Zal Turkije vasthouden aan vrijheid van aanbidding?
OP VIERENTWINTIG januari 1973 besliste de militaire Turkse rechtbank in Eskisehir dat het een misdaad is om een van Jehovah’s christelijke getuigen te zijn. Vier Getuigen werden elk veroordeeld tot een zware boete van TL 5.000,00 (ƒ 1150,00). Waarom?
Volgens de rechtbank hadden de vier Getuigen artikel 143 van het Wetboek van strafrecht overtreden. Dit artikel verbiedt Turkse onderdanen zonder regeringstoestemming lid te worden van enige buitenlandse internationale maatschappij of van enig internationaal buitenlands genootschap. Aldus gaf deze rechtbank, door bovengenoemd artikel op Jehovah’s getuigen van toepassing te brengen, te kennen dat het hen niet als een religieuze organisatie beschouwt. Als reden voor het opleggen van de zwaarste straf die bij de wet is toegestaan, verklaarde de rechtbank dat de getuigen van Jehovah een gevaarlijk genootschap vormen omdat zij de vlag en andere nationale emblemen niet groeten en op grond van gewetensbezwaren vrijstelling van militaire dienst eisen. Volgens de rechtbank verzwakten de getuigen van Jehovah daardoor het nationale gevoel in Turkije.
Tegen de beslissing van de rechtbank is hoger beroep aangetekend. Dit doet de vraag rijzen: Bestaat er voor een hoger gerechtshof reden het vonnis te vernietigen en zodoende vrijheid van aanbidding hoog te houden?
Ja, artikel 19 van de Grondwet voor de Turkse republiek garandeert vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Deze rechten zijn echter nooit volledig aan Jehovah’s getuigen verleend, hoewel er wel verscheidene verzoeken daartoe zijn gedaan. Het is hun niet toegestaan vrij voor bijbelstudie bijeen te komen, terwijl zij onder de voortdurende dreiging van een eventueel eigenmachtig ondernomen politionele actie leven. Beschouw zelf wat zij hebben meegemaakt.
Op 29 oktober 1968 berichtte de krant „Cumhuriyet” dat op 18 oktober in Ankara vijftien Getuigen, die in vreedzame vergadering bijeen waren om de bijbel te bestuderen, waren gearresteerd en beschuldigd van ondermijnende activiteiten en pogingen om de regering omver te werpen. De zaak is nog steeds in hoger beroep.
Op 20 mei 1971 werden in Istanboel achttien Getuigen gearresteerd terwijl zij de bijbel aan het bestuderen waren, waarna zij twee dagen gevangen werden gehouden. Tot dusver is er nog geen aanklacht tegen hen ingediend.
De krant „Milliyet” van 4 mei 1972 gaf verslag van een verhoor van tien getuigen van Jehovah voor de militaire rechtbank in Ankara. Deze Getuigen waren op 9 juni 1971 gearresteerd toen zij in een particulier huis voor een bijbelbespreking bijeen waren. Daarna werden zij zeven dagen in een militaire gevangenis vastgehouden. De zaak is nog steeds in behandeling voor de militaire rechtbank, met als aanklacht: overtreding van artikel 143.
Volgens de krant „Tercüman” van 24 februari 1972 werden op 23 februari 1972 in Ankara vijftien Getuigen gearresteerd. Zes van hen, drie mannen en drie vrouwen, onder wie een moeder met thuis een baby van zes maanden, werden negen weken gevangen gehouden omdat zij naar zeggen aan gezag-ondermijnende activiteiten hadden deelgenomen. Er is nog geen beslissing afgekomen.
In alle bovengenoemde gevallen werden bijbels en bijbelse publikaties in beslag genomen.
Is een dergelijke behandeling van Jehovah’s christelijke getuigen gerechtvaardigd? De feiten spreken voor zich. Jehovah’s getuigen zijn ordelievende burgers. Zij leven volgens het bijbelse gebod: „Iedere ziel zij onderworpen aan de superieure autoriteiten, want er is geen autoriteit dan door God” (Rom. 13:1). Slechts wanneer Jehovah’s getuigen worden geconfronteerd met een regeringswet die in strijd is met Gods wet weigeren zij zich te buigen voor de wil van de wereldlijke regeringsautoriteit (Hand. 5:29). Maar noch in Turkije, noch elders trachten zij de mensen op enigerlei wijze te verhinderen dienst te nemen in het leger of aan te zetten tot oneerbiedigheid ten aanzien van de vlag.
Hoewel zij zich niet in politieke kwesties mengen, zetten de getuigen van Jehovah geen samenzwering op touw tegen de regeringen van de wereld. Zij richten zich naar de geïnspireerde raad: „Laat u met hen die voor een verandering zijn, niet in” (Spr. 24:21). Geen enkele regering heeft daarom enige reden Jehovah’s christelijke getuigen te vrezen. In een tijdperk van toenemende gewelddaad, worden wet en orde door hun gehoorzaamheid aan Gods Woord juist bevorderd.
Aldus staan in Turkije de rechtbanken en de regering voor een principiële beslissing die duidelijk zal maken wat hun houding is ten aanzien van vrijheid van aanbidding. Zullen ze Jehovah’s getuigen erkennen als een religieuze organisatie in plaats van „een genootschap waar men lid van kan worden”? Zal Turkije zich houden aan de in zijn Grondwet uiteengezette rechten en deze eren? Het is beslist te hopen dat dit land een positief standpunt zal innemen ten aanzien van vrijheid van aanbidding, in overeenstemming met zijn wens tot de vrije naties van de wereld gerekend te worden.