Het „goede nieuws” wordt gepredikt in gevangenissen
JEZUS CHRISTUS zei tegen zijn volgelingen: „De mensen [zullen] de handen aan u slaan en u vervolgen en u overleveren aan de . . . gevangenissen” (Luk. 21:12). Dit is iets wat ook Jehovah’s christelijke getuigen in deze tijd overkomt, vooral in die landen waar hun predikingswerk door de regeringen verboden is. Dit ontmoedigt hen evenwel niet. Als deze Getuigen in de gevangenis zitten, grijpen zij deze gelegenheid aan om met medegevangenen over de bijbel te spreken. Als gevolg daarvan zijn sommigen van deze gevangenen toegewijde dienstknechten van Jehovah God geworden.
Zo was er in Oost-Duitsland een jongeman die de bijbelse waarheid in de gevangenis leerde kennen. Deze man was ontevreden over de levensomstandigheden in Oost-Duitsland. In een brief aan zijn broer liet hij doorschemeren dat hij als vluchteling het land wilde verlaten. Hij deed echter niets wat ook maar in die richting duidde; maar zijn brief werd door de autoriteiten onderschept. Hij werd daarop verhoord en tot vijftien maanden gevangenisstraf in een gevangenkamp veroordeeld. De gevangenisfunctionarissen trachtten verandering te brengen in zijn misnoegde houding, maar tevergeefs. De jongeman ging dwars tegen alles in en weigerde hun orders te gehoorzamen. Daarom wezen zij bij een zekere gelegenheid op het voorbeeldige gedrag van de getuigen van Jehovah in het kamp.
Later kreeg deze man een toewijzing om ongeveer een jaar lang met een Getuige samen te werken. Wat hij van de Getuige leerde, had een gunstige uitwerking op zijn houding. Toen de functionarissen er evenwel achter kwamen wat de reden was van de verandering die hij had ondergaan, plaatsten zij de Getuige over naar een andere werktoewijzing. Maar het was al te laat. De jonge gevangene had besloten een van Jehovah’s getuigen te worden. Na zijn vrijlating was hij weer in staat contact op te nemen met Jehovah’s getuigen en hij maakt nu voortreffelijke vorderingen.
Dat er uit het prediken in gevangenissen goede resultaten voortvloeien, blijkt ook heel duidelijk uit de volgende ervaring van een Getuige in Malawi.
Op de eerste dag van zijn gevangenschap werd hij door een gevangen genomen ex-lid van het parlement benaderd met het verzoek een bijbelse toespraak te houden. En zo kreeg de Getuige de gelegenheid om in de loop van de tijd zes bijbellezingen uit te spreken voor een gehoor van gemiddeld zesentwintig personen — meer dan de helft van het aantal gevangenen.
Later werd de Getuige naar een andere gevangenis overgebracht. Daar moest hij met 98 andere gevangenen een open „strafplaats” delen (van ongeveer 25 bij 18 meter). In het midden van deze plaats, onder een reusachtig grote boom, vergaderden twee maal per week gevangenen van verschillende kerkelijke richtingen voor het houden van een gebedsbijeenkomst van hun „verenigde kerk”. Toen een van de gevangenen vernam dat de nieuwaangekomene een Getuige was, vroeg hij hem waarom hij niet meedeed aan de diensten. De Getuige legde uit wat zijn standpunt was ten aanzien van intergeloof en kon met de jongeman een studie uit de bijbel beginnen; deze werd de volgende zes weken elke dag gehouden.
De man vertelde de Getuige dat hij op basis van wat hij had geleerd, tot het besluit was gekomen, niet langer een lid van de Anglicaanse Kerk te willen blijven. Toen hij geestelijk sterk genoeg was om zijn geloof te verdedigen, begon hij met andere gevangenen te spreken.
De Getuige, die zijn prediking ondertussen had voortgezet, was in staat een studie te beginnen met een man die tweemaal bij de studie met de eerste jongeman aanwezig was geweest. Deze man ging spoedig net als de Getuige met de andere gevangenen over de bijbel spreken. Een maand later kon er met nog een gevangene een studie worden begonnen. De maand daarop kwam de leider van de „verenigde kerk” naar de Getuige toe en stelde hem vele vragen, en ook hij ging met de Getuige de bijbel bestuderen. Twee maanden later werd de Getuige onverwacht in vrijheid gesteld en kon zich weer bij zijn gezin voegen. Hoewel hij onrechtmatig had geleden, was hij verheugd dat hij de gelegenheid had gehad vier personen te kunnen onderwijzen in de grondleer van de ware aanbidding.
Dus ook in landen waar verbodsbepalingen bestaan, horen mensen zelfs in de gevangenissen het „goede nieuws”. Het is precies zoals de apostel Paulus verklaarde: „Het woord van God [is] niet gebonden.” — 2 Tim. 2:9.