Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g71 8/11 blz. 24
  • Suriname — Het land van de kottomissies

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Suriname — Het land van de kottomissies
  • Ontwaakt! 1971
  • Vergelijkbare artikelen
  • Oost en West ontmoeten elkaar in Suriname
    Ontwaakt! 1979
  • Gewaad
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Kleed je je op een manier die God eert?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2016
  • Vrouwelijke bescheidenheid
    Ontwaakt! 1984
Meer weergeven
Ontwaakt! 1971
g71 8/11 blz. 24

Suriname — Het land van de kottomissies

Door Ontwaakt!-correspondent in Suriname

TOT de gevarieerde bevolking van Suriname behoren Creolen, Hindoes, Indonesiërs, Bosnegers, Zuidamerikaanse Indianen, Chinezen, Nederlanders en anderen. In de hoofdstad Paramaribo ziet men dames in moderne kleding, maar ook Hindoevrouwen in sari’s, Indonesische vrouwen in sarongs, Bosnegers in schitterend gekleurde toga’s en anderen die de „kotto-jakki” dragen. Over deze kleding zou ik u graag iets willen vertellen.

Vindt u het een vreemde naam? De oorsprong ervan is Surinaams; „kotto” betekent jas of mantel (Engels: coat), en „jakki” betekent jasje (Engels: jacket). „Missie” betekent uiteraard „miss” of „mistress”, dus: juffrouw of mevrouw. Dat is dus de reden waarom de dame die deze typische kleding draagt, een „kottomissie” wordt genoemd.

De geschiedenis van deze kleding gaat terug tot de slaventijd, meer dan honderd jaar geleden. De meeste slaven die van Afrika werden overgebracht, liepen praktisch naakt rond, en velen van de jonge meisjes waren erg mooi. Het gebeurde herhaaldelijk dat slavenhouders wegens de lichamelijke bekoorlijkheden van deze meisjes verliefd op hen werden en ongepaste toenaderingspogingen tot hen deden. Men besloot dit dus tegen te gaan.

Het verhaal gaat dat de vrouwen van de slavenhouders bij elkaar kwamen om de aangelegenheid te bespreken. Zij besloten een kledingstuk te ontwerpen dat het hele lichaam van de meisjes zou bedekken en waardoor zij er vormeloos uit zouden zien. Zo zou men dan de „kotto-jakki” hebben uitgedacht!

De vrouwen begonnen met het ontwerpen van een groot onderkledingstuk. Deze „onderjurk” bonden zij vast met een „kooi” — dat is een stuk stof gevuld met stro — welke boven de heupen werd gedragen. Vervolgens werd de onderjurk opgetrokken zodat ze in een pof over de „kooi” hing en daardoor de heupen aan het oog onttrok. Een kleurige „kotto” werd als bovenkleding over de onderjurk gedragen. Om het geheel af te ronden, werd een dubbele „jakki” ontworpen. Deze was net lang genoeg om tot de „kooi” te reiken en had driekwart mouwen. De stof werd flink gesteven. In deze uitrusting zag een tenger meisje eruit als iemand van tweehonderd pond!

Er werd een bijpassende „anjisa”, ofte wel hoofdbedekking, ontworpen. Mettertijd begonnen de vrouwen deze kleurrijke hoofddoeken op allerlei manieren te dragen om daardoor de stemming waarin zij verkeerden, hetzij liefde, of jaloezie, kwaadheid, enzovoort, kenbaar te maken.

Behalve om de stemming van de draagster weer te geven, had de „anjisa”-stijl ook nog andere betekenissen. De meisjes gebruikten ze om afspraakjes met hun vriendjes te maken en gaven ermee te kennen of zij nog steeds van hen hielden.

Ook haar positie of betrekking werd door de „anjisa” die zij droeg duidelijk gemaakt. Er was bijvoorbeeld een bepaalde soort „anjisa” waardoor hoeren werden gekenmerkt. Een slavin die voor de kinderen van de slavenhouder zorgde, droeg een speciale „kotto-jakki” en een „anjisa” met een brede ronde rand. Erbovenop droeg zij een hoed. Zo kon iedereen aan haar kleding zien dat zij een speciale slavin was.

Een „mek sani édé”, of „maak dingen”-hoofdbedekking is heel interessant. Men maakt die door drie „anjisas” tegelijk te gebruiken, en wel zo dat alle twaalf hoeken uitsteken. En in overeenstemming hiermee werden drie „kotto-jakkies” over elkaar gedragen, de ene wat korter dan de andere zodat men ze alle drie kon zien. In elke hand werd een losgeknoopte „anjisa” gehouden. Deze kleding was voor speciale gelegenheden zoals wanneer een invloedrijk persoon vanuit het buitenland Suriname bezocht.

De „kottomissies” verwelkomden zo iemand door buigingen te maken en enkele begroetingswoorden te zeggen. Vervolgens trokken zij zich, de persoon nog steeds aankijkend, op hun schreden terug en zwaaiden met de „anjisas” die zij in hun handen hadden. Ook spreidden zij wel losgeknoopte „anjisas” op de grond uit opdat de invloedrijke persoon erover kon lopen. Dit betekende: „Ik eer u zozeer dat ik u zelfs over mijn hoofdtooi doe lopen.”

Meer van de laatste tijd dateert een bepaalde manier om de „anjisa” te knopen welke „oto baka” wordt genoemd, wat „autobumper” betekent. Men vouwt dan de einden van de „anjisa” achter het hoofd in de vorm van een bumper samen.

Thans zijn het slechts de oudere vrouwen die men af en toe de „kotto-jakki” ziet dragen, evenwel zonder de strovulling. De op een eenvoudige manier omgeslagen „anjisa” wordt vaker gedragen. Tijdens bepaalde gelegenheden echter, zoals op Emancipatiedag, waarop de afschaffing van de slavernij in 1863 wordt gevierd, trekken vele vrouwen, jonge en oude, in deze interessante dracht uit vroeger dagen door de straten.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen