Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • nwt Zefanja 1:1-3:20
  • Zefanja

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Zefanja
  • Nieuwewereldvertaling van de Bijbel
Nieuwewereldvertaling van de Bijbel
Zefanja

ZEFANJA

1 Het woord van Jehovah dat kwam tot Zefa̱nja,* de zoon van Ku̱schi, zoon van Geda̱lja, zoon van Ama̱rja, zoon van Hizki̱a, toen Josi̱a,+ de zoon van A̱mon,+ koning van Juda was:

 2 ‘Ik zal alles volledig wegvagen van de aardbodem’, verklaart Jehovah.+

 3 ‘Mens en dier zal ik wegvagen.

De vogels van de hemel en de vissen van de zee zal ik wegvagen,+

en de struikelblokken*+ samen met de slechten.

Ik laat de mensen van de aardbodem verdwijnen’, verklaart Jehovah.

 4 ‘Ik zal mijn hand uitstrekken tegen Juda

en tegen alle inwoners van Jeruzalem.

Ik zal elk spoor* van Baäl uit deze plaats wegwissen,+

de naam van de afgodenpriesters* samen met de priesters.+

 5 Ik zal wegvagen wie zich op de daken neerbuigen voor het hemelse leger+

en wie zich neerbuigen en trouw zweren aan Jehovah+

terwijl ze ook trouw zweren aan Ma̱lkam.+

 6 Ik zal wegvagen wie Jehovah niet langer volgen,+

Jehovah niet zoeken en hem niet raadplegen.’+

 7 Wees stil voor de Soevereine Heer Jehovah, want de dag van Jehovah is dichtbij.+

Jehovah heeft een slachtoffer klaargemaakt, hij heeft zijn genodigden geheiligd.

 8 ‘Op de dag van Jehovah’s slachtoffer zal ik de vorsten ter verantwoording roepen,

de koningszonen+ en allen die buitenlandse kleding dragen.

 9 Op die dag zal ik iedereen ter verantwoording roepen die op de verhoging* klimt,

iedereen die het huis van zijn meester vult met geweld en bedrog.’

10 Jehovah verklaart: ‘Op die dag

klinkt er geschreeuw uit de Vispoort,+

gejammer uit het Tweede Stadsdeel+

en luid gekraak uit de heuvels.

11 Jammer, inwoners van Ma̱ktes,*

want alle handelaars zijn tot zwijgen gebracht,

allen die zilver afwegen zijn vernietigd.

12 In die tijd zal ik Jeruzalem grondig doorzoeken met lampen

en roep ik de onverschilligen* ter verantwoording, die bij zichzelf* zeggen:

“Jehovah zal geen goed doen en hij zal geen kwaad doen.”+

13 Hun rijkdom zal worden geplunderd en hun huizen verwoest.+

Ze zullen huizen bouwen maar er niet in wonen.

Ze zullen wijngaarden planten maar de wijn niet drinken.+

14 De grote dag van Jehovah is dichtbij!+

Hij is dichtbij en nadert heel snel!*+

Het geluid van de dag van Jehovah is bitter.+

Een dappere krijger schreeuwt het dan uit.+

15 Die dag is een dag van woede,+

een dag van angst en benauwdheid,+

een dag van onweer en verwoesting,

een dag van duisternis en donkerheid,+

een dag van wolken en diepe duisternis,+

16 een dag van hoorngeschal en krijgsgeschreeuw+

tegen de vestingsteden en tegen de hoge hoektorens.+

17 Ik zal de mensen angst aanjagen

en ze zullen rondlopen als blinden,+

want ze hebben gezondigd tegen Jehovah.+

Hun bloed zal worden uitgestort alsof het stof is,

hun vlees* alsof het mest is.+

18 Hun zilver en goud kan ze niet redden op de dag van Jehovah’s woede.+

Het vuur van zijn ijver zal de hele aarde verteren,+

want hij zal alle bewoners van de aarde uitroeien. Ja, het zal verschrikkelijk zijn.’+

2 Kom samen, ja, kom bijeen,+

o volk dat geen schaamte kent.+

 2 Voordat het besluit in werking treedt,

voordat de dag voorbijgaat als kaf,

voordat de brandende woede van Jehovah over jullie komt,+

voordat de dag van Jehovah’s woede over jullie komt,

 3 moeten jullie Jehovah zoeken,+ zachtmoedigen* van de aarde,

die zijn rechtvaardige besluiten* naleven.

Zoek rechtvaardigheid, zoek zachtmoedigheid.*

Misschien* word je verborgen op de dag van Jehovah’s woede.+

 4 Want Gaza zal een verlaten stad worden

en A̱skelon een woestenij.+

A̱sdod zal op klaarlichte dag* worden verdreven

en E̱kron ontworteld.+

 5 ‘Wee jullie die aan de zeekust wonen, volk van Kerethieten!+

Het woord van Jehovah is tegen jullie.

O Kanaän, land van de Filistijnen, ik zal je vernietigen,

er zal geen bewoner overblijven.

 6 En de zeekust zal weidegrond worden

met putten voor herders en stenen kooien voor schapen.

 7 De streek zal voor de overgeblevenen van het huis van Juda zijn.+

Daar zullen ze weiden.

In de huizen van A̱skelon zullen ze ’s avonds gaan liggen.

Want Jehovah, hun God, zal zijn aandacht op hen richten*

en hun gevangenen terugbrengen.’+

 8 ‘Ik heb de spot van Moab+ en de beledigingen van de Ammonieten gehoord,+

die mijn volk hebben bespot en hun gebied trots hebben bedreigd.+

 9 Daarom, zo zeker als ik leef,’ verklaart Jehovah van de legermachten, de God van Israël,

‘Moab zal worden als Sodom+

en de Ammonieten als Gomorra:+

een plaats van netels, een zoutput en voor altijd een woestenij.+

De overgeblevenen van mijn volk zullen hen plunderen,

het overblijfsel van mijn natie zal hen uit hun bezit verdrijven.

10 Dat zal hun overkomen vanwege hun trots,+

omdat ze zich spottend verheven hebben tegen het volk van Jehovah van de legermachten.

11 Jehovah zal ontzagwekkend* voor hen zijn,

want hij zal alle goden van de aarde tot niets maken.*

Alle eilanden van de volken zullen voor hem buigen,*+

elk vanuit zijn plaats.

12 Ethiopiërs, ook jullie zullen sneuvelen door mijn zwaard.+

13 Hij zal zijn hand uitstrekken naar het noorden en Assyrië vernietigen.

Hij zal van Ninevé een woestenij maken,+ zo dor als een woestijn.

14 Kudden zullen er neerliggen, allerlei wilde dieren.*

Pelikanen en stekelvarkens zullen overnachten tussen de kapitelen* van haar zuilen.

Een stem zal zingen in het venster.

Er zal verwoesting zijn op de drempel,

want hij zal de cederhouten panelen blootleggen.

15 Dit is de trotse stad die veilig zat,

die bij zichzelf* zei: “Ik ben het en er is niemand anders.”

Wat een schrikbeeld is ze geworden,

een plaats waar de wilde dieren gaan liggen!

Iedereen die er voorbijgaat zal fluiten en zijn vuist ballen.’+

3 Wee de opstandige, besmette, onderdrukkende stad!+

 2 Ze gehoorzaamt geen stem,+ aanvaardt geen correctie.*+

Ze vertrouwt niet op Jehovah,+ nadert niet tot haar God.+

 3 Haar vorsten zijn brullende leeuwen.+

Haar rechters zijn wolven in de avond.

Tegen de morgen hebben ze geen bot overgelaten om op te knagen.

 4 Haar profeten zijn onbeschaamde verraders.+

Haar priesters ontwijden wat heilig is,+

ze doen de wet geweld aan.+

 5 Jehovah is rechtvaardig in haar midden,+ hij doet geen onrecht.

Morgen na morgen maakt hij zijn oordelen bekend,+

net zo zeker als de dag weer aanbreekt.

Maar de onrechtvaardige kent geen schaamte.+

 6 ‘Ik heb volken vernietigd, hun hoektorens liggen in puin.

Ik heb hun straten zo verwoest dat niemand er nog door kan.

Hun steden liggen in puin, er is niemand meer, geen enkele inwoner.+

 7 Ik zei: “Heb toch ontzag voor mij en aanvaard correctie.”+

Dan zou haar woonplaats niet vernietigd worden+

— ik moet haar voor dit alles ter verantwoording roepen.*

Maar zij waren er nog meer op uit zich te misdragen.+

 8 “Blijf mij dus verwachten,”*+ verklaart Jehovah,

“tot de dag dat ik opsta om buit te halen,*

want het is mijn rechterlijke beslissing om volken te verzamelen, om koninkrijken bijeen te brengen,

om mijn verontwaardiging over ze uit te storten, heel mijn brandende woede.+

Het vuur van mijn ijver zal de hele aarde verteren.+

 9 Dan zal ik de taal van de volken veranderen in een zuivere taal,

zodat ze allemaal de naam van Jehovah aanroepen

en hem schouder aan schouder dienen.”*+

10 Uit de streek van de rivieren van Ethiopië

zullen degenen die mij smeken, mijn verstrooide volk,* mij een geschenk brengen.+

11 Op die dag zul je niet te schande worden gemaakt

voor al je opstandige daden tegen mij,+

want de hoogmoedige opscheppers zal ik dan uit je midden verwijderen.

Je zult nooit meer hoogmoedig zijn op mijn heilige berg.+

12 Ik zal toelaten dat er in jou een nederig, onbeduidend volk overblijft,+

en zij zullen hun toevlucht zoeken in de naam van Jehovah.

13 De overgeblevenen van Israël+ zullen geen onrecht doen.+

Ze zullen geen leugens spreken, in hun mond zal geen bedrieglijke tong worden gevonden.

Ze zullen weiden* en neerliggen en voor niemand bang zijn.’+

14 Juich, dochter Sion!

Juich in triomf, Israël!+

Wees vrolijk en blij met heel je hart, dochter Jeruzalem!+

15 Jehovah heeft de oordelen tegen jou weggenomen.+

Hij heeft je vijand weggejaagd.+

De Koning van Israël, Jehovah, is in je midden.+

Je zult geen onheil meer vrezen.+

16 Op die dag zal tegen Jeruzalem worden gezegd:

‘Wees niet bang, Sion.+

Laat de moed* niet zakken.

17 Jehovah, je God, is in je midden.+

Als een Machtige zal hij redden.

Hij zal over je juichen met grote vreugde.+

Hij zal stil* worden in zijn liefde.

Hij zal blij over je zijn met vreugdekreten.

18 Ik zal degenen verzamelen die treuren omdat ze niet op je feesten zijn.+

Ze waren afwezig vanwege de schande die ze voor haar dragen.+

19 In die tijd zal ik optreden tegen allen die je onderdrukken.+

Ik zal de kreupele redden,+

ik zal de verstrooiden bijeenbrengen.+

Ik zal ervoor zorgen dat ze roem* en eer krijgen

in heel het land waar ze veracht werden.

20 In die tijd zal ik jullie terugbrengen,

in de tijd dat ik jullie bijeenbreng.

Want ik zal ervoor zorgen dat jullie roem* en eer krijgen+ onder alle volken op aarde,

als ik de gevangenen voor jullie ogen terugbreng’, zegt Jehovah.+

Bet.: ‘Jehovah heeft verborgen (als een schat bewaard)’.

Kennelijk voorwerpen of activiteiten in verband met afgoderij.

Of ‘overblijfsel’.

Of ‘priesters van buitenlandse goden’.

Of ‘het podium’, ‘de drempel’. Mogelijk de verhoging waarop de troon van de koning stond.

Blijkbaar een deel van Jeruzalem bij de Vispoort.

Lett.: ‘zij die stollen op hun droesem’, zoals in een wijnvat.

Lett.: ‘in hun hart’.

Of ‘en haast zich zeer’.

Lett.: ‘ingewanden’.

Of ‘nederigen’.

Lett.: ‘zijn oordeel’.

Of ‘nederigheid’.

Of ‘mogelijk’.

Of ‘midden op de dag’.

Of ‘zal voor hen zorgen’.

Of ‘angstaanjagend’.

Of ‘uitmergelen’.

Of ‘hem aanbidden’.

Lett.: ‘elk dier van een natie’.

Zie Woordenlijst.

Lett.: ‘in haar hart’.

Zie Woordenlijst.

Of ‘straffen’.

Of ‘wacht geduldig op mij’.

Of mogelijk ‘opsta als een getuige’.

Of ‘hem in eenheid aanbidden’.

Lett.: ‘de dochter van mijn verstrooiden’.

Of ‘grazen’.

Lett.: ‘de handen’.

Of ‘rustig’, ‘tevreden’.

Lett.: ‘een naam’.

Lett.: ‘een naam’.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen