SPREKEND in New York, zei een lid van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen onlangs: „Meer dan vijfduizend studenten zijn afgestudeerd van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead. En meer dan duizend van hen zijn op dit moment in allerlei delen van de wereld als zendeling werkzaam, nog afgezien van de velen die andere takken van de volle-tijddienst behartigen.” Ja, al deze personen hebben zich vrijwillig aangeboden om waar maar ook op aarde te dienen omdat zij een levendige belangstelling hebben voor de prediking van het goede nieuws van Gods koninkrijk. Op 10 april 1977 ontving weer een klas haar diploma van de Gileadschool, en zij hadden dezelfde bereidwillige geest.

In de tweeënzestigste klas zaten zevenentwintig studenten uit zes landen. Om de Gileadschool te kunnen bezoeken, moet men het Engels goed beheersen, en dat had voor de studenten uit Europa speciale inspanningen gevergd. Sommigen van hen hadden weliswaar op school Engels geleerd, maar onvoldoende om de cursus te kunnen volgen, en hadden daarom eerst een tijdlang in gebieden gewoond met Engels-sprekende mensen onder wie zij leefden en werkten totdat zij de taal goed machtig waren. Deze ervaring bracht hen ook in contact met mensen van een andere achtergrond. Zoals een studente uit Duitsland opmerkte: „Het gaf mij werkelijk vreugde om te spreken met mensen uit allerlei delen van de wereld. Ik bestudeerde zelfs de bijbel met mensen uit Vietnam, Korea, Japan en Taiwan.” Naarmate zij meer mensen uit verschillende landen leerde kennen, groeide ook haar liefde voor dergelijke mensen, en tegelijk het verlangen om hen te helpen.

Maar waarom waren zij niet eenvoudig in hun eigen land gebleven? Daar waren per slot van rekening toch ook mensen tot wie zij zouden kunnen prediken? Een student uit de Verenigde Staten antwoordde op die vraag: „Het grootste probleem in mijn leven was zelfvoldaanheid. Ik pionierde, was ouderling in de gemeente, was met een knappe vrouw getrouwd, had mijn eigen huis en een zaak, en ik merkte dat ik te zelfvoldaan werd.” Hij besprak de kwestie met zijn vrouw en zij besloten zich aan te bieden om daar te dienen waar zij maar nodig waren.

Een Canadese student voegde eraan toe: „Omdat onze omstandigheden zodanig waren dat wij ons voor dit speciale werk konden aanbieden, zouden wij Jehovah iets hebben onthouden wat wij Hem verschuldigd waren indien wij ons niet vrijwillig zouden hebben aangeboden. Wij zouden hem niet met ons gehele hart hebben gediend.”

Sommige studenten hadden zich, dank zij de aanmoediging van hun ouders, al vanaf hun kinderjaren op de zendingsdienst ingesteld. Anderen gaven echter openlijk toe dat zij, hoewel zij graag mensen hielpen, het nu niet echt gemakkelijk vonden om van huis tot huis te gaan en aldus personen te zoeken die wilden luisteren. Daarom hadden zij zich aanvankelijk niet het zendingswerk ten doel gesteld. En toch hadden zij zich aangeboden. Waarom?

Omdat zij bereid waren in een behoefte te voorzien. Zij weerspiegelden de geest waarover de bijbelschrijver David tot Jehovah zei: „Uw volk zal zich gewillig aanbieden” (Ps. 110:3). Zo had één van de studenten de zendingsdienst aangevraagd met de gedachte: „Als dit is wat Jehovah wil dat ik doe, zal ik het graag doen”. En een Canadese student zei: „Als zendeling te werken, zal mij de mogelijkheid bieden om daar gebruikt te worden waar een grotere behoefte aan predikers bestaat, en wanneer er ergens een behoefte bestaat en ik op een of andere manier kan helpen in die behoefte te voorzien, dan is daar mijn plaats.”

Voor velen van hen was het niet volkomen nieuw om te verhuizen naar een gebied ver van huis, en om te werken onder mensen met andere gewoonten. Zij hadden dat al eerder gedaan, toen ze hun eigen gemeenten verlieten om te gaan dienen waar de behoefte aan predikers van het goede nieuws groter was, met de gedachte zich voor te bereiden op de dienst in het buitenland.

Eén echtpaar in de klas was met een kano-expeditie mee geweest, waarbij zij over een afstand van 4000 km heen en terug langs de rivier de Mackenzie in de Northwest-Territories van Canada gereisd. Zij hadden in tenten geslapen en horden insekten verdragen alleen om mensen in dat gebied te bereiken met het goede nieuws van Gods koninkrijk. De nederzettingen lagen 80 tot meer dan 300 kilometer uiteen, en daar tussenin woonde geen mens. Bezoekers waren een zeldzaamheid in deze afgelegen streken, maar veel mensen waren dankbaar het goede nieuws uit Gods Woord te vernemen. En de studenten die hieraan hadden deelgenomen, hadden aldus een goed idee gekregen van wat er allemaal bij het zendingswerk kan komen kijken.

Pas tegen het einde van hun schoolcursus werden zij echter ingelicht over de landen waar zij zouden dienen. Bij de toewijzingen waren Bolivia, Botswana, Chili, Columbia, de Dominicaanse Republiek, Ecuador, Honduras, Lesotho, Liberia, Spanje en West-Samoa. Met vurige verwachting werden alle toewijzingen aanvaard.

Maar dit zou niet eenvoudig een reisavontuur worden. Op de dag van hun graduatie besprak U. V. Glass, een van hun leraren, openhartig met hen waarom zij gingen. Het was om te werken. Dat is, zoals hij zei, voor veel mensen tegenwoordig een onaangenaam onderwerp. Maar dat is niet altijd zo geweest. Hij toonde hen aan dat werk op meer dan één manier bezien kan worden. Als iemand zijn werk alleen maar doet omdat het gedaan moet worden, kan het onaangenaam zijn. Maar wat een verschil wanneer men leert plezier te scheppen in wat men tot stand brengt! Glass drong er bij de studenten op aan déze kijk op hun werk als zendeling te hebben.

K. A. Adams, de andere leraar die zij geregeld voor de klas hadden gehad, moedigde hen aan om de dingen die zij hadden geleerd, niet eenvoudig weggeborgen te houden in hun geest, maar ze te gebruiken om anderen te helpen. Zo zouden zij, om een moeder te troosten wier kind is gestorven, bij het lezen van de bijbelse belofte dat ’de dood er niet meer zal zijn’, ook met de vrouw kunnen spreken over de werkelijk gebeurde ervaring van het echtpaar in Kapernaüm, dat meemaakte dat hun kind door Jezus tot leven werd opgewekt (Openb. 21:4; Luk. 8:40-42, 49-56). Bij het helpen van iemand die terugschrikt voor dienstvoorrechten, zou het heilzaam zijn om in plaats van hem alleen maar te vertellen dat hij de kwestie anders moet bezien, er met hem voor te gaan zitten om samen het bijbelboek Jona te lezen, zodat de raad uit dat boek volledig zijn hart kan bereiken. En wanneer zij problemen in een gemeente zouden moeten behandelen, zouden zij in plaats van eenvoudig één of twee toepasselijke bijbelteksten op te zoeken, zich een van de eerste-eeuwse christelijke gemeenten kunnen herinneren die aan een soortgelijke situatie het hoofd had moeten bieden, om dan gebruik te maken van het hele gedeelte van de geïnspireerde brief aan die gemeente waarin Gods zienswijze met betrekking tot de zaak tot uitdrukking wordt gebracht. Hun Gileadopleiding had de studenten hiertoe beter toegerust.

Behalve deze laatste raad van hun leraren, gaven ook verschillende leden van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen de vertrekkende studenten goede adviezen, waarbij zij onder andere de nadruk legden op het belang van loyaliteit, nederigheid van geest en zelfonderzoek.

Sinds hun diploma-uitreiking zijn de leden van de 62ste klas successievelijk naar hun buitenlandse toewijzingen vertrokken. En sommigen van hen bevinden zich nu in landen waar, naar verhouding van het aantal Getuigen op de gehele bevolking, drie-, vier-, vijf- of zelfs negentigmaal zoveel mensen zijn om de bijbelse waarheden aan te vertellen dan in de landen waar zij vandaan kwamen. Zij die zich vrijwillig voor de zendingsdienst hebben aangeboden, tonen dezelfde geest te bezitten als de profeet van God in de oudheid, die zei: „Hier ben ik! zend mij.” — Jes. 6:8.

[Illustratie op blz. 25]

Afgestudeerden van de tweeënzestigste klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead

62nd Class April 1977

In onderstaande lijst zijn de rijen genummerd van voren naar achteren, en de namen in elke rij verwijzen naar de studenten in volgorde van links naar rechts.

(1) Mang, D.; Delgado, A.; Evans, A.; Schroeder, C.; Carr, B. (2) Humes, T.; Khawaja, J.; Godfrey, J.; Wedmedew, G.; Rhodes, H. (3) Hogg, J.; Hutter, H.; Khawaja, I.; Wedmedew, P.; Edwards, W.; Rhodes, J. (4) Wagner, R.; Carr, G.; Stutts, V.; Mang, R.; Evans, G. (5) Miles, M.; Schroeder, M.; Garcia, R.; Moore, R.; Kritzinger, E.; Godfrey, P.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen