Kan evolutie het hoofd bieden aan de werkelijke uitdagingen van deze tijd?
NOOIT is de mens met grotere uitdagingen geconfronteerd dan in deze tijd. Zo zei de voormalige Britse schrijver Malcolm Muggeridge: „De gehele westerse beschaving loopt op een eind . . . De gehele westerse beschaving loopt op haar laatste benen. Ik voorzie een ineenstorting. Ze is nu gaande.”
Uitdagende problemen als misdaad, ziekte en armoede staren niet alleen de „westerse beschaving” maar de gehele mensheid brutaal in het gezicht. Zal een geloof in de evolutie mensen helpen aan deze problemen het hoofd te bieden? Zult u er in uw persoonlijke leven een hulp aan hebben?
Men zou het mogen verwachten. We zeggen dit omdat evolutie bij nagenoeg elk menselijk streven een niet weg te denken rol speelt. Ze heeft dus een buitengewoon verstrekkende invloed. In The Wonders of Life on Earth stond hierover:
„Darwins invloedrijkste werk was zijn theorie over de evolutie. Ze bracht een revolutie teweeg in de wetenschap van de botanie, de biologie en de geneeskunde. Ze droeg nieuwe ideeën aan voor de studie in de theologie en de astronomie, de geschiedenis en de psychologie . . . [Deze gedachten] waaraan Darwin vorm heeft gegeven, hebben op elke tak van wetenschap hun invloed laten gelden.”
Maar heeft de evolutieleer de mens de weg gewezen uit het moeras van problemen waarin hij verkeert? Of hebben de evolutionistisch getinte wetenschappen aan het beleid van de mens een verkeerde richting gegeven? Beschouw het volgende voorbeeld:
Waarop heeft zich de afgelopen jaren heel wat wetenschappelijke aandacht geconcentreerd? Op het ruimtevaartprogramma. En waarom? Er worden vaak vele redenen opgesomd, maar het tijdschrift Science stelde zeer openhartig vast:
„Het zoeken naar koolstofhoudend materiaal op het maanoppervlak is niet slechts een deelproject van het onderzoek inzake de oorsprong en de geschiedenis van de maan, maar een belangrijke stap ter vergroting van ons begrip van de vroegste stadia der chemische evolutie, die uiteindelijk leidde tot de oorsprong van het leven.”
Ja, een van de hoofdredenen voor het uitgeven van miljarden dollars was — het is indirect toegegeven — de waarheid te bewijzen van de evolutietheorie. Buiten de aarde is evenwel nog geen enkel bewijs van evoluerend leven gevonden.
Hoeveel beter had al dit geld niet besteed kunnen worden! Laten we H. Gaffron van de staatsuniversiteit van Florida aan het woord laten:
„Andere keuzen ter besteding van al deze miljarden? Men denke aan het elimineren van de voornaamste armoedsresten in dit land . . . Er had krachtig gewerkt kunnen worden aan de verwezenlijking van een bevolkingsstabilisatie-programma, met als bijkomstigheid dat we, tot zegen van de gehele mensheid, al veel verder gevorderd waren geweest op de weg naar afsluiting van dit tijdperk van onmeedogenloze machtspolitiek en onvoorstelbaar stomme oorlogen.”
Zouden bovendien de problemen op het gebied van de gezondheid niet reeds in omvang zijn afgenomen als men zich op het oplossen daarvan had geconcentreerd in plaats van op het voeren van „onvoorstelbaar stomme oorlogen”? Een voormalige directeur van het Amerikaanse Gezondheids-Controlecentrum verklaarde dat „bij een redelijke stabiliteit van de internationale betrekkingen de uitbanning van pokken op deze gehele planeet een kwestie van twee à drie jaar zou zijn”. Mag zo’n uitspraak overdreven zijn, ze beklemtoont wel dat er een verstandiger gebruik had kunnen worden gemaakt van de menselijke hulpbronnen die men nu heeft aangewend om in de ruimte te grasduinen naar bewijzen voor de evolutie.
Nog een grote uitdaging waarmee de wereld momenteel wordt geconfronteerd is niet zozeer van wetenschappelijke als wel van morele aard. De Britse historicus Arnold Toynbee merkte hierover op: „Het is tragisch te moeten bedenken dat we op technologisch terrein zo succesvol zijn geweest, maar ondertussen een bijna onmetelijk verslag van moreel feilen hebben opgebouwd.” Evolutie heeft wis en zeker tot dit probleem bijgedragen.
Beschouwt u voor een voorbeeld maar het terrein van de kinderopvoeding. Veel deskundigen op dit gebied hebben streng onderricht voor kinderen ten stelligste afgeraden. Hun theorie heeft een evolutionaire grondslag, zoals onder meer blijkt uit een commentaar in het boek Pre-School Education Today, waarin de juistheid van deze, thans algemeen aanvaarde zienswijze in twijfel wordt getrokken:
„Dus steeds wanneer Jantje iets ’ondeugends’ doet, [wordt] het gedrag uitgelegd door op te merken dat het slechts een stadium is dat hij doorloopt. Op grond van het fabeltje [van een zekere evolutionist] over de staart van het kikkervisje — waarin de achterpoten zich niet kunnen ontwikkelen als de staart wordt geamputeerd — moet Jantje bovendien niet in zijn ongewenste gedrag worden belemmerd, omdat dan de een of andere toekomstige wenselijke eigenschap verstikt zou kunnen worden.”
Maar wat is het resultaat geweest van deze passieve aanvaarding van ’Jantjes ongewenste gedrag’ als slechts een „stadium” dat hij doorloopt? In 1971 lag in de Verenigde Staten het aantal jeugdige arrestanten 50 percent hoger dan in 1966. In de Australische staat Victoria is sinds 1960 het aantal geweldmisdrijven door jongeren met 187 percent toegenomen; in dezelfde periode steeg het jeugdige deel van de bevolking numeriek slechts met 29,6 percent. De evolutionair getinte kinderopvoedtheorieën hebben geen goede morele vruchten voortgebracht.
Natuurlijk heeft de evolutie op nog andere manieren tot deze morele achteruitgang bijgedragen: Ze heeft geloof in God en de bijbel ontmoedigd, met als gevolg dat vele mensen de bijbelse wet, die onder meer overspel en diefstal verbiedt, volkomen zijn gaan negeren. Maar was dat niet te verwachten? De mens is toch volgens de evolutietheorie als het erop aankomt niet meer dan een dier? Waarom zou hij zich dan niet dienovereenkomstig gedragen?
Dat zou een logische gevolgtrekking zijn. Maar hier maken de evolutionisten bezwaar. Zij zeggen: ’Neen! De mens is meer dan een dier.’ „De mens”, aldus G. G. Simpson, een prominent evolutionist, „heeft eigenschappen die essentieel anders zijn dan die der dieren . . . De essentie van zijn unieke aard ligt precies besloten in die kenmerken die hij met geen enkel ander dier deelt . . . De mens is een zedelijk wezen.”
Voor welk een netelig vraagstuk stelt ’s mensen zedelijke aard de evolutionist! Hij wil per se vasthouden aan het idee dat de mens uit de dieren is geëvolueerd. Maar hij wil ook per se volhouden dat de mens zedelijke kwaliteiten bezit die de dieren niet hebben! Waar kreeg de mens deze ’essentieel andere eigenschappen’ vandaan? Ze moeten ergens vandaan zijn gekomen, of zoals één bekende evolutionist toegaf: „De mens kan geen zedelijke Melchizédek zijn ’zonder geslachtsregister’.”
Bij een verscheidene jaren geleden gedane poging dit probleem te ondervangen, gaf Sir John Arthur Thomson, een evolutionist, toe: „Veel te vaak nog valt de evolutionist, zodra de mens in het beeld verschijnt, terug op het creationisme, door te trachten menselijke vermogens uit niets te laten ontstaan.” Evolutionisten zullen ’zich in allerlei bochten wringen’ om maar te vermijden God naar voren te schuiven als de uitleg voor ’s mensen zedelijke aard. De schrijver van African Genesis illustreert dit in zijn geval door het te hebben over de „bewaarder der soorten” („the keeper of the kinds”):
„Wie is hij? Wij weten het niet. Noch zullen we het ooit te weten komen. Hij is een wezen, en daarmee is alles gezegd . . . Zijn aanwezigheid doet zich gelden in alle dingen die ooit waren, en in alle dingen die ooit zullen zijn. En evenals zijn gebod onweerlegbaar is, is zijn identiteit onbekend. Maar vanouds gaat zijn bezorgdheid uit naar orde.”
De „bewaarder der soorten” en soortgelijke vage uitdrukkingen, zijn het niet eenvoudig allemaal vervangingen geworden voor de term „God”? In zijn weigering de hand van de Almachtige te herkennen in het lichamelijke en geestelijke ontwerp van de mens, heeft de evolutionist zijn eigen theorie vergoddelijkt. Op alle fronten stelt deze evolutionaire god echter, zoals wij hebben gezien, teleur.
Evolutie heeft zich niet met succes staande kunnen houden tegenover de werkelijke uitdagingen van onze tijd — hetzij op sociaal, technisch of moreel gebied. In sommige gevallen heeft ze zelfs extra problemen geschapen of reeds bestaande vergroot. Maar de bijbel dan? Zal dit boek voor u een succesvolle hulp blijken te zijn om aan de uitdagingen van onze tijd het hoofd te bieden?