SPREUKEN
1 De spreuken van Salomo,+ de zoon van David,+ de koning van Israël.+
5 Wie wijs is, luistert en neemt meer onderwijs in zich op.+
Wie verstandig is, zoekt deskundige leiding*+
6 om een spreuk en een moeilijk spreekwoord* te begrijpen,
de woorden van de wijzen en hun raadsels.+
7 Ontzag voor Jehovah is het begin van kennis.+
Alleen dwazen minachten wijsheid en correctie.+
10 Mijn zoon, als zondaars je proberen over te halen, ga daar dan niet op in.+
11 Als ze zeggen: ‘Ga met ons mee.
Laten we op de loer gaan liggen om bloed te vergieten.
We verbergen ons en wachten onschuldige mensen op, zomaar.
13 Laten we al hun kostbaarheden meenemen.
We vullen onze huizen met buit.
15 Mijn zoon, ga niet met ze mee.
Ze haasten zich om bloed te vergieten.+
17 Een net spannen als de vogel het kan zien, heeft natuurlijk geen zin.
18 Daarom liggen ze op de loer om bloed te vergieten.
Ze verbergen zich om anderen van het leven* te beroven.
19 Zo doen mensen die uit zijn op oneerlijke winst.
De bezitters ervan zullen het leven* verliezen.+
20 De ware wijsheid+ roept luid op straat.+
Ze blijft haar stem verheffen op de pleinen.+
21 Op de hoek* van de drukke straten roept ze.
Bij de ingangen van de stadspoorten zegt ze:+
22 ‘Onervarenen, hoelang blijven jullie onervarenheid liefhebben?
Spotters, hoelang blijven jullie genieten van spot?
En dwazen, hoelang blijven jullie kennis haten?+
23 Luister naar mijn terechtwijzing.*+
Dan stort ik mijn geest voor jullie uit.
Ik maak mijn woorden aan jullie bekend.+
24 Omdat ik riep maar jullie me bleven afwijzen,
ik mijn hand uitstak maar niemand er aandacht voor had,+
25 jullie al mijn advies in de wind bleven slaan
en mijn terechtwijzing bleven negeren,
26 daarom zal ik lachen als ellende jullie treft.
Ik zal spotten als wat jullie vrezen komt,+
27 als wat jullie vrezen komt als een storm,
en ongeluk jullie treft als een stormwind,
als ellende en moeilijkheden over jullie komen.
28 In die tijd zullen ze me blijven roepen, maar ik zal niet antwoorden.
Ze zullen me blijven zoeken, maar ze zullen me niet vinden,+
29 omdat ze kennis hebben gehaat+
en hebben geweigerd ontzag voor Jehovah te tonen.+
30 Ze hebben mijn advies afgewezen.
Ze hebben al mijn terechtwijzingen veracht.
32 Want de koppigheid van de onervarenen zal hun dood worden
en de gemakzucht van de dwazen hun ondergang.
33 Maar wie naar mij luistert, zal zich veilig voelen*+
en niet gekweld worden door angst voor tegenspoed.’+
2 Mijn zoon, als je mijn woorden aanneemt
en mijn geboden als een schat bewaart+
2 door naar wijsheid je oor te spitsen+
en naar inzicht je hart te neigen,+
3 als je bovendien roept om verstand+
en je stem verheft om inzicht,+
4 als je ernaar blijft zoeken als naar zilver+
en ernaar blijft speuren als naar verborgen schatten,+
5 dan ga je begrijpen wat ontzag voor Jehovah is+
en dan zul je de kennis van God vinden.+
7 Hij heeft een schat aan praktische wijsheid voor de oprechten.
Hij is een schild voor wie oprecht* hun weg gaan.+
10 Als wijsheid in je hart komt+
en kennis aangenaam wordt voor je ziel,*+
11 zal denkvermogen over je waken+
en inzicht je beschermen
12 om je te redden van het slechte pad,
van de man die verkeerde dingen spreekt,+
13 van hen die de oprechte paden verlaten
om de wegen van de duisternis te bewandelen,+
14 van hen die genieten van kwaaddoen,
die een pervers genoegen hebben in slechtheid,
15 die op kromme paden lopen
en van wie alle wegen sluw zijn.
16 Het zal je redden van de verdorven* vrouw,
van de gladde* woorden van de immorele* vrouw,+
17 die de goede vriend* van haar jeugd verlaat+
en het verbond* van haar God vergeet.
20 Volg dus de weg van goede mensen
en blijf op de paden van de rechtvaardigen,+
21 want alleen de oprechten zullen op de aarde wonen
22 De slechte mensen zullen van de aarde worden verwijderd+
en de verraders zullen ervan worden weggerukt.+
3 Mijn zoon, vergeet mijn onderwijs* niet
en laat je hart mijn geboden gehoorzamen,
2 want ze geven je veel dagen
en jaren van leven en vrede.+
3 Mogen loyale liefde en trouw* je niet verlaten.+
Bind ze om je hals.
7 Word niet wijs in je eigen ogen.+
Heb ontzag voor Jehovah en ga het kwaad uit de weg.
11 Mijn zoon, wijs de correctie* van Jehovah niet af+
en veracht zijn terechtwijzing niet,+
12 want Jehovah wijst degenen terecht van wie hij houdt,+
zoals een vader dat doet met een geliefde zoon.+
15 Ze is kostbaarder dan koralen.*
Alles wat je ooit zou kunnen wensen verbleekt erbij.
16 Een lang leven is in haar rechterhand,
rijkdom en eer zijn in haar linkerhand.
18 Ze is een levensboom voor wie haar vastgrijpt,
en wie haar goed vasthoudt, is gelukkig te prijzen.+
19 Jehovah heeft de aarde met wijsheid gegrondvest.+
Hij heeft de hemel met inzicht gevestigd.+
21 Mijn zoon, verlies ze* niet uit het oog.
Bescherm praktische wijsheid en denkvermogen.
24 Als je gaat liggen, hoef je niet bang te zijn.+
Je zult liggen en heerlijk slapen.+
26 Want Jehovah zal je bron van vertrouwen zijn.+
Hij houdt je voet uit de valstrik.+
28 Zeg niet tegen je naaste: ‘Ga weg, kom morgen maar terug, dan zal ik het je geven’,
als je het nu kunt geven.
33 De vloek van Jehovah rust op het huis van wie slecht is,+
maar hij zegent het huis van de rechtvaardigen.+
4 Luister, mijn zonen, naar de correctie* van een vader.+
Let goed op, dan word je verstandig.
2 Want ik zal je goed onderwijs geven.
Sla mijn lessen* niet in de wind.+
4 Hij leerde mij: ‘Houd met heel je hart vast aan mijn woorden.+
Volg mijn geboden op en blijf leven.+
5 Streef naar wijsheid, verkrijg verstand.+
Vergeet niet wat ik zeg en wijk er niet van af.
6 Verlaat de wijsheid niet en ze zal je beschermen.
Heb haar lief en ze zal je behoeden.
7 Wijsheid is het belangrijkst,*+ streef dus naar wijsheid
en voeg aan alles wat je krijgt verstand toe.+
8 Acht haar hoog en ze zal je verheffen.+
Ze zal je eer geven omdat je haar omarmt.+
9 Ze zal een sierlijke krans op je hoofd zetten.
Ze zal je sieren met een prachtige kroon.’
11 Ik zal je de weg van wijsheid leren.+
Ik zal je in de sporen van oprechtheid leiden.+
12 Als je loopt, zullen je voetstappen niet belemmerd worden
en als je rent, zul je niet struikelen.
13 Houd vast aan correctie, laat niet los.+
Bescherm haar, ze betekent je leven.+
15 Vermijd die, volg die niet.+
Keer je ervan af en ga eraan voorbij.+
16 Want als ze geen kwaad doen, kunnen ze niet slapen.
Als ze niemand ten val brengen, liggen ze wakker.
17 Ze eten het brood van slechtheid
en drinken de wijn van geweld.
18 Maar het pad van de rechtvaardigen is als het heldere morgenlicht
dat steeds helderder wordt tot het klaarlichte dag is.+
19 De weg van slechte mensen is als het duister.
Ze struikelen en weten niet waarover.
20 Mijn zoon, heb aandacht voor mijn woorden.
Luister goed* naar mijn uitspraken.
21 Verlies ze niet uit het oog.
Bewaar ze diep in je hart.+
23 Bescherm je hart, meer dan al het andere dat je bewaakt,+
want daar ontspringen de bronnen van het leven.
25 Laat je ogen recht vooruitkijken.
Richt je blik* recht vooruit.+
27 Wijk niet af naar rechts of naar links.+
Leid je voeten weg van het slechte.
5 Mijn zoon, let op mijn wijsheid.
Luister goed* naar mijn inzicht+
2 om je denkvermogen te beschermen
en met je lippen kennis te bewaren.+
3 Want de lippen van een verdorven* vrouw druipen als een honingraat+
en haar mond is gladder dan olie.+
5 Haar voeten dalen af naar de dood.
Haar voetstappen leiden regelrecht naar het Graf.*
6 Ze is niet geïnteresseerd in de weg naar het leven.
Ze zwerft rond, ze weet niet waar haar weg heen leidt.
7 Mijn zonen, luister naar mij
en keer je niet af van wat ik zeg.
8 Blijf ver bij haar vandaan.
Kom niet in de buurt van de ingang van haar huis.+
10 Anders wordt je bezit* door vreemden verbrast+
en gaat alles waar je voor hebt gezwoegd naar het huis van een onbekende.
12 Je zult zeggen: ‘Wat heb ik correctie* gehaat!
Wat had ik een hartgrondige hekel aan terechtwijzingen!
13 Ik luisterde niet naar de stem van mijn onderwijzers
en sloot mijn oren voor mijn leraren.
16 Moeten je bronnen soms over de straat stromen
en je waterstromen zich over de pleinen verspreiden?+
Laten haar borsten je altijd genot schenken.*
Laat je steeds meevoeren door haar liefde.+
21 Want Jehovah richt zijn ogen op de wegen van een man.
Hij onderzoekt al zijn paden.+
22 Wie slecht is raakt verstrikt in zijn eigen overtredingen,
hij wordt gevangen in de touwen van zijn eigen zonde.+
23 Hij zal sterven door gebrek aan correctie
en afdwalen door zijn grote dwaasheid.
6 Mijn zoon, als je borg staat voor je naaste,+
als je een vreemde een handdruk geeft,*+
2 als je verstrikt bent door je belofte,
gevangenzit door de woorden van je mond,+
3 doe dan het volgende, mijn zoon, en bevrijd je,
want je bent in handen van je naaste gevallen:
verneder je en ga bij hem smeken.+
4 Gun je ogen geen slaap
en laat je oogleden niet rusten.
5 Bevrijd je als een gazelle uit de greep van de jager,
als een vogel uit de hand van de vogelvanger.
7 Hoewel hij geen aanvoerder, opzichter of leider heeft,
8 zorgt hij in de zomer voor voedsel+
en verzamelt hij voorraden tijdens de oogst.
9 Hoelang, luiaard, blijf je nog liggen?
Wanneer sta je op uit je slaap?
10 Nog even slapen, nog even sluimeren,
nog even de handen over elkaar om te rusten,+
11 en armoede zal je overvallen als een rover,
gebrek als een gewapend man.+
12 Een slechte, waardeloze man gaat rond met sluwe spraak.+
13 Hij knipoogt,+ seint met zijn voet en geeft tekens met zijn vingers.
15 Daarom zal zijn ongeluk plotseling komen.
Ineens wordt hij gebroken, onherstelbaar.+
16 Er zijn zes dingen die Jehovah haat,
zeven dingen waar hij* een hekel aan heeft:
17 ogen die trots kijken,+ een tong die liegt+ en handen die onschuldig bloed vergieten,+
18 een hart dat misdadige plannen smeedt+ en voeten die snel naar het slechte rennen,
19 een valse getuige die leugens ademt+
en iemand die onrust zaait onder broeders.+
21 Bind ze voor altijd op je hart.
Hang ze om je hals.
22 Als je onderweg bent, zal het je leiden,
als je gaat liggen, zal het de wacht over je houden
en als je wakker wordt, zal het je toespreken.*
23 Want het gebod is een lamp,+
de wet is een licht+
en terechtwijzing en correctie* zijn de weg naar het leven.+
26 Want een hoer brengt een man tot droog brood,+
maar de vrouw van een ander maakt jacht op zijn kostbare leven.*
27 Kan een man vuur in zijn boezem halen zonder dat zijn kleren vlam vatten?+
28 Of kan een man op gloeiende kolen lopen zonder zijn voeten te branden?
29 Zo gaat het ook met iemand die met de vrouw van een ander slaapt:
wie haar aanraakt, blijft niet ongestraft.+
31 Maar als hij wordt betrapt, moet hij het zevenvoudig vergoeden.
Alle waardevolle dingen in zijn huis moet hij afstaan.+
32 Wie overspel pleegt met een vrouw, heeft geen verstand.*
Wie dat doet, bewerkt zijn eigen ondergang.*+
33 Schade en schande zullen het gevolg zijn.+
Zijn smaad zal niet worden uitgewist.+
34 Want jaloezie maakt een echtgenoot razend.
Zijn wraak zal meedogenloos zijn.+
35 Hij zal geen enkele vergoeding* accepteren.
Zelfs het grootste geschenk kalmeert hem niet.
2 Gehoorzaam mijn geboden en blijf leven.+
Waak over mijn onderwijs* als je oogappel.
3 Bind ze om je vingers.
4 Zeg tegen de wijsheid: ‘Je bent mijn zus’
en noem het verstand ‘mijn familie’
6 Vanuit het venster van mijn huis,
door het traliewerk, keek ik naar beneden.
8 Hij liep door de straat, kwam bij haar hoek
en stapte in de richting van haar huis.
11 Ze is brutaal en uitdagend.+
Ze blijft* nooit thuis.
13 Ze grijpt hem vast en kust hem.
Met een schaamteloze blik zegt ze:
14 ‘Ik moest vredeoffers* brengen.+
Vandaag heb ik mijn geloften ingelost.
15 Daarom ben ik naar buiten gegaan, naar jou toe,
om je te zoeken, en nu heb ik je gevonden!
17 Ik heb mijn bed besprenkeld met mirre, aloë en kaneel.+
18 Kom, laten we ons aan de liefde bedrinken tot de morgen toe.
Laten we hartstochtelijk de liefde bedrijven.
19 Want mijn man is niet thuis,
hij is vertrokken voor een verre reis.
20 Hij heeft een buidel met geld meegenomen
en komt pas terug op de dag van de vollemaan.’
21 Met grote overredingskracht haalt ze hem over.+
Met gladde woorden verleidt ze hem.
22 Plotseling gaat hij haar achterna, als een stier naar de slacht,
als een dwaas die gestraft zal worden in het blok,*+
23 tot een pijl zijn lever doorboort.
Als een vogel die een vangnet in vliegt, beseft hij niet dat het hem zijn leven* zal kosten.+
24 En nu, mijn zonen, luister naar mij.
Heb aandacht voor wat ik zeg.
25 Laat je hart niet afdwalen naar haar wegen.
Dool niet rond op haar paden.+
8 Roept de wijsheid niet?
Laat het inzicht zijn stem niet horen?+
5 Onervarenen, word toch verstandig.+
Dwazen, ontwikkel toch een wijs hart!*
6 Luister, want wat ik zeg is belangrijk.
Mijn lippen spreken wat juist is.
7 Mijn mond spreekt zachtjes wat waar is
en mijn lippen haten wat slecht is.
8 Alle woorden uit mijn mond zijn rechtvaardig,
niets daarvan is verdraaid of vals.
9 Ze zijn duidelijk voor wie inzicht heeft
en juist voor wie kennis heeft gevonden.
11 Wijsheid is beter dan koralen.
Alles wat je ooit zou kunnen wensen verbleekt erbij.
12 Ik, wijsheid, woon bij het verstand.
Ik heb kennis en denkvermogen gevonden.+
13 Ontzag voor Jehovah betekent het kwaad te haten.+
Zelfverheerlijking, trots,+ de slechte weg en verdorven spraak+ haat ik.
14 Ik bezit goed advies en praktische wijsheid.+
Verstand+ en macht,+ ze zijn van mij.
16 Door mij blijven vorsten heersen
en oordelen edelen rechtvaardig.
19 Mijn vrucht is beter dan goud, het zuiverste goud,
en mijn opbrengst is beter dan het beste zilver.+
20 Op het pad van rechtvaardigheid wandel ik,
midden op de wegen van het recht.
21 Ik geef een grote erfenis aan wie mij liefhebben,
ik vul hun schatkamers.
22 Jehovah bracht mij voort als het begin van zijn weg,+
het eerste van zijn werken van lang geleden.+
24 Ik werd voortgebracht* toen er nog geen diepe wateren waren,+
toen er geen bronnen waren, overlopend van water.
25 Voordat de bergen waren neergezet,
vóór de heuvels, werd ik voortgebracht,
26 toen hij de aarde en haar velden nog niet had gemaakt,
toen de eerste kluit grond er nog niet was.
27 Toen hij de hemel maakte,+ was ik daar,
toen hij de horizon* aftekende op het watervlak,+
28 toen hij daarboven de wolken plaatste,*
toen hij de bronnen van de waterdiepte vestigde,
29 toen hij grenzen stelde aan de zee
zodat het water zijn gebod niet zou overschrijden,+
toen hij de fundamenten van de aarde legde,*
Ik was degene op wie hij bijzonder gesteld was,+ elke dag weer.
Ik was altijd vrolijk bij hem.+
32 En nu, mijn zonen, luister naar mij.
Gelukkig zijn degenen die mijn wegen volgen.
33 Luister naar correctie+ en word wijs.
Sla die niet in de wind.
34 Gelukkig is de mens die naar mij luistert,
die elke dag vroeg aan mijn deur staat,*
die bij mijn deurposten wacht.
9 De ware wijsheid heeft haar huis gebouwd.
Ze heeft haar zeven zuilen uitgehouwen.
4 ‘Wie onervaren is moet hierheen komen!’
Ze zegt tegen degene zonder verstand:*
5 ‘Kom, eet mijn brood
en drink van de wijn die ik gemengd heb.
6 Laat je onervarenheid* achter je en blijf leven.+
Ga rechtdoor op de weg van het verstand.’+
7 Wie een spotter corrigeert, haalt zich schande op de hals+
en wie een slecht mens terechtwijst, zal eronder lijden.
8 Wijs een spotter niet terecht, want hij zal je haten.+
Geef een wijze een terechtwijzing en hij zal van je houden.+
9 Deel iets met een wijze en hij zal wijzer worden.+
Onderwijs een rechtvaardige en zijn kennis neemt toe.
10 Ontzag voor Jehovah is het begin van wijsheid+
en kennis van de Allerheiligste+ — dat is verstand.
12 Als je wijs wordt, is dat in je eigen voordeel,
maar als je spot, moet je zelf de gevolgen dragen.
13 Een domme vrouw is brutaal.+
Ze is onnozel en weet helemaal niets.
15 Ze roept naar voorbijgangers,
naar wie rechtdoor gaan op de weg:
16 ‘Wie onervaren is moet hierheen komen!’
Zij zegt tegen degenen zonder verstand:*+
18 Maar ze weten niet dat daar degenen zijn die machteloos zijn in de dood,
Een wijze zoon maakt zijn vader blij,+
een dwaze zoon doet zijn moeder verdriet.
3 Jehovah laat de rechtvaardige* geen honger lijden,+
maar hij weigert slechte mensen wat ze verlangen.
5 De verstandige zoon haalt in de zomer de oogst binnen,
maar de schaamteloze zoon slaapt diep tijdens de oogst.+
7 De herinnering aan* de rechtvaardige leidt tot zegen,+
maar de naam van wie slecht is zal wegrotten.+
11 De mond van de rechtvaardige is een bron van leven,+
maar de mond van een slecht mens verhult geweld.+
15 De rijkdom* van een rijke is zijn vesting.
De armoede van de arme is zijn ondergang.+
16 De activiteit van de rechtvaardige leidt tot leven,
maar de opbrengst van de slechte leidt tot zonde.+
17 Wie naar correctie* luistert is een weg naar het leven,*
maar wie terechtwijzing negeert brengt anderen op een dwaalspoor.
19 Bij een overvloed van woorden is een fout niet te vermijden,+
maar wie zijn lippen in bedwang houdt is verstandig.+
20 De tong van de rechtvaardige is als het beste zilver,+
maar het hart van een slecht mens is van weinig waarde.
24 Wat een slecht mens vreest, zal hem overkomen.
Wat de rechtvaardige verlangt, zal hij krijgen.+
25 Als de storm voorbij is, is de goddeloze verdwenen,+
maar de rechtvaardige is als een eeuwig fundament.+
26 Als azijn voor de tanden en als rook voor de ogen,
zo is een luiaard voor wie hem eropuit stuurt.*
28 De verwachting* van de rechtvaardigen leidt tot vreugde,+
maar de hoop van de goddelozen zal vergaan.+
29 De weg van Jehovah is een vesting voor de onberispelijke+
maar betekent de ondergang voor boosdoeners.+
30 De rechtvaardige zal nooit ten val worden gebracht,+
maar slechte mensen zullen de aarde niet meer bewonen.+
32 De lippen van de rechtvaardige weten wat aangenaam is,
maar de mond van de goddeloze is vol bedrog.
3 De oprechten laten zich leiden door hun oprechtheid,*+
maar de onbetrouwbaren gaan ten onder aan hun bedrog.+
5 De rechtvaardigheid van de onberispelijke maakt zijn weg recht,
maar wie slecht is komt door zijn eigen slechtheid ten val.+
6 De oprechten worden gered door hun rechtvaardigheid,+
maar de onbetrouwbaren worden gevangen in hun eigen verlangens.+
7 Als een slecht mens sterft, vergaat zijn hoop.
Ook verwachtingen gebaseerd op zijn eigen kracht vergaan.+
9 Met zijn mond richt de afvallige* zijn naaste te gronde,
maar door kennis worden de rechtvaardigen gered.+
10 De goedheid van de rechtvaardigen maakt een stad blij
en als de slechte mensen vergaan, klinkt er gejuich.+
11 Door de zegen van de oprechten wordt een stad groot,+
maar de mond van slechte mensen haalt haar neer.+
13 Een lasteraar gaat rond om vertrouwelijke gesprekken te onthullen,+
maar iemand die betrouwbaar* is kan iets vertrouwelijk houden.*
15 Wie garant staat voor de lening van een vreemde zal het slecht vergaan,+
maar wie niet met een handdruk belooft,* zal veilig zijn.
18 De goddeloze ontvangt een bedrieglijk loon,+
maar wie rechtvaardigheid zaait krijgt een echte beloning.+
21 Hier kun je van op aan:* wie slecht is blijft niet ongestraft,+
maar de kinderen van de rechtvaardigen zullen ontkomen.
22 Als een gouden ring in een varkenssnuit
is een mooie vrouw die haar verstand niet gebruikt.
23 Het verlangen van de rechtvaardigen leidt tot het goede,+
maar de hoop van slechte mensen eindigt in woede.
24 De een geeft gul* en krijgt steeds meer,+
de ander geeft niet wat hij hoort te geven en wordt arm.+
26 Het volk vervloekt wie koren achterhoudt
maar zegent wie het verkoopt.
28 Wie op zijn rijkdom vertrouwt, komt ten val,+
maar de rechtvaardigen zullen gedijen als het jonge loof.+
29 Wie ellende* brengt over zijn huisgezin zal wind erven,+
en de dwaas wordt de slaaf van wie wijs is van hart.
2 Een goed mens krijgt Jehovah’s goedkeuring,
maar wie kwade plannen heeft, wordt door Hem veroordeeld.+
3 Geen mens kan veilig zijn door het slechte te doen,+
maar de rechtvaardigen zullen nooit worden ontworteld.
4 Een bekwame vrouw is een kroon voor haar man,+
maar de vrouw die zich schandelijk gedraagt is als verrotting in zijn botten.+
6 De woorden van de goddelozen zijn een dodelijke hinderlaag,*+
maar de mond van de oprechten biedt redding.+
7 De goddelozen worden omvergeworpen en bestaan niet meer,
maar het huis van de rechtvaardigen blijft staan.+
8 Een mens wordt geprezen om zijn woorden* van inzicht,+
maar iemand met een verdorven hart wordt veracht.+
10 De rechtvaardige zorgt goed voor zijn dieren,*+
maar de slechte is zelfs in zijn medelijden* wreed.
11 Wie zijn land bebouwt, wordt met voedsel verzadigd,+
maar wie zinloze dingen najaagt, heeft geen verstand.*
12 De goddeloze is jaloers* op de prooi van andere slechte mensen,
maar de wortel van de rechtvaardige brengt vrucht voort.
13 De boosdoener raakt verstrikt door zijn eigen zondige woorden,+
maar de rechtvaardige ontsnapt aan ellende.
14 De vrucht van zijn woorden* verzadigt een mens met het goede,+
en het werk van zijn handen beloont hem.
19 Lippen die waarheid spreken blijven voor altijd,+
maar een leugentong houdt slechts een ogenblik stand.+
26 De rechtvaardige zoekt zijn weiden uit,
maar de slechte mens volgt een dwaalspoor.
28 Het pad van rechtvaardigheid leidt naar het leven.+
Haar wegen leiden niet naar de dood.
13 Een wijze zoon aanvaardt de correctie* van zijn vader,+
maar de spotter luistert niet naar een terechtwijzing.+
2 De vrucht van zijn woorden* verzadigt een mens met het goede,+
maar het verlangen* van de onbetrouwbare gaat uit naar geweld.
6 Rechtvaardigheid beschermt de onschuldige op zijn weg,+
maar aan slechtheid gaat de zondaar ten onder.
7 De een doet zich rijk voor maar heeft niets.+
De ander doet zich arm voor maar is schatrijk.
9 Het licht van de rechtvaardigen schijnt helder,*+
maar de lamp van slechte mensen wordt uitgedoofd.+
10 Hoogmoed leidt alleen maar tot ruzie.+
Wijsheid is bij hen die advies inwinnen.*+
15 Goed inzicht wint gunst,
maar de weg van de onbetrouwbare is hard.
19 Een vervuld verlangen is aangenaam voor een mens*+
en het kwaad vermijden is voor dwazen afschuwelijk.+
22 Een goed mens laat een erfenis na aan zijn kleinkinderen,
maar de zondaar spaart zijn rijkdom op voor de rechtvaardige.+
3 De stok van hoogmoed ligt in de mond van een dwaas,
maar de lippen van wijzen bieden bescherming.
4 Waar geen runderen zijn, is de voederbak schoon,
maar de kracht van een stier levert een rijke oogst op.
6 De spotter zoekt wijsheid maar vindt niets,
maar voor de verstandige is kennis makkelijk te vinden.+
8 Door wijsheid begrijpt de verstandige welke weg hij gaat,
13 Zelfs onder het lachen kan het hart pijn hebben,
en vreugde kan eindigen in verdriet.
14 Wie opstandig van hart is oogst de gevolgen van zijn wegen,+
maar een goed mens plukt de vruchten van zijn daden.+
17 Wie snel kwaad wordt doet domme dingen.+
Wie alles overdenkt* wordt gehaat.
19 Slechte mensen zullen moeten buigen voor de goede
en de goddelozen zullen buigen bij de poorten van de rechtvaardigen.
21 Wie zijn naaste veracht, zondigt.
Wie medegevoel heeft met de armen is gelukkig.+
22 Is het niet zo dat wie kwaad smeedt afdwaalt?
Maar wie goed wil doen, krijgt loyale liefde en trouw.+
27 Ontzag voor Jehovah is een bron van leven,
het houdt je weg van de strikken van de dood.
32 De slechte komt ten val door zijn eigen slechtheid,
maar de rechtvaardige vindt bescherming in zijn oprechtheid.*+
33 Wijsheid rust stil in het hart van een verstandig mens,+
maar bij de dwazen moet ze zich laten horen.
35 De koning is blij met een dienaar die inzicht toont,+
maar zijn woede treft wie zich schandelijk gedraagt.+
6 Het huis van de rechtvaardige is vol schatten,
8 Jehovah walgt van het slachtoffer van de slechten,+
maar het gebed van de oprechten maakt hem blij.+
10 Voor wie het rechte pad verlaat lijkt correctie slecht,*+
maar wie terechtwijzing haat zal sterven.+
11 Het Graf* en de plaats van vernietiging* zijn voor Jehovah duidelijk zichtbaar.+
Hoeveel te meer het hart van mensen!+
12 De spotter houdt niet van wie hem corrigeert.*+
Hij zal de wijze niet om raad vragen.+
14 Het verstandige hart zoekt kennis.+
De mond van de dwazen voedt zich met* dwaasheid.+
15 Voor de ellendige zijn alle dagen slecht,+
maar voor iemand met een vrolijk hart is het altijd feest.+
21 Dwaasheid is een vreugde voor wie geen verstand heeft,*+
maar een mens met inzicht houdt het rechte pad.+
23 Een mens is blij als hij een passend antwoord geeft,*+
en wat fijn is een woord op het juiste moment!+
24 Voor een mens met inzicht loopt het levenspad omhoog.+
Zo ontkomt hij aan het Graf* beneden.+
27 Wie oneerlijke winst maakt brengt ellende* over zijn eigen huisgezin,+
maar wie steekpenningen haat zal blijven leven.+
28 Het hart van de rechtvaardige mediteert voordat het antwoordt,*+
maar de mond van de slechte mens kraamt allerlei slechts uit.
30 Stralende ogen* maken het hart blij.
Een goed bericht versterkt de botten.*+
5 Jehovah walgt van iemand die trots van hart is.+
Reken er maar op* dat hij niet ongestraft blijft.
6 Door loyale liefde en trouw wordt zonde verzoend+
en door ontzag voor Jehovah vermijd je het kwaad.+
10 Op de lippen van een koning hoort een geïnspireerd besluit* te zijn.+
Nooit mag hij het recht buigen.+
13 Koningen waarderen oprechte woorden.
Ze houden van iemand die eerlijk spreekt.+
15 Het stralende gezicht van de koning betekent leven,
zijn gunst is als een wolk die lenteregen brengt.+
16 Je kunt veel beter wijsheid krijgen dan goud.+
En verstand is te verkiezen boven zilver.+
17 De oprechten vermijden de weg van het kwaad.
Wie oppast welke weg hij volgt, blijft in leven.*+
22 Inzicht is een bron van leven voor wie het bezitten,
maar dwazen worden gecorrigeerd door hun eigen dwaasheid.
29 Een gewelddadige man verlokt zijn naaste
en leidt hem het verkeerde pad op.
30 Hij knipoogt terwijl hij slechte plannen smeedt.
Hij perst zijn lippen samen en richt kwaad aan.
2 Een dienaar met inzicht zal heersen over de zoon die zich schandelijk gedraagt.
Hij zal samen met de broers in de erfenis delen.
4 Een slecht mens luistert graag naar gemene woorden
en een bedrieger hoort graag een boosaardige tong.+
5 Wie de arme bespot beledigt zijn Maker+
en wie geniet van andermans ellende blijft niet ongestraft.+
7 Oprechte* woorden passen niet bij een dwaas.+
Hoeveel te minder leugens bij een heerser!*+
8 Een geschenk is voor de bezitter als een edelsteen.*+
Het brengt hem succes, waar hij ook heen gaat.+
9 Wie een fout vergeeft* zoekt liefde,+
maar wie steeds op een zaak terugkomt drijft goede vrienden uit elkaar.+
11 Een slecht mens wil alleen maar opstand,
maar er wordt een wrede boodschapper gestuurd om hem te straffen.+
14 Een ruzie beginnen is alsof je de sluizen openzet.*
Ga dus weg voordat de ruzie uitbreekt.+
15 Wie de goddeloze vrijspreekt en wie de rechtvaardige veroordeelt:+
allebei zijn ze walgelijk voor Jehovah.
16 Wat moet een dwaas met de mogelijkheid om wijsheid te verkrijgen
18 Een mens zonder verstand* stemt met een handdruk toe
om zich borg te stellen in de aanwezigheid van zijn naaste.+
19 Wie van ruzie houdt, houdt van overtreding.+
Wie een hoge ingang maakt, zoekt zijn eigen ondergang.+
21 Wie vader wordt van een dwaas krijgt verdriet
en de vader van een kind zonder verstand kent geen vreugde.+
24 Een verstandig mens houdt wijsheid voor ogen,
maar de ogen van de dwaas dwalen naar de einden van de aarde.+
26 Het is niet juist een rechtvaardige te straffen*
en respectabele mensen slaan is in strijd met het recht.
28 Zelfs een dwaas lijkt wijs als hij zwijgt,
en wie zijn lippen op elkaar houdt lijkt verstandig.
18 Wie zich afzondert, volgt zijn eigen zelfzuchtige verlangens.
Hij verwerpt* alle praktische wijsheid.
2 Een dwaas is niet geïnteresseerd in inzicht.
Hij laat liever zien wat er in zijn eigen hart leeft.+
4 De woorden uit de mond van een man zijn diepe wateren.+
De bron van wijsheid is een opwellende beek.
8 De woorden van een lasteraar zijn als lekkernijen*+
die men graag naar binnen laat glijden, tot diep in de buik.+
10 De naam van Jehovah is een sterke toren.+
De rechtvaardige snelt er binnen en krijgt bescherming.*+
11 De rijkdom van een rijke is zijn vesting.
In zijn verbeelding is het een beschermende muur.+
19 Een gekwetste broeder is onverzettelijker dan een vesting+
en geschillen kunnen als de grendel van een burcht zijn.+
20 Een man vult zijn buik met de vrucht van zijn woorden.*+
Hij wordt verzadigd met de opbrengst van zijn lippen.
21 Dood en leven zijn in de macht van de tong.+
Wie hem graag gebruikt zal zijn vruchten eten.+
23 De arme smeekt als hij spreekt,
maar de rijke antwoordt ruw.
24 Er zijn vrienden die elkaar kapot kunnen maken,+
maar er bestaat een vriend die trouwer is dan een broer.+
3 De mens belandt op een kromme weg door zijn eigen dwaasheid,
maar zijn hart wordt woedend op Jehovah.
6 Velen willen in de gunst komen bij een vooraanstaand persoon*
en iedereen is een vriend van de man die geschenken geeft.
Hij loopt ze smekend achterna, maar niemand reageert.
8 Wie verstand krijgt* heeft zichzelf* lief.+
Wie inzicht koestert zal succes hebben.*+
10 Het is niet passend dat een dwaas in weelde leeft
en nog minder dat een dienaar over vorsten heerst!+
12 De woede van een koning is als het gebrul van een leeuw,*+
maar zijn gunst is als dauw op het gras.
13 Een dwaze zoon is een ramp voor zijn vader+
en een vrouw die altijd ruzie zoekt* is als een dak dat altijd lekt.+
16 Wie zich aan het gebod houdt blijft in leven.*+
Wie zich niet bekommert om zijn wegen zal sterven.+
19 Een heethoofd zal moeten boeten.
Als je hem wilt sparen, kun je dat wel blijven doen.+
22 Het aantrekkelijke in een mens is zijn loyale liefde.+
En het is beter arm te zijn dan een leugenaar.
23 Ontzag voor Jehovah leidt tot leven.+
Wie het heeft kan rustig slapen, hem overkomt niets.+
24 De luiaard steekt zijn hand in de feestschaal
maar neemt niet eens de moeite hem naar zijn mond te brengen.+
25 Sla de spotter+ zodat de onervarene verstandig wordt+
en wijs de verstandige terecht zodat hij meer kennis krijgt.+
26 Wie zijn vader slecht behandelt en zijn moeder verjaagt,
is een zoon die smaad en schande veroorzaakt.+
27 Mijn zoon, als je niet meer naar correctie luistert,
zul je afwijken van de woorden van kennis.
20 Wijn is een spotter,+ alcohol is een lawaaischopper.*+
Wie erdoor afdwaalt is niet wijs.+
2 De dreiging* van een koning is als het gebrul van een leeuw.*+
Wie zijn woede uitlokt riskeert zijn leven.+
5 De gedachten* in het hart van een mens zijn als diepe wateren,
maar iemand met inzicht haalt ze naar boven.
6 Veel mensen verkondigen hun loyale liefde,
maar wie kan iemand vinden die echt trouw is?
7 De rechtvaardige wandelt in oprechtheid.*+
Gelukkig zijn zijn kinderen* die na hem komen.+
11 Zelfs een kind* laat zich kennen door zijn daden,
je ziet daaraan of zijn gedrag zuiver en goed is.+
13 Heb de slaap niet lief, anders word je arm.+
Open je ogen, dan word je verzadigd met brood.+
14 ‘Waardeloos! Waardeloos!’, zegt de koper.
Dan gaat hij weg en schept op over zichzelf.+
16 Staat iemand borg voor een vreemde, neem dan zijn mantel.+
Doet hij dat voor een buitenlandse vrouw,* neem dan zijn onderpand.+
18 Door overleg* zullen plannen slagen.*+
Voer je oorlog met deskundige leiding.*+
19 Een lasteraar gaat rond en onthult vertrouwelijke gesprekken.+
Ga niet om met iemand die van roddelen houdt.*
20 Als je je vader en je moeder vervloekt,
zal je lamp worden uitgedoofd wanneer de duisternis valt.+
22 Zeg niet: ‘Ik zal kwaad vergelden!’+
Hoop op Jehovah+ en hij zal je redden.+
24 Jehovah leidt de voetstappen van een mens.+
Hoe kan een mens zijn eigen weg begrijpen?*
25 Het is voor de mens een valstrik overhaast ‘Heilig!’ te roepen+
en pas later te overdenken welke geloften hij heeft gedaan.+
27 De adem van de mens is de lamp van Jehovah,
die hem diep vanbinnen doorzoekt.
28 Loyale liefde en trouw beschermen de koning.+
Op loyale liefde steunt zijn troon.+
21 Het hart van een koning is als waterstromen in Jehovah’s hand.+
Hij leidt het waarheen hij maar wil.+
5 De plannen van wie ijverig is leiden zeker tot succes,*+
maar wie haastig is stuurt zeker aan op armoede.+
6 Schatten verkregen door een leugentong
zijn als een vervagende nevel, als een dodelijke valstrik.*+
9 Je kunt beter op een hoek van het dak wonen
10 Een slecht mens* verlangt naar wat slecht is.+
Hij toont geen medelijden met zijn naaste.+
11 Als een spotter wordt gestraft, worden de onervarenen wijzer,
12 De Rechtvaardige houdt het huis van de slechte in het oog.
Hij stort slechte mensen in het verderf.+
13 Wie zijn oren sluit voor het hulpgeroep van de arme,
zal geen antwoord krijgen als hij zelf roept.+
15 Voor de rechtvaardige is het een vreugde recht te doen,+
maar voor wie kwaad doen is het iets verschrikkelijks.
16 Wie afdwaalt van de weg van inzicht
zal rusten in het gezelschap van wie machteloos zijn in de dood.+
17 Wie van feesten houdt* vervalt tot armoede.+
Wie van wijn en olie houdt wordt niet rijk.
22 Een wijze kan de stad van sterke mannen beklimmen*
en de kracht waarop ze vertrouwen ondermijnen.+
26 De hele dag verlangt hij hebzuchtig naar meer,
maar de rechtvaardige geeft en houdt niets achter.+
30 Er is geen wijsheid, geen inzicht en geen raad tegen Jehovah.+
22 Een goede naam* is te verkiezen boven grote rijkdom.+
Gerespecteerd worden* is beter dan zilver en goud.
3 Wie verstandig is ziet het gevaar en verbergt zich,
maar wie onervaren is gaat gewoon door en moet de gevolgen dragen.*
5 Doorns en valstrikken zijn op het pad van een verdorven mens.
Als je leven* je lief is, blijf je er ver vandaan.+
6 Leer een jongen welke weg hij moet gaan.*+
Zelfs als hij oud is geworden, zal hij er niet van afwijken.+
10 Verjaag de spotter
en ruzie verdwijnt.
Geschillen* en beledigingen houden op.
13 Een luiaard zegt: ‘Er is een leeuw buiten!
Hij zal me doden midden op het plein!’+
14 De mond van verdorven* vrouwen is een diepe kuil.+
Wie door Jehovah wordt veroordeeld, zal erin vallen.
15 Dwaasheid zit diep geworteld in het hart van een jongen,*+
maar de stok* van correctie* zal die ver van hem verwijderen.+
16 Wie de arme afzet om zelf rijker te worden+
en wie geschenken aan de rijke geeft:
ze eindigen allebei in armoede.
17 Spits je oren en luister naar de woorden van de wijzen+
om mijn kennis in je hart op te nemen,+
18 want het is goed om ze diep in je binnenste te bewaren,+
zodat ze allemaal steeds op je lippen zijn.+
19 Om je op Jehovah te laten vertrouwen,
geef ik je nu kennis.
20 Heb ik je niet al geschreven,
je advies en kennis gegeven
21 om je ware, betrouwbare woorden te leren,
zodat je nauwkeurig verslag kunt uitbrengen aan degene die je heeft gestuurd?
22 Beroof de arme niet omdat hij arm is+
en vertrap de zwakke niet in de stadspoort,+
23 want Jehovah zelf zal hun zaak bepleiten+
en hij zal degenen die hen afzetten het leven ontnemen.*
24 Ga niet om met een heethoofd
en laat je niet in met iemand die snel kwaad wordt,
25 zodat je nooit zijn wegen gaat volgen
27 Als je niets hebt om te betalen,
wordt je bed onder je vandaan gehaald!
29 Heb je een man gezien die vaardig is in zijn werk?
Hij zal voor koningen staan+
en niet voor gewone mensen.
23 Als je bij een koning gaat eten,
let dan goed op wat er voor je staat.
3 Verlang niet naar zijn lekkernijen,
want het is bedrieglijk voedsel.
4 Sloof je niet uit voor rijkdom.+
Stop en toon je verstand.*
5 Als je je ogen erover laat gaan, is het verdwenen.+
Het krijgt vleugels als een arend en vliegt weg, de lucht in.+
6 Eet niet het voedsel van een vrek.*
Verlang niet naar zijn lekkernijen.
7 Want hij is als iemand die alles bijhoudt.*
‘Eet en drink’, zegt hij tegen je, maar hij meent het niet.*
8 Wat je hebt gegeten zul je uitbraken
en je complimenten zul je verspild hebben.
11 Want hun Verdediger* is sterk.
Hij zal hun zaak tegen je verdedigen.+
13 Onthoud een jongen* geen correctie.+
Als je hem met de stok* slaat, zal hij niet sterven.
17 Laat je hart niet jaloers* zijn op zondaars,+
maar heb de hele dag door ontzag voor Jehovah,+
18 want dan heb je een toekomst+
en zal je hoop niet verdwijnen.
19 Luister, mijn zoon, en word wijs,
en leid je hart op de goede weg.
20 Bevind je niet onder hen die te veel wijn drinken,+
onder hen die zich volvreten aan vlees,+
21 want een dronkaard en een veelvraat vervallen tot armoede+
en slaperigheid zal je met lompen bekleden.
23 Koop* waarheid en verkoop haar nooit.+
Dat geldt ook voor wijsheid, correctie en verstand.+
24 De vader van een rechtvaardige zal zeker vreugde hebben.
Wie vader wordt van een wijze, zal blij met hem zijn.
25 Je vader en je moeder zullen blij zijn
en zij die je gebaard heeft, zal vreugde hebben.
29 Wie heeft wee? Wie heeft ongemak?
Wie heeft ruzie? Wie heeft klachten?
Wie heeft wonden zonder reden? Wie heeft troebele* ogen?
31 Kijk niet naar de rode kleur van wijn
terwijl hij fonkelt in de beker en zo makkelijk naar binnen glijdt.
32 Uiteindelijk bijt hij als een slang
en spuit hij gif als een adder.
34 Je zult zijn als iemand die midden op zee ligt,
als iemand in de top van een scheepsmast.
35 Je zult zeggen: ‘Ze hebben me geslagen, maar ik voelde niets.*
Ze hebben me afgerost, maar ik merkte het niet.
Wanneer zal ik wakker worden?+
Ik neem er nog een.’*
2 Want hun hart mediteert over geweld
en hun lippen spreken over ellende.
7 Ware wijsheid is onbereikbaar voor een dwaas.+
In de stadspoort heeft hij niets te zeggen.
12 Als je zegt: ‘Maar we wisten er niets van’,
13 Mijn zoon, eet honing, want dat is goed.
Raathoning smaakt zoet.
14 Besef ook dat wijsheid goed voor je* is.+
Als je die vindt zul je een toekomst hebben
en zal je hoop niet verdwijnen.+
15 Wees niet zo slecht een hinderlaag te leggen bij het huis van de rechtvaardige.
Vernietig zijn verblijfplaats niet.
16 De rechtvaardige kan zeven keer vallen en hij zal weer opstaan,+
maar de goddelozen zullen door rampspoed tot struikelen worden gebracht.+
17 Als je vijand valt, wees dan niet blij,
en als hij struikelt, laat je hart dan geen vreugde voelen.+
19 Wind je niet op* over slechte mensen.
De lamp van slechte mensen wordt uitgedoofd.+
22 Want plotseling zal hun ongeluk komen.+
Wie weet wat voor ondergang beiden* over hen zullen brengen?+
24 Wie tegen de slechte zegt: ‘Je bent rechtvaardig’,+
wordt door de volken vervloekt en door de naties veroordeeld.
25 Maar het zal goed gaan met wie hem terechtwijzen.+
Ze zullen gezegend worden met goede dingen.+
26 Mensen zullen de lippen kussen van iemand die een eerlijk antwoord geeft.*+
27 Regel eerst je werk buiten en maak alles klaar op het land.
Bouw daarna je huis.*
28 Getuig niet tegen je naaste zonder enige grond.+
Gebruik je lippen niet om anderen te bedriegen.+
29 Zeg niet: ‘Wat hij mij heeft aangedaan doe ik hem aan.
Ik zet het hem betaald.’+
31 Ik zag dat het overwoekerd was met onkruid.
De grond was bedekt met netels
en de stenen muur lag in puin.+
32 Ik keek ernaar en nam het ter harte,
ik zag het en leerde de volgende les:*
33 nog even slapen, nog even sluimeren,
nog even de handen over elkaar om te rusten,
34 en armoede zal je overvallen als een rover,
gebrek als een gewapend man.+
25 Ook dit zijn spreuken van Salomo,+ die de mannen van koning Hizki̱a+ van Juda hebben opgeschreven:*
3 Zoals de hemel hoog is en de aarde diep,
zo is het hart van koningen onpeilbaar.
6 Eer jezelf niet voor de koning+
en neem niet plaats bij de prominenten,+
7 want het is beter dat hij tegen je zegt ‘Kom hierheen, hogerop’
dan dat hij je vernedert in het bijzijn van een vooraanstaand persoon.+
8 Stort je niet overhaast in een rechtszaak,
want wat zul je uiteindelijk doen als je naaste je te schande maakt?+
10 Anders zal degene die luistert je in verlegenheid brengen
en verspreid je een slecht bericht* dat niet terug te nemen is.
12 Als een gouden oorring en een sieraad van zuiver goud
is de terechtwijzing van een wijze voor een horend oor.+
13 Als de koelte van sneeuw op de dag van de oogst
is een betrouwbare boodschapper voor wie hem sturen,
14 Als wolken en wind die geen regen brengen
is een man die opschept over een geschenk dat hij nooit geeft.*+
16 Als je honing vindt, eet dan alleen wat je nodig hebt,
want als je te veel neemt, braak je het misschien weer uit.+
17 Zet je voet niet te vaak in het huis van je naaste,
anders krijgt hij genoeg van je en gaat hij je haten.
18 Als een strijdknots en een zwaard en een scherpe pijl
is een man die een vals getuigenis aflegt tegen zijn naaste.+
19 Zoals een gebroken tand of een wankelende voet,
zo is het vertrouwen op een onbetrouwbaar persoon* in moeilijke tijden.
20 Als kleding uittrekken op een koude dag
en als azijn gieten bij soda,*
is liedjes zingen voor een somber hart.+
21 Als je vijand* honger heeft, geef hem dan brood te eten.
Als hij dorst heeft, geef hem dan water te drinken.+
24 Je kunt beter op een hoek van het dak wonen
26 Als een troebele bron en een vervuilde put
is een rechtvaardige die toegeeft aan* een slecht mens.
26 Zoals sneeuw niet bij de zomer past en regen niet bij de oogsttijd,
zo past eer niet bij een dwaas.+
2 Net zoals een vogel reden heeft om te vluchten en een zwaluw om te vliegen,
zo komt een vervloeking niet zonder werkelijke reden.*
6 Als iemand die zijn eigen voeten verminkt en zichzelf schade toebrengt,*
is de man die zaken toevertrouwt aan een dwaas.
9 Als een doornstruik in de hand van een dronkaard
is een spreuk in de mond van een dwaas.
10 Als een boogschutter die in het wilde weg schiet,*
is iemand die een dwaas of een voorbijganger inhuurt.
12 Heb je een man gezien die denkt dat hij wijs is?+
Er is meer hoop voor een dwaas dan voor hem.
16 De luiaard denkt dat hij wijzer is
dan zeven mensen die een verstandig antwoord geven.
17 Als iemand die een hond bij zijn oren grijpt,
is een voorbijganger die zich boos maakt over* een ruzie die hem niet aangaat.+
18 Zoals een waanzinnige die brandende projectielen en dodelijke pijlen* afschiet,
19 zo is de man die een ander beetneemt en zegt: ‘Het was maar een grap!’+
21 Als houtskool op smeulende kolen en hout op het vuur
is een ruziemaker die een ruzie laat oplaaien.+
22 De woorden van een lasteraar zijn als lekkernijen*
die men graag naar binnen laat glijden, tot diep in de buik.+
24 Wie anderen haat, verbloemt dat met zijn lippen,
maar in zijn binnenste schuilt bedrog.
26 Hoewel bedrog zijn haat verhult,
zal zijn slechtheid onthuld worden in de gemeente.
3 Een steen is zwaar en zand weegt veel,
maar de ergernis die een dwaas veroorzaakt is zwaarder dan beide.+
5 Openlijke terechtwijzing is beter dan verborgen liefde.+
7 Als je* genoeg gegeten hebt, sla je raathoning af,
maar als je honger hebt,* smaakt het bittere nog zoet.
9 Olie en wierook maken het hart vrolijk,
10 Laat je vriend niet vallen, ook die van je vader niet,
en ga niet naar het huis van je broer op de dag van ellende.
Beter een buurman dichtbij dan een broer ver weg.+
12 Wie verstandig is ziet het gevaar en verbergt zich,+
maar wie onervaren is gaat gewoon door en moet de gevolgen dragen.*
13 Staat iemand borg voor een vreemde, neem dan zijn mantel.
Doet hij dat voor een buitenlandse vrouw,* neem dan zijn onderpand.+
14 Als iemand een ander ’s morgens vroeg luidkeels zegent,
wordt het hem als een vloek aangerekend.
15 Een vrouw die altijd ruzie zoekt* is als een dak dat altijd lekt wanneer het regent.+
16 Wie haar in bedwang kan houden, kan de wind in bedwang houden
en kan olie in zijn rechterhand houden.
17 IJzer scherpt ijzer.
Zo scherpt een man zijn vriend.*+
18 Wie voor een vijgenboom zorgt zal zijn vruchten eten+
en wie voor zijn meester zorgt zal geëerd worden.+
19 Zoals water iemands gezicht weerspiegelt,
zo weerspiegelt het hart van de ene mens dat van de ander.
20 Het Graf en de plaats van vernietiging* raken nooit verzadigd+
en ook de ogen van een mens hebben nooit genoeg.
21 De smeltkroes is voor zilver en de smeltoven voor goud.+
Zo wordt iemand getoetst door de lof die hij krijgt.*
22 Al stamp je een dwaas met een stamper
zoals je graan plet in een vijzel,
hij zal zijn dwaasheid niet kwijtraken.
23 Je moet je kudde goed kennen.*
25 Het groene gras verdwijnt, nieuw gras verschijnt
en de plantengroei van de bergen wordt verzameld.
26 De jonge rammen leveren kleding
en de bokken leveren de prijs van een veld.
27 En er zal voldoende geitenmelk zijn om jou te voeden,
om je gezin te voeden en om je dienstmeisjes te voeden.
28 De slechten vluchten terwijl niemand ze achtervolgt,
2 Als er opstand* in het land is, komt de ene vorst na de andere.+
Maar krijgt een vorst* hulp van iemand met inzicht en kennis, dan blijft hij jarenlang aan.+
4 Wie de wet niet naleven prijzen de slechte,
maar wie de wet wel naleven zijn verontwaardigd over hen.+
7 Een verstandige zoon houdt zich aan de wet,
maar een vriend van veelvraten maakt zijn vader te schande.+
8 Wie zijn vermogen vermeerdert door rente+ en woekerwinst,
verzamelt het voor iemand die goed is voor de armen.+
10 Wie oprechte mensen het verkeerde pad op leidt zal in zijn eigen kuil vallen,+
maar wie onberispelijk is, zal het goede erven.+
12 Als de rechtvaardigen overwinnen, krijgt alles glans,
maar komen de slechten aan de macht, dan zoeken de mensen dekking.+
13 Wie zijn fouten bedekt zal geen succes hebben,+
maar wie ze bekent en vermijdt, ondervindt barmhartigheid.+
15 Als een brullende leeuw en een dreigende beer
is een slecht mens die over een weerloos volk heerst.+
16 Een leider zonder inzicht misbruikt zijn macht,+
maar wie oneerlijke winst haat verlengt zijn leven.+
17 Wie met bloedschuld* beladen is, blijft vluchten tot aan het graf.*+
Laat niemand hem helpen.
19 Wie zijn land bebouwt zal volop brood hebben,
maar wie zinloze dingen najaagt zal volop armoede kennen.+
20 Wie betrouwbaar is krijgt veel zegeningen,+
maar wie snel rijk wil worden blijft niet onschuldig.+
23 Wie een ander terechtwijst+ krijgt uiteindelijk meer waardering+
dan iemand die zijn tong voor vleierij gebruikt.
24 Wie zijn vader en moeder berooft en zegt: ‘Het is niets verkeerds’,+
is een vriend van de verwoester.+
27 Wie aan de arme geeft zal niets tekortkomen,+
maar veel vervloekingen wachten degene die zijn ogen ervoor sluit.
28 Als de slechten aan de macht komen zoekt men dekking,
maar als ze ten onder gaan nemen de rechtvaardigen weer toe.+
29 Wie na veel terechtwijzingen halsstarrig blijft,*+
wordt plotseling gebroken zonder hoop op genezing.+
2 Als er veel rechtvaardigen zijn is het volk gelukkig,
maar onder een slechte heerser zucht het volk.+
3 Wie wijsheid liefheeft maakt zijn vader blij,+
maar wie met hoeren omgaat jaagt zijn vermogen erdoorheen.+
4 Met gerechtigheid maakt een koning een land stabiel,+
maar wie graag steekpenningen aanneemt ruïneert het.
7 De rechtvaardige heeft aandacht voor de rechten van de armen,+
maar de slechte is daar niet in geïnteresseerd.+
9 Als een wijze een geschil heeft met een dwaas,
zal er gelach en geschreeuw zijn maar geen genoegdoening.+
15 De stok* en terechtwijzing geven wijsheid,+
maar een kind dat alles mag, maakt zijn moeder te schande.
16 Hoe meer slechte mensen, hoe meer overtredingen,
maar de rechtvaardigen zullen hun ondergang zien.+
17 Corrigeer je zoon en hij zal je rust geven.
Hij zal een bron van vreugde voor je* zijn.+
19 Met woorden laat een slaaf zich niet corrigeren,
want hij begrijpt ze wel maar stoort zich er niet aan.+
20 Heb je weleens iemand gezien die snel met zijn woorden klaarstaat?+
Er is voor een dwaas meer hoop dan voor hem.+
21 Als je een slaaf van jongs af aan verwent,
wordt hij later ondankbaar.
24 De handlanger van een dief haat zichzelf.*
Hij hoort dat er getuigen worden opgeroepen,* maar hij meldt niets.+
30 De gewichtige boodschap in de woorden van A̱gur, de zoon van Ja̱ke, die hij sprak tot I̱thiël, tot I̱thiël en U̱chal.
3 Ik heb geen wijsheid geleerd
en ik heb geen kennis van de Allerheiligste.
4 Wie is naar de hemel opgestegen en weer neergedaald?+
Wie heeft de wind verzameld in de palm van zijn handen?
Wie heeft de wateren in zijn mantel gewikkeld?+
Wie heeft alle einden van de aarde bepaald?*+
Wat is zijn naam en de naam van zijn zoon — als je het weet?
5 Elk woord van God is gelouterd.+
Hij is een schild voor wie bescherming bij hem zoekt.+
7 Twee dingen vraag ik van u.
Weiger ze mij niet voordat ik sterf.
8 Houd onwaarheid en leugens ver van mij.+
Geef me geen armoede en ook geen rijkdom.
Laat me slechts mijn portie voedsel eten,+
9 anders zou ik misschien verzadigd raken en u verloochenen en zeggen: ‘Wie is Jehovah?’+
Laat ook niet toe dat ik arm word, ga stelen en de naam van mijn God te schande maak.*
10 Belaster een slaaf niet bij zijn meester,
anders zal hij je vervloeken en word je schuldig bevonden.+
12 Er is een generatie die zuiver is in haar eigen ogen+
maar die niet gereinigd is van haar vuiligheid.*
14 Er is een generatie met tanden als zwaarden
en met kaken als slachtmessen.
Ze verslinden de zwakken van de aarde
en de armen van de mensheid.+
15 De bloedzuigers hebben twee dochters die roepen ‘geef, geef’.
Er zijn drie dingen die niet worden verzadigd,
vier die nooit zeggen ‘genoeg’:
16 het Graf*+ en een onvruchtbare moederschoot,
een land met gebrek aan water
en vuur dat nooit zegt ‘genoeg’.
17 Het oog dat een vader bespot en gehoorzaamheid aan een moeder veracht,+
zal door de raven van het dal* worden uitgepikt
en door de jonge arenden worden opgegeten.+
18 Er zijn drie dingen die mijn begrip te boven gaan,*
vier die ik niet begrijp:
19 de weg van een arend door de lucht,
de weg van een slang over een rots,
de weg van een schip op open zee
en de weg van een man bij een jonge vrouw.
20 Dit is de weg van een overspelige vrouw:
ze eet en veegt haar mond af
en zegt dan: ‘Ik heb niets verkeerds gedaan.’+
21 Er zijn drie dingen die de aarde laten schudden,
vier die ze niet kan verdragen:
22 een slaaf die regeert als koning,+
een dwaas die zich volpropt met eten,
29 Er zijn er drie die een imposante tred hebben,
vier die imposant voortschrijden:
30 de leeuw, de machtigste onder de dieren,
die voor niemand terugdeinst,+
31 de windhond, de geitenbok
en een koning aan het hoofd van zijn leger.
32 Als je zo dwaas bent jezelf te verheffen+
of als je dat van plan bent,
leg dan je hand op je mond.+
33 Want als je melk karnt krijg je boter,
als je op de neus slaat krijg je bloed
en als je woede opstookt krijg je ruzie.+
31 De woorden van koning Le̱muël, de gewichtige boodschap die zijn moeder hem als raad gaf:+
2 Wat moet ik je zeggen, mijn zoon,
wat, o zoon die ik gedragen heb,
ja, wat, o zoon van mijn geloften?+
4 Het past een koning niet, o Le̱muël,
het past een koning niet om wijn te drinken,
en leiders horen niet te zeggen: ‘Waar is de drank?’+
5 Anders gaan ze drinken en vergeten ze de wet
en schenden ze de rechten van de armen.
7 Laat ze drinken en hun armoede vergeten
en niet meer aan hun problemen denken.
א [alef]
10 Wie kan een bekwame* vrouw vinden?+
Ze is veel meer waard dan koralen.
ב [beth]
11 Haar man vertrouwt op haar met heel zijn hart
en het ontbreekt hem aan niets.
ג [gimel]
12 Ze is goed voor hem, nooit slecht,
alle dagen van haar leven.
ד [daleth]
ה [he]
ו [waw]
15 Ze staat al op als het nog nacht is
en geeft iedereen in haar huis te eten,
ook haar dienstmeisjes geeft ze hun deel.+
ז [zajin]
16 Ze zet haar zinnen op een veld en koopt het.
Ze plant een wijngaard van wat ze heeft verdiend.*
ח [cheth]
ט [teth]
18 Ze ziet dat haar handel winstgevend is.
’s Nachts gaat haar lamp niet uit.
י [jodh]
כ [kaf]
ל [lamedh]
21 Ze is niet bezorgd om haar gezin vanwege de sneeuw,
want iedereen in haar huis heeft warme* kleren.
מ [mem]
22 Ze maakt haar eigen spreien.
Haar kleding is van linnen en purperen wol.
נ [noen]
ס [samekh]
ע [ajin]
פ [pe]
צ [tsadhe]
ק [qof]
28 Haar kinderen staan op en prijzen haar gelukkig,
haar man staat op en spreekt vol lof over haar.
ר [resj]
ש [sjin]
30 Charme kan bedriegen en schoonheid kan vergaan,*+
maar de vrouw met ontzag voor Jehovah wordt geprezen.+
ת [taw]
31 Laat haar de vruchten plukken van* haar werk*+
en laten haar daden haar loven in de stadspoorten.+
Lett.: ‘om te kennen’.
Zie Woordenlijst.
Of ‘recht’.
Of ‘eerlijkheid’, ‘billijkheid’.
Of ‘wijze raad’.
Of ‘een gelijkenis’.
Of ‘de wet’.
Of ‘Sjeool’, het collectieve graf van de mensheid. Zie Woordenlijst.
Of ‘werp je lot in ons midden’.
Of ‘hebben we een gezamenlijke (geld)buidel’.
Of ‘hun ziel’.
Of ‘hun ziel’.
Lett.: ‘het hoofd’.
Of ‘keer je om als ik je terechtwijs’.
Lett.: ‘eten van de vrucht van hun weg’.
Of ‘listen’, ‘plannen’.
Lett.: ‘in veiligheid wonen’.
Of ‘rechtschapen’.
Zie Woordenlijst.
Lett.: ‘vreemde’. Kennelijk een vrouw die moreel vervreemd is van God.
Of ‘verleidende’.
Lett.: ‘buitenlandse’. Kennelijk een vrouw die moreel vervreemd is van God.
Of ‘de echtgenoot’.
Zie Woordenlijst.
Lett.: ‘sporen’.
Lett.: ‘bij haar binnengaan’.
Of ‘degenen die rechtschapen blijven’.
Of ‘wet’.
Of ‘waarheid’.
Of ‘op de tafel van je hart’.
Lett.: ‘steun’.
Lett.: ‘navel’.
Of ‘de eerstelingen’. Zie Woordenlijst.
Of ‘inkomen’.
Of ‘wijnpersen’.
Zie Woordenlijst.
Zie Woordenlijst.
Kennelijk de eigenschappen van God die in de voorgaande verzen genoemd zijn.
Of ‘je ziel’.
Of ‘zal je voet nergens tegen stoten’.
Of ‘aan wie het toekomt’.
Of ‘in de macht van je hand’.
Of ‘afgunstig’.
Zie Woordenlijst.
Of ‘wet’.
Of ‘voornaamste’.
Lett.: ‘neig je oor’.
Lett.: ‘vlees’.
Of ‘stralende ogen’.
Of mogelijk ‘denk goed na over’.
Lett.: ‘neig je oor’.
Lett.: ‘vreemde’. Zie Sp 2:16.
Of ‘Sjeool’, het collectieve graf van de mensheid. Zie Woordenlijst.
Of ‘kracht’.
Zie Woordenlijst.
Lett.: ‘in het midden van de vergadering en de gemeente’.
Of ‘fris’.
Of ‘vreugdedronken maken’.
Lett.: ‘vreemde’. Zie Sp 2:16.
Lett.: ‘buitenlandse’. Zie Sp 2:16.
D.w.z. bij een belofte.
Of ‘zijn ziel’.
Of ‘de wet’.
Of ‘raad geven’.
Zie Woordenlijst.
Lett.: ‘buitenlandse’. Zie Sp 2:16.
Of ‘ziel’.
Of ‘om zijn ziel te vullen als hij honger heeft’.
Lett.: ‘heeft gebrek aan hart’.
Of ‘de ondergang van zijn ziel’.
Of ‘losprijs’.
Of ‘wet’.
Of ‘op de tafel van je hart’.
Lett.: ‘vreemde’. Zie Sp 2:16.
Lett.: ‘buitenlandse’. Zie Sp 2:16.
Of ‘verleidende’.
Of ‘naïevelingen’.
Lett.: ‘met gebrek aan hart’.
Of ‘met het gewaad van’.
Lett.: ‘haar voeten blijven.’
Of ‘gemeenschapsoffers’. Zie Woordenlijst.
Of ‘de ketens’.
Of ‘ziel’.
Of ‘Sjeool’, het collectieve graf van de mensheid. Zie Woordenlijst.
Lett.: ‘de zonen van de mensen’.
Lett.: ‘begrijp het hart’.
Zie Woordenlijst.
Of ‘overgeërfde waarden’.
Of ‘sinds onheuglijke tijden’.
Of ‘voortgebracht als met weeën’.
Lett.: ‘een kring’.
Lett.: ‘sterk maakte’.
Of ‘verordende’.
Lett.: ‘mensenzonen’.
Of ‘waakt aan mijn deur’.
Of ‘zijn ziel’.
Lett.: ‘ze heeft haar slachting geslacht’.
Lett.: ‘met gebrek aan hart’.
Of ‘de onervarenen’.
Lett.: ‘met gebrek aan hart’.
Of ‘Sjeool’, het collectieve graf van de mensheid. Zie Woordenlijst.
Of ‘de ziel van de rechtvaardige’.
Of ‘reputatie van’.
Lett.: ‘geboden’.
Of ‘rechtschapen’.
Lett.: ‘degene met gebrek aan hart’.
Of ‘roede’.
Of ‘het waardevolle’.
Zie Woordenlijst.
Of mogelijk ‘is op de weg naar het leven’.
Of ‘geruchten’.
Of ‘geven leiding aan’.
Of ‘smart’, ‘ellende’.
Of ‘voor zijn baas’.
Of ‘hoop’.
Of ‘draagt de vrucht van’.
Of ‘bedrieglijke’.
Of ‘een volkomen weegsteen’.
Of ‘rechtschapenheid’.
Of ‘waardevolle dingen’.
Of ‘de goddeloze’.
Lett.: ‘degene met gebrek aan hart’.
Of ‘veracht’.
Lett.: ‘getrouw van geest’.
Lett.: ‘bedekt een zaak’.
Of ‘wijze raad’.
Of ‘redding’.
Of ‘wie handslag haat’.
Of ‘aantrekkelijke’.
Of ‘wie loyale liefde heeft’.
Of ‘doet zijn ziel goed’.
Of ‘schande’.
Of ‘met de weg van de onberispelijke’.
Lett.: ‘hand op hand’.
Lett.: ‘strooit rond’.
Of ‘vrijgevige ziel’.
Lett.: ‘zal vet worden gemaakt’.
Lett.: ‘rijkelijk te drinken geeft’.
Of ‘schande’.
Zie Woordenlijst.
Zie Woordenlijst.
Of ‘redeloos’.
Of ‘leiding’.
Lett.: ‘loeren op bloed’.
Lett.: ‘mond’.
Lett.: ‘brood’.
Of ‘de ziel van zijn vee’.
Of ‘barmhartigheid’.
Lett.: ‘heeft gebrek aan hart’.
Of ‘afgunstig’.
Lett.: ‘mond’.
Of ‘de weg van de dwaas is recht in zijn eigen ogen’.
Of ‘raad’.
Of ‘op dezelfde dag’.
Lett.: ‘bedekt’.
Lett.: ‘wat rechtvaardig is’.
Lett.: ‘zij die raadgevers van vrede zijn’.
Lett.: ‘het hart van de dwaas’.
Lett.: ‘de hand van de ijverigen’.
Of ‘maakt hem depressief’.
Zie Woordenlijst.
Lett.: ‘mond’.
Of ‘de ziel’.
Of ‘wat hij zegt’.
Of ‘ziel’.
Of ‘zijn ziel’.
Of ‘de ziel van de ijverige’.
Lett.: ‘zal vet worden gemaakt’.
Of ‘ziel’.
Lett.: ‘horen geen bestraffing’.
Lett.: ‘verheugt zich’.
Of ‘samen beraadslagen’.
Of ‘rijkdom uit ijdelheid’.
Lett.: ‘met de hand verzamelt’.
Of ‘hoop’.
Of ‘het woord’.
Of ‘de wet’.
Of ‘terechtwijzing’.
Of ‘ziel’.
Lett.: ‘wandelt’.
Of ‘hem’.
Of ‘roede’, ‘correctie’, ‘straf’.
Of mogelijk ‘corrigeert hem meteen’.
Of ‘en zijn ziel raakt verzadigd’.
Of ‘kromme’.
Of mogelijk ‘anderen’.
Of ‘vergoeding’.
Of ‘zijn inschikkelijk’.
Of ‘de bitterheid van je ziel’.
Of ‘onervarene’.
Of ‘razend’.
Of ‘de man van denkvermogen’.
Of ‘onervarenen’.
Of ‘zielen’.
Of ‘gezondheid’.
Of ‘rechtschapenheid’.
Of ‘zacht’.
Of ‘kwetsende’.
Of ‘een tong die geneest’.
Lett.: ‘het verbrijzelen van de geest’.
Zie Woordenlijst.
Of ‘terechtwijzing’.
Of ‘het inkomen van de slechte’.
Of ‘hard’.
Of ‘Sjeool’, het collectieve graf van de mensheid. Zie Woordenlijst.
Of ‘en Abaddon’.
Of ‘terechtwijst’.
Of ‘streeft naar’.
Of ‘verwarring’.
Lett.: ‘aan de voederbak gemeste’.
Of ‘wie niet snel kwaad wordt’.
Lett.: ‘degene met gebrek aan hart’.
Of ‘vertrouwelijk gesprek’.
Lett.: ‘in het antwoord van zijn mond’.
Of ‘Sjeool’, het collectieve graf van de mensheid. Zie Woordenlijst.
Of ‘schande’.
Of ‘overdenkt goed wat het moet antwoorden’, ‘denkt na voordat het spreekt’.
Of ‘een vrolijke blik’.
Lett.: ‘maakt de botten vet’.
Of ‘ziel’.
Lett.: ‘hart’.
Of ‘het juiste antwoord’. Lett.: ‘het antwoord van de tong’.
Lett.: ‘zuiver’.
Lett.: ‘geesten’.
Lett.: ‘wentel je werken op Jehovah’.
Of ‘voornemen’.
Lett.: ‘hand op hand’.
Of ‘een besluit van God’.
Of ‘vermijdt’.
Of ‘behoudt zijn ziel’.
Lett.: ‘een hoogmoedige geest’.
Of ‘ootmoedig van geest’.
Lett.: ‘het goede vinden’.
Of ‘aangename woorden spreekt’. Lett.: ‘zoetheid van lippen’.
Zie Woordenlijst.
Of ‘de ziel’.
Lett.: ‘mond’.
Of ‘intrigant’.
Of ‘eervolle’.
Lett.: ‘over zijn geest heerst’.
Of ‘rust’.
Lett.: ‘slachtoffers’.
Of ‘kleinkinderen’.
Of ‘ouders’.
Of ‘kinderen’.
Of ‘goede’.
Of ‘edele’.
Of ‘een steen die de bezitter gunst brengt’.
Lett.: ‘bedekt’.
Of ‘als een opening maken in een dam’. Lett.: ‘wateren de vrije loop laten’.
Of ‘geen verstand heeft’.
Lett.: ‘met gebrek aan hart’.
Lett.: ‘niet het goede vinden’.
Of ‘bevordert de genezing’.
Of ‘droogt de botten uit’.
Lett.: ‘uit de boezem’.
Lett.: ‘bitterheid’.
Of ‘een boete op te leggen’.
Lett.: ‘kalm van geest’.
Of ‘toont minachting voor’.
Of ‘zijn ziel’.
Of ‘dingen die gulzig worden ingeslikt’.
Lett.: ‘en wordt omhooggebracht’, d.w.z. buiten bereik, veilig.
Of ‘totale wanhoop’.
Of ‘doorvorst’.
Lett.: ‘scheidt’.
Lett.: ‘mond’.
Of ‘goede wil’.
Of ‘rechtschapen’.
Of ‘een ziel’.
Lett.: ‘zich haast met zijn voeten’.
Of ‘een vrijgevig man’.
Lett.: ‘hart verwerft’.
Of ‘zijn ziel’.
Lett.: ‘het goede vinden’.
Of ‘overtreding’.
Lett.: ‘voorbijgaat’.
Of ‘een jonge leeuw met manen’.
Of ‘zeurt’.
Of ‘een lakse ziel’.
Of ‘behoudt zijn ziel’.
Of ‘belonen’.
Of ‘verlang niet naar’. Lett.: ‘hef je ziel niet op naar’.
Zie Woordenlijst.
Of ‘het doel’, ‘het voornemen’.
Of ‘onhandelbaar’.
Of ‘afschrikwekkendheid’.
Of ‘een jonge leeuw met manen’.
Of mogelijk ‘hij zal zoeken tijdens de oogst maar niets vinden’.
Of ‘bedoelingen’. Lett.: ‘raad’.
Of ‘rechtschapenheid’.
Lett.: ‘zonen’.
Of ‘oneerlijke gewichten en valse maatkannen’.
Of ‘jongen’.
Of ‘een buitenlander’.
Of ‘door bedrog verkregen’.
Of ‘raad’.
Of ‘tot stand komen’.
Of ‘wijze raad’.
Of ‘die met zijn lippen verleidt’.
Of ‘twee verschillende weegstenen’.
Of ‘weten welke weg hij moet gaan’.
Of ‘schuren het kwaad weg’.
Of ‘motieven’.
Of ‘voordeel’.
Of mogelijk ‘voor wie de dood zoeken’.
Of ‘zeurt’.
Of ‘de ziel van een slecht mens’.
Of ‘weet hij wat hij moet doen’.
Lett.: ‘steekpenningen in de boezem’.
Of ‘graag plezier maakt’.
Of ‘zeurt’.
Lett.: ‘slokt op’.
Of ‘overwinnen’.
Of ‘zijn ziel’.
Of ‘met schaamteloos gedrag’.
Lett.: ‘zal voor altijd spreken’.
Of ‘maakt zijn weg vast’.
Of ‘een goede reputatie’. Lett.: ‘een naam’.
Lett.: ‘gunst’.
Lett.: ‘komen samen’.
Of ‘de straf ondergaan’.
Of ‘ziel’.
Of ‘leid een kind op in de juiste weg’.
Lett.: ‘hij die een goed oog heeft’.
Of ‘rechtszaken’.
Lett.: ‘vreemde’. Zie Sp 2:16.
Of ‘kind’, ‘jongere’.
Of ‘roede’.
Zie Woordenlijst.
Of ‘van de ziel beroven’.
Of ‘je ziel’.
Of ‘houd je in’.
Of ‘een ziel vol verlangen’.
Of mogelijk ‘ga niet af op je eigen verstand’.
Of ‘van iemand die een boos oog heeft’.
Of ‘in zijn ziel berekeningen maakt’.
Lett.: ‘zijn hart is niet met je’.
Of ‘vaderloos kind’.
Lett.: ‘Verlosser’.
Zie Woordenlijst.
Of ‘kind’, ‘jongere’.
Of ‘roede’.
Of ‘roede’.
Of ‘zijn ziel’.
Of ‘Sjeool’, het collectieve graf van de mensheid. Zie Woordenlijst.
Lett.: ‘mijn nieren’.
Of ‘afgunstig’.
Of ‘verkrijg’.
Of ‘mogen je ogen vreugde vinden’.
Lett.: ‘vreemde’. Zie Sp 2:16.
Of ‘dofheid van’.
Of ‘samenkomen om (...) uit te proberen’.
Of ‘geen pijn’.
Of ‘ik zal het nog eens zoeken’.
Of ‘afgunstig’.
Of ‘huisgezin’.
Of ‘wijze raad’.
Of ‘succes’, ‘redding’.
Of ‘domme plannen’.
Of ‘in moeilijke tijden’.
Of ‘motieven’.
Of ‘je ziel’.
Of ‘zoet voor je ziel’.
D.w.z. de vijand.
Of ‘betoon je niet verhit’.
Of ‘afgunstig’.
Of ‘wie voor verandering zijn’.
D.w.z. Jehovah en de koning.
Of mogelijk ‘een eerlijk antwoord is als een kus’.
Of ‘huisgezin’.
Lett.: ‘met gebrek aan hart’.
Lett.: ‘en aanvaardde de correctie’.
Of ‘gekopieerd en verzameld’.
Of ‘de geheimen van anderen’.
Of ‘boosaardig gerucht’.
Of ‘zettingen’.
Of ‘de ziel van zijn meester’.
Lett.: ‘een leugenachtig geschenk’.
Of ‘zachte’.
Of mogelijk ‘verrader’.
Of ‘alkali’.
Lett.: ‘wie je haat’.
D.w.z. om iemand zachter te maken en zijn hardheid te laten wegsmelten.
Of ‘zeurt’.
Zie Woordenlijst.
Of ‘een compromis sluit met’. Lett.: ‘wankelt voor’.
Of ‘die zijn geest niet in bedwang heeft’.
Of mogelijk ‘zo komt een onterechte vervloeking niet uit’.
Of ‘roede’.
Of ‘zodat je je niet aan hem gelijk maakt’.
Lett.: ‘geweld drinkt’.
Of ‘bungelend’.
Of ‘die iedereen verwondt’.
Of ‘pengat’.
Of mogelijk ‘zich bemoeit met’.
Of ‘en pijlen en dood’.
Of ‘dingen die gulzig worden ingeslikt’.
Lett.: ‘vurige lippen met’.
Of ‘want zijn hart is compleet walgelijk’.
Lett.: ‘zal baren’.
Lett.: ‘vreemde’.
Lett.: ‘een buitenlander’.
Of mogelijk ‘geeft onoprechte kussen’.
Of ‘een ziel’.
Of ‘voor de hongerige ziel’.
Of ‘wegvlucht’.
Of ‘wegvlucht’.
Of ‘uit de raad van de ziel’.
Of ‘uitdaagt’, ‘hoont’.
Of ‘de straf ondergaan’.
Of ‘een buitenlander’.
Of ‘zeurt’.
Lett.: ‘het gezicht van zijn vriend’.
Of ‘Sjeool en Abaddon’.
Of ‘zo is een man overeenkomstig zijn lof’.
Of ‘je moet goed weten hoe je kudde eruitziet’.
Of ‘zet je hart op’, ‘geef aandacht aan’.
Of ‘diadeem’.
Of ‘een jonge leeuw’.
Of ‘overtreding’.
Lett.: ‘hij’.
Of ‘rechtschapen’.
Of ‘wiens weg corrupt is’.
Of ‘die nooit zonder angst is’.
Of ‘met het bloed van een ziel’.
Of ‘de kuil’.
Of ‘afgunstig’, ‘hebzuchtig’.
Of mogelijk ‘de arrogante ziel’.
Lett.: ‘zal vet worden gemaakt’.
Lett.: ‘zijn nek verhardt’.
Of ‘onberispelijken’.
Of ‘hun ziel’.
Of mogelijk ‘maar de oprechte probeert zijn leven te beschermen’.
Lett.: ‘geest’.
Lett.: ‘ontmoeten elkaar’.
D.w.z. hij geeft ze leven.
Of ‘roede’, ‘correctie’, ‘straf’.
Of ‘je ziel’.
Of ‘leiding van God’.
Of ‘zijn eigen ziel’.
Of ‘misschien hoort hij een eed met een vervloeking’.
Of ‘mensenvrees legt’.
Of mogelijk ‘zoeken de gunst van’. Lett.: ‘zoeken het gezicht van’.
Lett.: ‘opgericht’.
Of ‘en me vergrijp aan’.
Lett.: ‘uitwerpselen’.
Of ‘Sjeool’, het collectieve graf van de mensheid. Zie Woordenlijst.
Of ‘de wadi’.
Of ‘te wonderlijk voor mij zijn’.
Of ‘onbeminde’.
Of ‘haar meesteres verdringt’.
Of ‘buitengewoon’.
Lett.: ‘een volk, niet sterk’.
Lett.: ‘een volk, niet machtig’.
Of ‘in groepen verdeeld’.
Of ‘die bitter van ziel zijn’.
Of ‘bepleit de zaak’.
Of ‘uitstekende’.
Of ‘van haar eigen inspanningen’. Lett.: ‘van de vrucht van haar handen’.
Lett.: ‘omgordt haar heupen met kracht’.
Het spinrokken en de spoel waren stokken die werden gebruikt bij het spinnen of om draad en garen te maken.
Lett.: ‘dubbele’.
Of ‘onderkleding’.
Of ‘lacht een toekomstige dag toe’.
Of ‘liefdevol onderwijs’, ‘de wet van loyale liefde’.
Of ‘uitstekende’.
Of ‘kan leeg zijn’.
Of ‘geef haar de beloning voor’.
Lett.: ‘handen’.