Wat is de zienswijze van de bijbel?
Is zelfverdediging raadzaam?
IN VEEL delen der aarde is er een stijging van misdaad en geweld waar te nemen. En vooral is dit het geval in de grotere steden, waar mensen zich zelfs in hun eigen huis niet meer veilig voelen. Wat te doen wanneer u met geweld wordt bedreigd? Moet u uw belager dan ’de andere wang toekeren’?
Het was Jezus Christus die sprak over het ’toekeren van de andere wang’. Maar we moeten dan wel beschouwen of hij dit in verband met een ernstige bedreiging van iemands leven zei. Hij sprak: „Bied geen weerstand aan degene die goddeloos is, maar slaat iemand u op uw rechterwang, keer hem dan ook de andere toe” (Matth. 5:39). Een slag is een belediging, vaak bedoeld om een gevecht uit te lokken. Door niet met gelijke munt te betalen wanneer men beledigend toegesproken of behandeld wordt, kan een christen moeilijkheden vermijden. „Een zacht antwoord”, aldus de bijbel, „keert woede af.” — Spr. 15:1.
Geheel anders ligt de situatie echter wanneer men met ernstig lichamelijk letsel wordt bedreigd. In zijn Wet aan de natie Israël onthulde Jehovah God dat iemand het recht heeft zichzelf te verdedigen. Aangaande een dief bijvoorbeeld die midden in de nacht bij een huis inbrak, verklaarde de Wet: „Indien een dief bij het inbreken wordt betrapt en hij werkelijk wordt geslagen en sterft, is er geen bloedschuld wegens hem” (Ex. 22:2). ’s Nachts zou het heel moeilijk zijn de bedoelingen van een indringer vast te stellen. De huiseigenaar had dan ook het recht harde slagen uit te delen ten einde zich tegen mogelijk lichamelijk letsel te beschermen, waarna hem bij de eventuele dood van de indringer als gevolg van deze slagen geen bloedschuld ten laste gelegd kon worden.
Het is een natuurlijke neiging van de mens zijn lichaam voor letsel te willen behoeden. Wanneer hij met een voorwerp wordt bekogeld, zal hij dit zo mogelijk trachten te ontwijken, en anders in elk geval zijn hoofd proberen te beschermen. Evenzo zal een man wanneer een geliefd gezinslid — vrouw of kind — wordt aangevallen, instinctief doen wat hij kan om te helpen, zelfs al zou hem dat het leven kosten. Een dergelijke handelwijze is tevens in overeenstemming met wat Jezus Christus zelf deed toen hij zijn leven voor de gemeente offerde. — Ef. 5:25.
Dus wat te doen wanneer u zelf of een van uw geliefden tegenover een gewapende man of vrouw komt te staan? Naarmate de tijd en uw menselijke vermogens dit toelaten, zult u de situatie moeten overwegen en moeten vaststellen of het de persoon alleen maar om geld en andere waardevolle voorwerpen te doen is of dat het zijn of haar bedoeling is ernstig lichamelijk letsel toe te brengen. Het zou dwaas zijn uw leven op het spel te zetten voor de verdediging van vergankelijke materiële bezittingen. Geld of andere waardevolle voorwerpen zonder tegenstand overgeven, zal misschien elke bedreiging van het leven wegnemen. De Mozaïsche Wet beschouwde het bovendien als bloedschuld wanneer iemand overdag een dief van het leven beroofde (Ex. 22:3). Waarom? Kennelijk omdat de dief volgens de Wet overdag geïdentificeerd kon worden. En omdat de Mozaïsche Wet Gods zienswijze weerspiegelt, kunnen wij begrijpen dat een christen zich niet kan beroepen op zelfverdediging wanneer hij zich slechts te weer heeft gesteld om stoffelijke bezittingen tegen een identificeerbare misdadiger te verdedigen.
Aan de andere kant is het mogelijk dat de gewapende persoon het vooropgezette doel heeft om te doden. Wat dan?
Indien mogelijk, geniet vluchten de voorkeur. De bijbel maakt melding van een aantal malen dat Jezus dit deed. Zo gebeurde het een keer dat bepaalde joden ’stenen opnamen om ze naar hem te werpen’, maar „Jezus verborg zich en ging de tempel uit” (Joh. 8:59). Betreffende een andere gelegenheid lezen wij: „Zij probeerden . . . opnieuw hem te grijpen, maar hij stelde zich buiten hun bereik.” — Joh. 10:39.
Als vluchten onmogelijk is, zou men misschien met de aanvaller kunnen redeneren. Maar al mag dit soms succes hebben, wanneer de persoon vastbesloten is geweld te gebruiken, kost dit vaak alleen maar een aanzienlijke hoeveelheid waardevolle tijd. Misschien is het in bepaalde situaties alleen nog maar mogelijk een greep naar het dichtstbij gelegen voorwerp te doen om zich of anderen daarmee te beschermen. De aanvaller kan daarmee een dodelijke slag worden toegebracht. Maar iemand die aldus uit zelfverdediging heeft gehandeld, heeft volgens de schriftuurlijke zienswijze geen bloedschuld op zich geladen.
Met het oog op de toeneming van misdaad en geweld zullen sommige christenen zich misschien afvragen of het juist zou zijn een wapen te dragen om zichzelf tegen een mogelijke aanvaller te kunnen verdedigen. Van Jezus’ apostelen is bekend dat zij minstens twee zwaarden bij zich hadden (Luk. 22:38). Dat was in die tijd onder de joden niet ongewoon, aangezien zij toen nog onder de Mozaïsche Wet stonden, krachtens welke gewapende conflicten niet verboden waren. Zwaarden hadden bovendien hun nut als wapen tegen wilde dieren, terwijl ze ook gebruikt konden worden als een bijl of een groot mes.
Maar zoals de ontwikkelingen op 14 Nisan, in het jaar 33 van de gewone tijdrekening, aantoonden, wilde Jezus niet dat zijn volgelingen nog zwaarden zouden gebruiken in omstandigheden die tot gewapende tegenstand tegen de autoriteiten van het land zouden kunnen leiden. Toen Petrus bijvoorbeeld een van de zwaarden gebruikte tegen de bende die was gekomen om zijn Heer te arresteren, beval Jezus: „Steek uw zwaard weer op zijn plaats, want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard vergaan” (Matth. 26:52). Petrus’ daad was in dit geval geen kwestie van zelfverdediging, maar kwam neer op tegenstand tegen de autoriteiten en zelfs tegen de wil van God. De bende was gekomen met de bedoeling Jezus te arresteren en hem voor het gerecht te brengen.
Het is goed in gedachten te houden dat wij ons eenvoudig niet op alles kunnen voorbereiden dat eventueel zou kunnen gebeuren. Een christen doet er daarom verstandig aan zich niet overmatig bezorgd te maken om zijn stoffelijke behoeften en veiligheid. Jezus Christus maande: „Weest niet langer bezorgd voor uw ziel, met betrekking tot wat gij zult eten of wat gij zult drinken, of voor uw lichaam, met betrekking tot wat gij zult aantrekken” (Matth. 6:25). Jezus bedoelde met deze woorden niet dat iemand niet meer voor zijn levensonderhoud zou hoeven te werken, maar hij wees er eenvoudig op dat dit geen kwestie van overmatige bezorgdheid moest worden. Zo is het ook volkomen terecht wanneer men voorzorgsmaatregelen neemt ten behoeve van de eigen persoonlijke veiligheid; geheel anders wordt het echter wanneer we ons hier overmatig bezorgd over gaan maken.
Een christen zal derhalve ernstig moeten nadenken over de mogelijke gevaren die de aanschaf van een dodelijk wapen, zoals een pistool, ter zelfverdediging, met zich brengt. In niet weinig gevallen heeft het bezit van een vuurwapen, gecombineerd met paniek of een overreactie, tot nodeloze sterfgevallen geleid. In de Amerikaanse staat Arkansas ging een veertigjarige man er na vier jaar toe over zijn geweer te laden, wegens de inbraken die er in zijn omgeving plaatsvonden. Hij was vastbesloten zijn bezit te beschermen. Vroeg in de ochtend hoorde hij naar hij dacht een insluiper buiten zijn huis rondscharrelen. Hij greep zijn geweer en vuurde in de richting van de voordeur. Daarna deed hij het licht aan. Daar, in de deuropening, lag zijn dertienjarig dochtertje — dood.
Alvorens een dodelijk wapen te kopen, is het derhalve goed eerst de beide gevaren tegen elkaar af te wegen — het gevaar waartegen men zich wil beschermen en het gevaar dat men met een wapen in huis haalt. Men zal zelf moeten beslissen welk risico groter is.
Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de Schrift iemand het recht geeft zichzelf en anderen tegen lichamelijk letsel te verdedigen. Men vindt er echter geen machtiging in tot gewapende conflicten of het op klaarlichte dag doden van mensen om stoffelijke bezittingen te beschermen.