De wonderen van de winter
ER ZOU veel gezegd kunnen worden over de ongemakken van de winter in de noordelijke hemelstreken, over de kou en het ijs. Over de vorst en de sneeuw waardoor zowel de mens als andere schepselen met ontbering en honger worden bedreigd. De winter doet iemand vaak denken aan gierende wielen die in een glibberig wagenspoor vast zijn komen te zitten, aan gesprongen leidingen, aan de gehaaste pas door het slijk en de natte sneeuw en aan verkleumde vingers, oren en voeten. Met dit in gedachten zou iemand kunnen zeggen: „Wat voor moois is er aan de wintertijd?”
Maar de winter heeft nog wel iets goeds, niet waar? Vraag bijna elk kind dat in de sneeuw rolt maar eens hoe het de winter vindt. Vraag het de kinderen eens die een sneeuwpop maken, of de jongelui die op bevroren vijvers schaatsen, of de volwassenen die van poeierige hellingen naar beneden skiën, of grootvader die naast een gloeiend hete haard een boek zit te lezen. Zij zullen u wellicht vertellen dat de winter, ondanks de ongemakken, een tijd van „pret”, ja, „een heerlijke tijd van het jaar” is.
De wonderen van de winter houden echter niet op met spel en ontspanning. De eens luidruchtige eekhoorntjes en marmotten liggen rustig opgerold in hun behaaglijke holletjes te slapen totdat het warmer weer wordt. De ganzen, eenden en tuinfluiters hebben al lang de kale struiken en bomen verlaten en zijn naar het zuiden getrokken op zoek naar zon en warmte. De insekten zijn tot stilte gebracht door de kou.
Maar boven en onder de deken van sneeuw is leven. Wanneer men in de bossen of in de achtertuin stilstaat, kan men de meesjes horen tjilpen terwijl ze naar zaadjes en insekten speuren. De spechten haasten zich van boom tot boom op zoek naar eitjes en larven die in de spleten van de schors of verzegeld in hun zijden cocons liggen te sluimeren. Brutale kraaien verzamelen zich boven de boomtoppen. De voetsporen in de sneeuw onthullen dat wezels, konijnen, vossen en herten op zoek zijn naar voedsel. Het ijs van de bevroren vijvers kan men horen kraken en knarsen. Hier is ook het geglinster van een speciale wereld van fonkelende waterkristallen die druk uitoefenen, aangroeien, uiteenvallen, ineenzakken en uitvloeien met een verbazingwekkende precisie en sobere schoonheid.
Onder de sneeuwdeken, de gevallen bladeren en de harde grond, alsook onder de boomschors, onder stoepen, in schuren en verlaten gebouwen is leven in de vorm van zaden, eieren, cocons, knoppen, slapende dieren en sluimerende wortels, die alle de belofte van leven in de lente inhouden.
In het winterbos is trouwens een andere wereld in leven en aan het werk. Tot een diepte van 7 à 8 centimeter kan men in elke vierkante meter van de bodem in totaal ongeveer 1.000.000.000.000 organismen aantreffen — ongeveer driehonderd maal de menselijke bevolking van de gehele aarde! Van dit totale aantal diertjes is slechts 0,000004 percent groot genoeg om met het blote oog waargenomen te kunnen worden! Deze miljarden organismen zijn er druk mee bezig gevallen bladeren en ander afval om te vormen tot gassen en voedingsstoffen die nog eens door groene planten gebruikt kunnen worden om voedsel en zuurstof te fabriceren. Als de lente komt, zal er voedsel zijn voor de bomen en het andere planteleven. Wat een magnifiek wonder van God!
Nog een wonder is het symbool van de winter zelf — de sneeuwvlok. Deze uiterst tere kristallen behouden hun zeshoekige vorm wanneer ze van honderden meters hoog door de grijze lucht vallen. Sneeuwvlokken zijn kantachtige groeisels van waterdamp die rond uiterst kleine stofdeeltjes in de lucht worden gevormd. Hoewel wij dit stof normaal niet opmerken, kunnen wij het in de lichtbundel van een zonnestraal zien. Wanneer bij de juiste temperatuur een molecule waterdamp zich aan een stofkern hecht, wordt een sneeuwvlok geboren. Ze neemt onder het neervallen opmerkelijke vormen aan. Sommige vormen zijn verrukkelijk eenvoudig en andere zijn fantastisch gecompliceerd, maar er zijn er geen twee precies gelijk. Sommige sneeuwkristallen vormen de schitterendste patronen in de wereld. De uitgelezen kantachtige patronen zijn dikwijls nagebootst voor het vervaardigen van juwelen en weefseldessins. „Het is een waar wonder dat de dans van de moleculen deze geometrische ontwerpen produceert”, aldus liet één autoriteit zich over de sneeuwvlok uit.
Sneeuwvlokken vallen gewoonlijk afzonderlijk, maar als de temperatuur net even boven het vriespunt is, kunnen ze zich onder het vallen ook aaneenhechten zodat er soms een vlok wordt gevormd van wel 10 centimeter doorsnee. Als er genoeg sneeuw valt, wordt er een ongewone hoeveelheid lucht in de sneeuwkristallen gevangen. Naar men weet hebben mensen het twee dagen begraven onder sneeuw uitgehouden zonder te stikken. Omdat sneeuw lucht kan vasthouden, doet ze uitstekend dienst als isolator doordat ze de warmte in de diepere grond vasthoudt en voorkomt dat zaden bevriezen en de winteroogst wordt verwoest.
Nog een wonder van de winter is ijs. Louter het bevriezen van water is een wonder waarvan de betekenis iemand versteld doet staan. Volgens alle regels van natuurkundig gedrag zou ijs eigenlijk niet moeten drijven. Bijna elke substantie, of het nu een vaste stof, vloeistof of gas betreft, krimpt in volume naarmate de temperatuur daalt. Water volgt deze regel net als een gas en voor 96 percent net als een vloeistof wanneer de temperatuur het vriespunt nadert. Maar bij 4 graden Celsius gebeurt er iets. Naarmate het afkoelen voortduurt, krimpt het water niet maar zet het uit. De ijsmoleculen schijnen luchtmoleculen in hun bevroren structuur te vangen en bij het nulpunt tot een vaste stof te bevriezen zodat ze ijsblokken vormen die drijven en waarvan ongeveer negen tiende zich onder het omringende water bevindt.
Zonder dit fenomeen — dit wonder van drijvend ijs — zouden de zeeën, meren en rivieren langzamerhand dichtvriezen zodat de aarde verstoken zou zijn van de watervoorraad die ze zo hard nodig heeft. Nu is het echter zo dat wanneer de winter komt er zich ijs vormt, dat op de oppervlakte van uitgestrekte wateren blijft drijven en een isolerende bedekking vormt die voorkomt dat het water daaronder verder bevriest en aldus al wat daar leeft beschermt.
Aan wie zijn wij dank verschuldigd voor deze wonderen van de winter? De bijbelpsalmist schreef: „Gij [Jehovah God] waart het die alle grenzen der aarde hebt vastgesteld; zomer en winter — gijzelf hebt ze geformeerd” (Ps. 74:17). Dank God dus voor deze fantastische wonderen van de winter.