Gileads achtenvijftigste klas — bereidwillig en vol waardering
ZONDAG, 2 maart 1975, was een speciale dag in het leven van vijfentwintig getuigen van Jehovah. Zij vormden de achtenvijftigste klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead en dit was de dag waarop zij tijdens de graduatieplechtigheid in de Congreshal van Jehovah’s getuigen te Queens (New York) hun diploma zouden ontvangen. De plechtigheid bestond onder meer uit diverse toespraken tot de studenten, een voortreffelijk muzikaal programma en twee bijbelse drama’s.
Wat is de Gileadschool voor school? En waarom volgen mensen de cursus die aan deze school gegeven wordt?
Gilead is een school die Jehovah’s getuigen gebruiken voor de opleiding van hun zendelingen. Sinds de oprichting van deze school, in 1943, heeft ze reeds meer dan 5500 christelijke zendelingen afgeleverd die in verafgelegen landen het predikingswerk ter hand hebben genomen. Als gevolg hiervan kan men Jehovah’s getuigen thans in 207 landen en eilanden der wereldzeeën aantreffen. Uit korte vraaggesprekken die met enkelen van de studenten van de achtenvijftigste klas werden gehouden, sprak duidelijk een grote bereidheid om extra verantwoordelijkheden te aanvaarden, alsmede waardering voor wat zij hadden geleerd.
„Hoewel ik al heel wat jaren volle-tijdprediker was”, zo sprak een student, „wilde ik meer voor Jehovah doen, werkelijk ’met mijn hele ziel’, zoals dat volgens de apostel Paulus van christenen is vereist”. (Zie Kolossenzen 3:23.) Een ander gaf als commentaar: „Wanneer je terugkijkt op alles wat Jehovah voor je heeft gedaan, is het enige wat je moet doen, hem dienen zoveel je kunt.”
Nog een factor die deze studenten ertoe gestimuleerd heeft het zendingswerk op zich te nemen, was hun besef van de geestelijke nood waarin anderen verkeren. „Vanaf het eerste moment dat ik begrip ging krijgen van de ware God, Jehovah”, aldus een student, „vroeg ik mij af hoe mensen in afgelegen dorpen deze levengevende kennis moesten ontvangen. Ik was ervan overtuigd dat het zendingswerk me in staat zou stellen zulk soort van mensen rechtstreeks te helpen.”
Sommige studenten moesten speciale krachtsinspanningen in het werk stellen om de Gileadschool te kunnen bezoeken. Een Duits-sprekend echtpaar moest bijvoorbeeld eerst Engels leren. De vrouw vertelt: „In het begin kostte het me zeven uur om één enkel artikel in de Engelse uitgave van De Wachttoren te bestuderen. Geen enkele zin kon ik correct in het Engels uitspreken. Maar geleidelijk aan maakte ik vorderingen. Ik herinner me nog een humoristische ervaring toen ik iemand vroeg: ’Wie denkt u dat Gods grootste vijand is?’ Toen hij antwoordde: ’De olifant’, stond ik perplex. Maar toen drong het tot mij door dat ik ’dier’ (’animal’) in plaats van ’vijand’ (’enemy’) had gezegd.”
Welk een verantwoordelijkheid deze nieuwe zendelingen op zich hebben genomen, werd nog eens beklemtoond tijdens het graduatieprogramma. In zijn toespraak tot de studenten wees M. Larson, opziener van de drukkerij van het Wachttorengenootschap te Brooklyn, op het volgende: „In jullie zendingstoewijzing is het jullie verantwoordelijkheid deel te nemen aan een geestelijk bouwprogramma. Jullie moeten in de geest van de mensen een geestelijke gezindheid opbouwen. . . . Hout en pek zijn niet jullie bouwmaterialen, zoals voor Noach bij het bouwen van de ark, maar het Woord der waarheid, de bijbel.”
Voor het volbrengen van een dergelijke taak is een uitgebreide kennis van de bijbel nodig. Het onderwijsprogramma van de Gileadschool is op die behoefte ingesteld. Er is een speciaal lesprogramma gewijd aan bijbelse geschiedenis, lopend van de schepping van de mens tot het eind van de duizendjarige regering van Jezus Christus. Bij het bespreken van bijbelse leerstellingen worden onderwerpen behandeld als zonde, het „herstel”, de verschillende verbonden en de „tegenwoordigheid” van Jezus Christus. Een speciaal kenmerk van de Gileadcursus is een boek-voor-boek- en soms een hoofdstuk-voor-hoofdstukbespreking van de gehele bijbel.
De leden van de achtenvijftigste klas hadden hun studie erg serieus genomen. „Volgens mij is deze klas één groot vraagteken geweest”, waren de woorden van onderwijzer U. V. Glass. „Ik bedoel dat deze klas waarschijnlijk meer vragen per persoon heeft gesteld dan vrijwel enige voorgaande klas.” Hij merkte verder nog op dat dit goed was en er duidelijk uit bleek dat de studenten vast geworteld wensten te zijn in de bijbelse waarheid.
Maar kan er in vijf maanden een bevredigende studie van de gehele bijbel worden gemaakt? „Hoewel de behandeling snel ging”, aldus een student, blijven de hoofdgedachten je toch bij. Ik ben nu in staat belangrijke bijbelse onderwijzingen als stukjes van een legpuzzel in elkaar te passen.” Een ander verklaarde: „We hebben het voornaamste besproken. In plaats van ’alles’ te leren, hebben we een fundament ontvangen, een geweldige basis om op voort te bouwen.” Nog een ander gaf als commentaar: „Dit studieprogramma heeft me geholpen een grotere waardering voor de bijbelse waarheid en een diepere liefde voor Jehovah te krijgen.”
De studenten waardeerden het ook met de werkers op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap, bekendstaand als de „Bethelfamilie”, te hebben kunnen samenwonen en samenwerken. Een van hen vertelde over deze belevenis: „Als je met meer dan duizend anderen samenwoont en samenwerkt, ga je beseffen dat de dingen niet altijd zo kunnen gaan als je het zelf graag wilt. Je leert om niet gebelgd te raken over kleine dingen, maar wat meegaand te zijn.” Een ander merkte op: „We weten dat het Genootschap voor alle zendelingen in hun diverse toewijzingen in woongelegenheid heeft voorzien. Het Bethelleven heeft ons nu vast geholpen nauw met anderen samen te wonen.”
In een dankbrief die hardop bij de graduatie werd voorgelezen, gaf de klas uiting aan hun dankbaarheid voor „de geestelijk gezinde denkwijze van de jongere broeders die we [op Bethel] hebben ontmoet, alsook voor de getrouwe dienst van de ouderen, hetgeen een subliem stempel op ons leven heeft gedrukt”.
De studenten straalden vreugde uit toen zij een muzikaal programma verzorgden waarbij onder meer Oosterse en klassieke muziek ten gehore werd gebracht. Hierna voerden zij twee bijbelse drama’s op. Het eerste drama handelde over de jeugd van de profeet Samuël en beklemtoonde de noodzaak dat ouders hun kinderen reeds op vroege leeftijd in goddelijke beginselen onderwijzen. Het tweede drama handelde over Noach en zijn gezin in de periode dat zij bezig waren aan het gereedmaken van de ark om de wereldomvattende vloed te overleven.
Het graduatieprogramma verschafte ook een vreugdevolle terugblik op de voorgaande maanden van hard werk en studie. Maar geenszins werd het afstuderen van de Gileadschool door de studenten als een einddoel beschouwd. M. G. Henschel, een bestuurder van het Wachttorengenootschap en een lid van het besturend lichaam van Jehovah’s getuigen, legde hier in zijn toespraak tot de studenten de nadruk op:
„Jullie graduatiedag is het eind van iets en het begin van iets. De Latijnse stam van het woord ’graduatie’ betekent ’stap voor stap’. Jullie hebben een stap voorwaarts gedaan in Gods dienst door naar Gilead te komen. En nu gaan jullie weer een stap voorwaarts doen in de zendingsdienst.”
De vijfentwintig studenten van de achtenvijftigste klas kwamen uit vier verschillende landen en werden aan dertien verschillende landen toegewezen. Verwijzend naar hun bereidheid om als zendelingen te dienen, besloot Henschel zijn toespraak met de woorden: „Wij . . . koesteren wat jullie betreft dezelfde gevoelens als de apostel Paulus ten aanzien van de christenen in Filippi, toen hij schreef: ’Want ik heb het vaste vertrouwen dat hij die een goed werk in u is begonnen, het tot voltooiing zal brengen tot op de dag van Jezus Christus.’” — Fil. 1:6.
[Illustratie op blz. 25]
Afgestudeerden van de achtenvijftigste klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead
58th Class March 1975
In onderstaande lijst zijn de rijen genummerd van voren naar achteren, en de namen in elke rij verwijzen naar de studenten in volgorde van links naar rechts.
(1) Rühle, E.; Rühle, D.; Woodcox, L.; Novak, T.; Chu, T.; Bisang, M.; Alford, J.; Rossmann, A. (2) Acher, H.; Tucker, B.; Hulinsky, G.; Spratling, B.; Rossmann, G.; Jeub, H.; Bisang, R.; Novak, P. (3) Spratling, J.; Tucker, W.; Hulinsky, D.; Woodcox, G.; Fierro, R.; Merrill, A.; Slutz, D.; Khawaja, E.; Walker, J.