HET EERSTE BOEK KRONIEKEN
5 De zonen van Ja̱feth waren Go̱mer, Ma̱gog, Ma̱dai, Ja̱van, Tu̱bal,+ Me̱sech+ en Ti̱ras.+
6 De zonen van Go̱mer waren A̱skenaz, Ri̱fath en Toga̱rma.+
7 De zonen van Ja̱van waren Elisa, Ta̱rsis, Ki̱ttim en Ro̱danim.
8 De zonen van Cham waren Kusch,+ Mizra̱ïm, Put en Kanaän.+
9 De zonen van Kusch waren Se̱ba,+ Havi̱la, Sa̱bta, Raë̱ma+ en Sa̱btecha.
De zonen van Raë̱ma waren Scheba en De̱dan.+
10 Kusch werd de vader van Nimrod.+ Hij werd de eerste machtige op aarde.
11 Mizra̱ïm werd de vader van Lu̱dim,+ A̱namim, Le̱habim, Na̱ftuhim,+ 12 Pa̱thrusim,+ Kaslu̱him (van wie de Filistijnen+ afstammen) en Ka̱ftorim.+
13 Kanaän werd de vader van Sidon,+ zijn eerstgeboren zoon, en van Heth,+ 14 en ook van de Jebusiet,+ de Amoriet,+ de Girgasiet,+ 15 de Heviet,+ de Arkiet, de Siniet, 16 de Arvadiet,+ de Zemariet en de Hamathiet.
18 Arpa̱chsad werd de vader van Se̱lah,+ en Se̱lah werd de vader van He̱ber.
19 He̱ber kreeg twee zonen. De ene heette Pe̱leg,*+ omdat tijdens zijn leven de aarde* verdeeld werd. Zijn broer heette Jo̱ktan.
20 Jo̱ktan werd de vader van Almo̱dad, Se̱lef, Hazarma̱veth, Je̱rah,+ 21 Hado̱ram, U̱zal, Di̱kla, 22 O̱bal, Abi̱maël, Scheba, 23 O̱fir,+ Havi̱la+ en Jo̱bab. Zij waren allemaal zonen van Jo̱ktan.
28 De zonen van Abraham waren Isaäk+ en Ismaël.+
29 Dit zijn hun nakomelingen: Neba̱joth,+ Ismaëls eerstgeboren zoon, vervolgens Ke̱dar,+ A̱dbeël, Mi̱bsam,+ 30 Mi̱sma, Du̱ma, Ma̱ssa, Ha̱dad, Te̱ma, 31 Je̱tur, Na̱fis en Ke̱dma. Zij waren de zonen van Ismaël.
32 De zonen van Ketu̱ra,+ Abrahams bijvrouw, waren Zi̱mran, Jo̱ksan, Me̱dan, Mi̱dian,+ Ji̱sbak en Su̱ah.+
De zonen van Jo̱ksan waren Scheba en De̱dan.+
33 De zonen van Mi̱dian waren E̱fa,+ E̱fer, Ha̱noch, Abi̱da en Elda̱ä.
Zij waren allemaal nakomelingen van Ketu̱ra.
34 Abraham werd de vader van Isaäk.+ De zonen van Isaäk waren Esau+ en Israël.+
35 De zonen van Esau waren Eli̱faz, Re̱huël, Je̱üs, Jaë̱lam en Korach.+
36 De zonen van Eli̱faz waren Te̱man,+ O̱mar, Ze̱fo, Ga̱ëtam, Ke̱naz, Ti̱mna en A̱malek.+
37 De zonen van Re̱huël waren Na̱hath, Ze̱ra, Sa̱mma en Mi̱zza.+
38 De zonen van Se̱ïr+ waren Lo̱tan, So̱bal, Zi̱beon, A̱na, Di̱son, E̱zer en Di̱san.+
39 De zonen van Lo̱tan waren Ho̱ri en Ho̱mam. De zus van Lo̱tan was Ti̱mna.+
40 De zonen van So̱bal waren A̱lvan, Mana̱hath, E̱bal, Se̱fo en O̱nam.
De zonen van Zi̱beon waren A̱jja en A̱na.+
41 De zoon* van A̱na was Di̱son.
De zonen van Di̱son waren He̱mdan, E̱sban, Ji̱thran en Che̱ran.+
42 De zonen van E̱zer+ waren Bi̱lhan, Za̱ävan en A̱kan.
De zonen van Di̱san waren Uz en A̱ran.+
43 Dit zijn de koningen die in het land Edom+ regeerden voordat er een koning over de Israëlieten* regeerde.+ Eerst Be̱la, de zoon van Be̱or. Zijn stad heette Dinha̱ba. 44 Na de dood van Be̱la werd Jo̱bab, de zoon van Ze̱ra uit Bo̱zra,+ in zijn plaats koning. 45 Na de dood van Jo̱bab werd Hu̱sam uit het land van de Temanieten koning. 46 Na de dood van Hu̱sam werd Ha̱dad koning. Hij was de zoon van Be̱dad en versloeg Mi̱dian in het gebied* van Moab. Zijn stad heette A̱vith. 47 Na de dood van Ha̱dad werd Sa̱mla uit Masre̱ka koning. 48 Na de dood van Sa̱mla werd Saul uit Reho̱both aan de Rivier koning. 49 Na de dood van Saul werd Baäl-Ha̱nan, de zoon van A̱chbor, koning. 50 Na de dood van Baäl-Ha̱nan werd Ha̱dad koning. Zijn stad heette Pa̱ü en zijn vrouw was Meheta̱beël, de dochter van Ma̱tred, de dochter van Meza̱hab. 51 Toen stierf Ha̱dad.
De stamhoofden van Edom waren stamhoofd Ti̱mna, stamhoofd A̱lva, stamhoofd Je̱theth,+ 52 stamhoofd Oholiba̱ma, stamhoofd E̱la, stamhoofd Pi̱non, 53 stamhoofd Ke̱naz, stamhoofd Te̱man, stamhoofd Mi̱bzar, 54 stamhoofd Ma̱gdiël en stamhoofd I̱ram. Zij waren de stamhoofden van Edom.
2 Dit waren de zonen van Israël:+ Ruben,+ Simeon,+ Levi,+ Juda,+ I̱ssaschar,+ Ze̱bulon,+ 2 Dan,+ Jozef,+ Benjamin,+ Na̱ftali,+ Gad+ en Aser.+
3 De zonen van Juda waren Er, O̱nan en Se̱lah. Hij kreeg deze drie zonen bij Su̱a’s dochter, de Kanaänitische.+ Omdat Er, de eerstgeboren zoon van Juda, slecht was in Jehovah’s ogen, bracht Hij hem ter dood.+ 4 Juda kreeg bij zijn schoondochter Tamar+ Pe̱rez+ en Ze̱ra. In totaal had Juda vijf zonen.
5 De zonen van Pe̱rez waren He̱zron en Ha̱mul.+
6 De zonen van Ze̱ra waren Zi̱mri, E̱than, He̱man, Ka̱lkol en Da̱ra, in totaal vijf.
7 De zoon* van Ka̱rmi was A̱char,* die onheil* over Israël bracht.+ Hij was ontrouw omdat hij zich niet hield aan het gebod over wat vernietigd moest worden.*+
8 De zoon* van E̱than was Aza̱rja.
9 De zonen die He̱zron kreeg, waren Jera̱hmeël,+ Ram+ en Kelu̱bai.*
10 Ram werd de vader van Ammina̱dab.+ Ammina̱dab werd de vader van Nahe̱sson,+ het hoofd van de afstammelingen van Juda. 11 Nahe̱sson werd de vader van Sa̱lma.+ Sa̱lma werd de vader van Boaz.+ 12 Boaz werd de vader van Obed. Obed werd de vader van I̱saï.+ 13 I̱saï werd de vader van Eli̱ab, zijn eerstgeboren zoon. Zijn tweede zoon was Abina̱dab,+ de derde Si̱mea,+ 14 de vierde Netha̱neël, de vijfde Ra̱ddai, 15 de zesde O̱zem en de zevende David.+ 16 Hun zussen waren Zeru̱ja en Abi̱gaïl.+ Zeru̱ja had drie zonen: Abi̱saï,+ Joab+ en A̱saël.+ 17 Abi̱gaïl werd de moeder van Ama̱sa,+ en de vader van Ama̱sa was de Ismaëliet Je̱ther.
18 Kaleb,* de zoon van He̱zron, kreeg zonen bij zijn vrouw Azu̱ba en bij Je̱rioth. Dit waren haar zonen: Je̱ser, So̱bab en A̱rdon. 19 Na de dood van Azu̱ba trouwde Kaleb* met E̱frath.+ Zij schonk hem een zoon, Hur.+ 20 Hur werd de vader van U̱ri. U̱ri werd de vader van Beza̱leël.+
21 Later had He̱zron gemeenschap met de dochter van Ma̱chir,+ de vader van Gilead.+ Hij trouwde met haar toen hij 60 jaar was, en ze kregen een zoon, Se̱gub. 22 Se̱gub werd de vader van Ja̱ïr,+ die 23 steden had in het land Gilead.+ 23 Ge̱sur+ en Syrië+ veroverden later Ha̱vvoth-Ja̱ïr+ op hen, en ook Ke̱nath+ en de bijbehorende* plaatsen, 60 steden. Zij waren allemaal nakomelingen van Ma̱chir, de vader van Gilead.
24 Na de dood van He̱zron+ in Kaleb-E̱fratha schonk He̱zrons vrouw Abi̱a hem een zoon: A̱shur,+ de vader* van Teko̱a.+
25 De zonen van Jera̱hmeël, de eerstgeboren zoon van He̱zron, waren Ram, de eerstgeboren zoon, en Bu̱na, O̱ren, O̱zem en Ahi̱a. 26 Jera̱hmeël had nog een andere vrouw, die Ata̱ra heette. Zij was de moeder van O̱nam. 27 De zonen van Ram, de eerstgeboren zoon van Jera̱hmeël, waren Ma̱äz, Ja̱min en E̱ker. 28 De zonen van O̱nam waren Sa̱mmai en Ja̱da. De zonen van Sa̱mmai waren Na̱dab en Abi̱sur. 29 De vrouw van Abi̱sur heette Abi̱chaïl. Zij werd de moeder van A̱chban en Mo̱lid. 30 De zonen van Na̱dab waren Se̱led en Appa̱ïm. Se̱led stierf zonder zonen. 31 De zoon* van Appa̱ïm was Ji̱seï. De zoon* van Ji̱seï was Se̱san, en de zoon* van Se̱san was A̱chlai. 32 De zonen van Ja̱da, de broer van Sa̱mmai, waren Je̱ther en Jonathan. Je̱ther stierf zonder zonen. 33 De zonen van Jonathan waren Pe̱leth en Za̱za. Zij waren de nakomelingen van Jera̱hmeël.
34 Se̱san had geen zonen, alleen dochters. Hij had een Egyptische dienaar die Ja̱rha heette. 35 Se̱san liet zijn dochter trouwen met zijn dienaar Ja̱rha, en zij schonk hem A̱ttai. 36 A̱ttai werd de vader van Nathan. Nathan werd de vader van Za̱bad. 37 Za̱bad werd de vader van E̱flal. E̱flal werd de vader van Obed. 38 Obed werd de vader van Jehu. Jehu werd de vader van Aza̱rja. 39 Aza̱rja werd de vader van He̱lez. He̱lez werd de vader van Ela̱sa. 40 Ela̱sa werd de vader van Si̱smai. Si̱smai werd de vader van Sa̱llum. 41 Sa̱llum werd de vader van Jeka̱mja. Jeka̱mja werd de vader van Elisa̱ma.
42 De zonen van Kaleb,*+ de broer van Jera̱hmeël, waren zijn eerstgeboren zoon Me̱sa, die de vader was van Zif, en de zonen van Mare̱sa, de vader van He̱bron. 43 De zonen van He̱bron waren Korach, Tappu̱ah, Re̱kem en Se̱ma. 44 Se̱ma werd de vader van Ra̱ham, de vader van Jo̱rkeam. Re̱kem werd de vader van Sa̱mmai. 45 De zoon van Sa̱mmai was Ma̱on. Ma̱on was de vader van Beth-Zur.+ 46 Kalebs bijvrouw E̱fa werd de moeder van Ha̱ran, Mo̱za en Ga̱zez. Ha̱ran werd de vader van Ga̱zez. 47 De zonen van Ja̱hdai waren Re̱gem, Jo̱tham, Ge̱san, Pe̱let, E̱fa en Sa̱äf. 48 Kalebs bijvrouw Ma̱ächa werd de moeder van Se̱ber en Tirha̱na. 49 Later kreeg ze Sa̱äf, de vader van Madma̱nna,+ en Se̱va, de vader van Machbe̱na en Gi̱bea.+ Kalebs+ dochter heette A̱chsa.+ 50 Zij waren de nakomelingen van Kaleb.
De zonen van Hur,+ de eerstgeboren zoon van E̱fratha,+ waren So̱bal, de vader van Ki̱rjath-Jea̱rim,+ 51 Sa̱lma, de vader van Bethlehem,+ en Ha̱ref, de vader van Beth-Ga̱der. 52 De nakomelingen van So̱bal, de vader van Ki̱rjath-Jea̱rim, waren Ha̱roë en de helft van de Menuchothieten. 53 De families van Ki̱rjath-Jea̱rim waren de Jethrieten,+ de Puthieten, de Sumathieten en de Misraïeten. Van hen stamden de Zorathieten+ en de Estaolieten+ af. 54 De nakomelingen van Sa̱lma waren Bethlehem,+ de Netofathieten, A̱troth-Beth-Joab, de helft van de Manathieten en de Zorieten. 55 De families van de schrijvers die in Ja̱bez woonden, waren de Tirathieten, de Simeathieten en de Suchathieten. Zij waren de Kenieten+ die afstamden van Ha̱mmath, de vader van het huis van Re̱chab.+
3 Dit zijn de zonen van David die in He̱bron werden geboren.+ De eerstgeboren zoon was Amnon.+ Zijn moeder was Ahino̱am+ uit Ji̱zreël. De tweede was Daniël. Zijn moeder was Abi̱gaïl uit Ka̱rmel.+ 2 De derde was Absalom,+ de zoon van Ma̱ächa, de dochter van koning Ta̱lmai van Ge̱sur. De vierde was Ado̱nia,+ de zoon van Ha̱ggith. 3 De vijfde was Sefa̱tja. Zijn moeder was Abi̱tal. De zesde was Ji̱thream. Zijn moeder was Davids vrouw E̱gla. 4 Die zes zonen kreeg hij in He̱bron. Hij regeerde daar 7 jaar en 6 maanden, en hij regeerde 33 jaar in Jeruzalem.+
5 Dit zijn de zonen die hij in Jeruzalem kreeg:+ Si̱mea, So̱bab, Nathan+ en Salomo.+ De moeder van die vier was Bathse̱ba,+ de dochter van A̱mmiël. 6 Negen andere zonen waren Ji̱bhar, Elisa̱ma, Elife̱let, 7 No̱gah, Ne̱feg, Jafi̱a, 8 Elisa̱ma, E̱ljada en Elife̱let. 9 Zij waren allemaal zonen van David, naast de zonen van de bijvrouwen. Hun zus was Tamar.+
10 De zoon van Salomo was Reha̱beam.+ Zijn zoon was Abi̱a.+ Zijn zoon was A̱sa.+ Zijn zoon was Josafat.+ 11 Zijn zoon was Joram.+ Zijn zoon was Aha̱zia.+ Zijn zoon was Joas.+ 12 Zijn zoon was Ama̱zia.+ Zijn zoon was Aza̱rja.+ Zijn zoon was Jo̱tham.+ 13 Zijn zoon was Achaz.+ Zijn zoon was Hizki̱a.+ Zijn zoon was Manasse.+ 14 Zijn zoon was A̱mon.+ Zijn zoon was Josi̱a.+ 15 De zonen van Josi̱a waren Joha̱nan, de eerstgeboren zoon, Jo̱jakim,+ de tweede, Zedeki̱a,+ de derde, en Sa̱llum, de vierde. 16 De zonen van Jo̱jakim waren zijn zoon Jecho̱nja+ en zijn zoon Zedeki̱a. 17 De zonen van de gevangen Jecho̱nja waren Sea̱lthiël, 18 Malchi̱ram, Peda̱ja, Sena̱ssar, Jeka̱mja, Ho̱sama en Neda̱bja. 19 De zonen van Peda̱ja waren Zerubba̱bel+ en Si̱meï. De zonen van Zerubba̱bel waren Mesu̱llam en Hana̱nja (hun zus was Selo̱mith). 20 Vijf andere zonen waren Hasu̱ba, O̱hel, Bere̱chja, Hasa̱dja en Ju̱sab-He̱sed. 21 De zonen van Hana̱nja waren Pela̱tja en Jesaja. De zoon* van Jesaja was Refa̱ja. De zoon* van Refa̱ja was A̱rnan. De zoon* van A̱rnan was Obadja. De zoon* van Obadja was Secha̱nja. 22 De zonen van Secha̱nja waren Sema̱ja en de zonen van Sema̱ja: Ha̱ttus, Ji̱gal, Bari̱ah, Nea̱rja en Sa̱fat — in totaal zes. 23 De drie zonen van Nea̱rja waren Eljo̱ënai, Hizki̱a en Azri̱kam. 24 De zeven zonen van Eljo̱ënai waren Hoda̱vja, E̱ljasib, Pela̱ja, A̱kkub, Joha̱nan, Dela̱ja en Ana̱ni.
4 De zonen van Juda waren Pe̱rez,+ He̱zron,+ Ka̱rmi, Hur+ en So̱bal.+ 2 Rea̱ja, de zoon van So̱bal, werd de vader van Ja̱hath. Ja̱hath werd de vader van Ahu̱mai en La̱had. Dat waren de families van de Zorathieten.+ 3 Dit waren de zonen van de vader* van E̱tam:+ Ji̱zreël, Ji̱sma en Ji̱dbas (hun zus heette Hazlelpo̱ni). 4 Pnu̱ël was de vader van Ge̱dor, en E̱zer was de vader van Hu̱sa. Dit waren de zonen van Hur,+ de eerstgeboren zoon van E̱fratha en de vader van Bethlehem.+ 5 A̱shur,+ de vader van Teko̱a,+ had twee vrouwen: He̱la en Na̱ära. 6 Bij Na̱ära kreeg hij Ahu̱zzam, He̱fer, Te̱meni en Aha̱stari. Dat waren de zonen van Na̱ära. 7 De zonen van He̱la waren Ze̱reth, Ji̱zhar en E̱thnan. 8 Koz werd de vader van A̱nub, Hazobe̱ba en de families van Aha̱rhel, de zoon van Ha̱rum.
9 Ja̱bez stond in hoger aanzien dan zijn broers. Zijn moeder noemde hem Ja̱bez* omdat ze veel pijn had bij zijn geboorte. 10 Ja̱bez riep de God van Israël aan en zei: ‘O zegen me alstublieft en vergroot mijn gebied. Laat uw hand met me zijn en bescherm me tegen ellende, zodat ik niet hoef te lijden!’ En God deed wat hij had gevraagd.
11 Ke̱lub, de broer van Su̱ha, werd de vader van Me̱hir, die de vader werd van E̱ston. 12 E̱ston werd de vader van Beth-Ra̱fa, Pase̱ah en Tehi̱nna, de vader van Ir-Na̱has. Dit waren de mannen van Re̱cha. 13 De zonen van Ke̱naz waren O̱thniël+ en Sera̱ja. De zoon* van O̱thniël was Ha̱thath. 14 Meo̱nothai werd de vader van O̱fra. Sera̱ja werd de vader van Joab, de vader van de inwoners van Ge-Ha̱rasjim,* zo genoemd omdat ze ambachtslieden waren.
15 De zonen van Kaleb,+ de zoon van Jefu̱nne, waren I̱ru, E̱la en Na̱äm. De zoon* van E̱la was Ke̱naz. 16 De zonen van Jeha̱llelel waren Zif, Zi̱fa, Tire̱a en Asa̱reël. 17 De zonen van Ezra waren Je̱ther, Me̱red, E̱fer en Ja̱lon. Zij* werd zwanger en kreeg Mirjam, Sa̱mmai en Ji̱sbah, de vader van Estemo̱a. 18 (Zijn Joodse vrouw werd de moeder van Je̱red, de vader van Ge̱dor, He̱ber, de vader van So̱cho, en Jeku̱thiël, de vader van Zano̱ah.) Zij waren de zonen van Bi̱thja, de dochter van de farao, met wie Me̱red trouwde.
19 De zonen van Hodi̱a’s vrouw, de zus van Na̱ham, waren de vaders van Kehi̱la, de Garmiet, en Estemo̱a, de Maächathiet. 20 De zonen van Simon waren Amnon, Ri̱nna, Ben-Ha̱nan en Ti̱lon. De zonen van Ji̱seï waren Zo̱heth en Ben-Zo̱heth.
21 De zonen van Se̱lah,+ de zoon van Juda, waren Er, de vader van Le̱cha, La̱da, de vader van Mare̱sa, en de families van de wevers van fijne stof van het huis van Asbe̱a, 22 en Jo̱kim, de mannen van Koze̱ba, Joas en Sa̱raf, die trouwden met Moabitische vrouwen, en Jasu̱bi-Le̱hem. (Deze geschriften zijn heel oud.)* 23 Zij waren pottenbakkers die voor de koning werkten en ze woonden in Ne̱taïm en Gede̱ra.
24 De zonen van Simeon+ waren Ne̱muël, Ja̱min, Ja̱rib, Ze̱ra en Saul.+ 25 Zijn zoon was Sa̱llum. Zijn zoon was Mi̱bsam. Zijn zoon was Mi̱sma. 26 De zonen van Mi̱sma waren zijn zoon Ha̱mmuël, zijn zoon Za̱kkur, zijn zoon Si̱meï. 27 Si̱meï had 16 zonen en 6 dochters. Maar zijn broers hadden niet veel zonen, en geen van hun families had zo veel zonen als de mannen van Juda.+ 28 Ze woonden in Berse̱ba,+ Mo̱lada,+ Ha̱zar-Su̱al,+ 29 Bi̱lha, E̱zem,+ Tho̱lad, 30 Bethu̱ël,+ Ho̱rma,+ Zi̱klag,+ 31 Beth-Ma̱rkaboth, Ha̱zar-Su̱sim,+ Beth-Bi̱ri en Saära̱ïm. Dat waren hun steden tot de regering van David.
32 Ze woonden ook in E̱tam, A̱ïn, Ri̱mmon, To̱chen en A̱san,+ vijf steden, 33 en in de dorpen rondom die steden, tot aan Baäl. Dat waren hun vermeldingen in het geslachtsregister en hun woonplaatsen. 34 Meso̱bab, Ja̱mlech, Jo̱sa, de zoon van Ama̱zia, 35 Joël, Jehu, de zoon van Josi̱bja, zoon van Sera̱ja, zoon van A̱siël, 36 Eljo̱ënai, Jaäko̱ba, Jesoha̱ja, Asa̱ja, Adi̱ël, Jesi̱miël, Bena̱ja 37 en Zi̱za, die de zoon was van Si̱feï, zoon van A̱llon, zoon van Jeda̱ja, zoon van Si̱mri, zoon van Sema̱ja — 38 deze bij naam genoemde personen waren familiehoofden, en hun families werden steeds groter. 39 Ze gingen naar de toegang tot Ge̱dor, naar het oosten van het dal, om weidegrond te zoeken voor hun schapen en geiten. 40 Ze vonden uiteindelijk vruchtbare en goede weidegrond. Het was een uitgestrekt land, rustig en vredig, waar vroeger Chamieten+ woonden. 41 Deze bij naam genoemde personen kwamen er in de tijd van koning Hizki̱a+ van Juda en vernielden de tenten van de Chamieten en versloegen de Me̱ünim die daar waren. Ze roeiden hen helemaal uit en gingen er zelf wonen omdat er weidegrond was voor hun schapen en geiten.
42 Enkelen van de Simeonieten, 500 mannen, gingen naar het Se̱ïrgebergte+ met Pela̱tja, Nea̱rja, Refa̱ja en U̱zziël, de zonen van Ji̱seï, die hen leidden. 43 Ze doodden de Amalekieten+ die waren ontkomen, en ze wonen er nu nog steeds.
5 Dit zijn de zonen van Ruben,+ de eerstgeboren zoon van Israël. Hij was de eerstgeboren zoon, maar omdat hij het bed van zijn vader had onteerd,*+ werd zijn eerstgeboorterecht gegeven aan de zonen van Jozef,+ de zoon van Israël. Ruben werd dus in het geslachtsregister niet ingeschreven voor het eerstgeboorterecht. 2 Hoewel Juda+ zijn broers overtrof en uit hem degene voortkwam die de leider zou zijn,+ ging het eerstgeboorterecht toch naar Jozef. 3 De zonen van Ruben, de eerstgeboren zoon van Israël, waren Ha̱noch, Pa̱llu, He̱zron en Ka̱rmi.+ 4 De zoon* van Joël was Sema̱ja. Zijn zoon was Gog. Zijn zoon was Si̱meï. 5 Zijn zoon was Micha. Zijn zoon was Rea̱ja. Zijn zoon was Baäl. 6 Zijn zoon was Beë̱ra, die door koning Ti̱lgath-Pilne̱ser+ van Assyrië in ballingschap werd weggevoerd. Hij was een van de hoofden van de Rubenieten. 7 Zijn broeders waren, volgens de vermelding van hun families in het geslachtsregister, Jeï̱ël, het hoofd, Zachari̱a 8 en Be̱la, de zoon van A̱zaz, zoon van Se̱ma, zoon van Joël, die in het gebied van A̱roër+ tot aan Ne̱bo en Baäl-Me̱on woonde.+ 9 In oostelijke richting vestigde hij zich helemaal tot het begin van de woestijn bij de rivier de Eufraat,+ want ze hadden veel vee gekregen in het land Gilead.+ 10 In de tijd van Saul voerden ze oorlog tegen de Hagrieten. Ze versloegen hen en gingen vervolgens in hun tenten wonen in het hele gebied ten oosten van Gilead.
11 De nakomelingen van Gad woonden naast hen in het land Ba̱san tot aan Sa̱lcha.+ 12 Joël was het hoofd en Sa̱fam de tweede in rang. Ook Jaë̱nai en Sa̱fat waren in Ba̱san. 13 Hun broeders waren Michaël, Mesu̱llam, Se̱ba, Jo̱rai, Ja̱kan, Zi̱a en He̱ber, in totaal zeven vaderlijke huizen. 14 Dat waren de zonen van Abi̱chaïl, de zoon van Hu̱ri, zoon van Jaro̱ah, zoon van Gilead, zoon van Michaël, zoon van Jesi̱sai, zoon van Ja̱hdo, zoon van Buz. 15 A̱hi, de zoon van A̱bdiël, zoon van Gu̱ni, was het hoofd van hun vaderlijk huis. 16 Ze woonden in Gilead,+ in Ba̱san+ en de bijbehorende* plaatsen en op alle weidegronden van Sa̱ron zover ze zich uitstrekten. 17 Ze werden allemaal in het geslachtsregister opgenomen in de tijd van koning Jo̱tham+ van Juda en in de tijd van koning Jero̱beam*+ van Israël.
18 De Rubenieten, de Gadieten en de helft van de stam Manasse hadden 44.760 dappere strijders in hun leger, getrainde soldaten die een schild en een zwaard droegen en gewapend waren met een boog.* 19 Ze voerden oorlog tegen de Hagrieten,+ Je̱tur, Na̱fis+ en No̱dab. 20 Omdat ze in de oorlog tegen hen werden geholpen, vielen de Hagrieten en iedereen die bij hen was in hun handen. Ze hadden in de strijd namelijk tot God om hulp geroepen en omdat ze op hem vertrouwden, had hij hun smeekgebed verhoord.+ 21 Ze namen het vee als buit mee — 50.000 kamelen, 250.000 schapen en 2000 ezels — en namen 100.000 mensen* gevangen. 22 Er waren veel vijanden gesneuveld omdat de ware God de oorlog had gevoerd.+ Ze gingen in hun gebied wonen, tot aan de tijd van de ballingschap.+
23 De nakomelingen van de helft van de stam Manasse+ woonden in het gebied vanaf Ba̱san tot Baäl-He̱rmon en Se̱nir en de berg He̱rmon.+ Hun aantal was heel groot. 24 Dit waren de hoofden van hun vaderlijke huizen: E̱fer, Ji̱seï, E̱liël, A̱zriël, Jeremia, Hoda̱vja en Ja̱hdiël. Het waren dappere strijders, hoofden van hun vaderlijke huizen, en ze stonden in hoog aanzien. 25 Maar ze waren ontrouw aan de God van hun voorvaders en vereerden* de goden van de volken van het land,+ die God voor hen had uitgeroeid. 26 Daarom zette de God van Israël koning Pul van Assyrië+ (koning Ti̱lgath-Pilne̱ser+ van Assyrië) ertoe aan* om de Rubenieten, de Gadieten en de helft van de stam Manasse in ballingschap weg te voeren en ze te brengen naar Ha̱lah, Ha̱bor, Ha̱ra en de rivier de Go̱zan.+ Daar zijn ze nu nog steeds.
6 De zonen van Levi+ waren Ge̱rson, Ke̱hath+ en Mera̱ri.+ 2 De zonen van Ke̱hath waren A̱mram, Ji̱zhar,+ He̱bron en U̱zziël.+ 3 De kinderen* van A̱mram+ waren Aäron,+ Mozes+ en ook Mirjam.+ De zonen van Aäron waren Na̱dab, Abi̱hu,+ Elea̱zar+ en I̱thamar.+ 4 Elea̱zar werd de vader van Pi̱nehas.+ Pi̱nehas werd de vader van Abisu̱a. 5 Abisu̱a werd de vader van Bu̱kki. Bu̱kki werd de vader van U̱zzi. 6 U̱zzi werd de vader van Zera̱hja. Zera̱hja werd de vader van Me̱rajoth. 7 Me̱rajoth werd de vader van Ama̱rja. Ama̱rja werd de vader van Ahi̱tub.+ 8 Ahi̱tub werd de vader van Za̱dok.+ Za̱dok werd de vader van Ahima̱äz.+ 9 Ahima̱äz werd de vader van Aza̱rja. Aza̱rja werd de vader van Joha̱nan. 10 Joha̱nan werd de vader van Aza̱rja. Hij diende als priester in het huis dat Salomo in Jeruzalem bouwde.
11 Aza̱rja werd de vader van Ama̱rja. Ama̱rja werd de vader van Ahi̱tub. 12 Ahi̱tub werd de vader van Za̱dok.+ Za̱dok werd de vader van Sa̱llum. 13 Sa̱llum werd de vader van Hilki̱a.+ Hilki̱a werd de vader van Aza̱rja. 14 Aza̱rja werd de vader van Sera̱ja.+ Sera̱ja werd de vader van Jo̱zadak.+ 15 Jo̱zadak ging in ballingschap toen Jehovah Juda en Jeruzalem door Nebukadne̱zar liet wegvoeren.
16 De zonen van Levi waren Ge̱rsom,* Ke̱hath en Mera̱ri. 17 De zonen van Ge̱rsom heetten Li̱bni en Si̱meï.+ 18 De zonen van Ke̱hath waren A̱mram, Ji̱zhar, He̱bron en U̱zziël.+ 19 De zonen van Mera̱ri waren Ma̱hli en Mu̱si.
Dit waren de families van de Levieten gerangschikt naar hun voorvaders.+ 20 Van Ge̱rsom:+ zijn zoon was Li̱bni. Zijn zoon was Ja̱hath. Zijn zoon was Zi̱mma. 21 Zijn zoon was Jo̱ah. Zijn zoon was I̱ddo. Zijn zoon was Ze̱ra. Zijn zoon was Jea̱thrai. 22 Dit waren de nakomelingen van Ke̱hath: zijn zoon was Ammina̱dab. Zijn zoon was Korach.+ Zijn zoon was A̱ssir. 23 Zijn zoon was Elka̱na. Zijn zoon was E̱bjasaf.+ Zijn zoon was A̱ssir. 24 Zijn zoon was Ta̱hath. Zijn zoon was U̱riël. Zijn zoon was Uzzi̱a. Zijn zoon was Saul. 25 De zonen van Elka̱na waren Ama̱sai en Ahi̱moth. 26 Dit waren de nakomelingen van Elka̱na: zijn zoon was Zo̱fai. Zijn zoon was Na̱hath. 27 Zijn zoon was Eli̱ab. Zijn zoon was Jero̱ham. Zijn zoon was Elka̱na.+ 28 De zonen van Samuël+ waren Joël, de eerstgeboren zoon, en Abi̱a, de tweede.+ 29 Dit waren de nakomelingen van Mera̱ri: zijn zoon was Ma̱hli.+ Zijn zoon was Li̱bni. Zijn zoon was Si̱meï. Zijn zoon was U̱zza. 30 Zijn zoon was Si̱mea. Zijn zoon was Haggi̱a. Zijn zoon was Asa̱ja.
31 Dit waren degenen die David aanstelde om leiding te geven aan het zingen in het huis van Jehovah nadat de ark daar was geplaatst.+ 32 Ze waren verantwoordelijk voor het zingen bij de tabernakel, de tent van samenkomst, totdat Salomo in Jeruzalem het huis van Jehovah bouwde.+ Ze voerden hun dienst uit zoals was voorgeschreven.+ 33 Dit waren de mannen die met hun zonen dienst deden. Van de Kehathieten: de zanger He̱man,+ de zoon van Joël,+ zoon van Samuël, 34 zoon van Elka̱na,+ zoon van Jero̱ham, zoon van E̱liël, zoon van To̱ah, 35 zoon van Zuf, zoon van Elka̱na, zoon van Ma̱hath, zoon van Ama̱sai, 36 zoon van Elka̱na, zoon van Joël, zoon van Aza̱rja, zoon van Zefa̱nja, 37 zoon van Ta̱hath, zoon van A̱ssir, zoon van E̱bjasaf, zoon van Korach, 38 zoon van Ji̱zhar, zoon van Ke̱hath, zoon van Levi, zoon van Israël.
39 Zijn broeder Asaf+ stond aan zijn rechterhand. Asaf was de zoon van Bere̱chja, zoon van Si̱mea, 40 zoon van Michaël, zoon van Baëse̱ja, zoon van Malki̱a, 41 zoon van E̱thni, zoon van Ze̱ra, zoon van Ada̱ja, 42 zoon van E̱than, zoon van Zi̱mma, zoon van Si̱meï, 43 zoon van Ja̱hath, zoon van Ge̱rsom, zoon van Levi.
44 De nakomelingen van Mera̱ri,+ hun broeders, stonden aan He̱mans linkerhand. Daar stond E̱than,+ de zoon van Ki̱si, zoon van A̱bdi, zoon van Ma̱lluch, 45 zoon van Hasa̱bja, zoon van Ama̱zia, zoon van Hilki̱a, 46 zoon van A̱mzi, zoon van Ba̱ni, zoon van Se̱mer, 47 zoon van Ma̱hli, zoon van Mu̱si, zoon van Mera̱ri, zoon van Levi.
48 Hun broeders, de Levieten, waren aangesteld* voor de dienst bij de tabernakel, het huis van de ware God.+ 49 Aäron en zijn zonen+ lieten de offers in rook opgaan op het brandofferaltaar+ en op het reukofferaltaar.+ Zij deden de taken die te maken hadden met de allerheiligste dingen, om verzoening te doen voor Israël,+ precies zoals Mozes, de dienaar van de ware God, had geboden. 50 Dit waren de nakomelingen van Aäron.+ Zijn zoon was Elea̱zar.+ Zijn zoon was Pi̱nehas. Zijn zoon was Abisu̱a. 51 Zijn zoon was Bu̱kki. Zijn zoon was U̱zzi. Zijn zoon was Zera̱hja. 52 Zijn zoon was Me̱rajoth. Zijn zoon was Ama̱rja. Zijn zoon was Ahi̱tub.+ 53 Zijn zoon was Za̱dok.+ Zijn zoon was Ahima̱äz.
54 Dit waren hun woonplaatsen, waar ze hun tentenkampen opsloegen* in hun gebied. Voor de nakomelingen van Aäron die bij de familie van de Kehathieten hoorden, werd als eerste geloot. 55 In het land van Juda kregen ze He̱bron+ met de omliggende weidegrond. 56 Maar de akkers rond de stad en de omliggende dorpen werden aan Kaleb gegeven,+ de zoon van Jefu̱nne. 57 De nakomelingen van Aäron kregen behalve de vluchtstad*+ He̱bron+ ook Li̱bna+ met de omliggende weidegrond, Ja̱ttir,+ Estemo̱a met weidegrond,+ 58 Chi̱len met weidegrond, De̱bir+ met weidegrond, 59 A̱san+ met weidegrond en Beth-Se̱mes+ met weidegrond. 60 Van de stam Benjamin kregen ze Ge̱ba,+ A̱lemeth en A̱nathoth,+ elk met de omliggende weidegrond. In totaal kregen hun families 13 steden.+
61 De andere Kehathieten kregen tien steden toegewezen* van de familie van de stam, van de halve stam, de helft van Manasse.+
62 De families van de Gersomieten kregen 13 steden toegewezen van de stam I̱ssaschar, de stam Aser, de stam Na̱ftali en de stam Manasse in Ba̱san.+
63 De families van de Merarieten kregen door loting 12 steden toegewezen van de stam Ruben, de stam Gad en de stam Ze̱bulon.+
64 De Israëlieten gaven die steden met de omliggende weidegrond aan de Levieten.+ 65 Verder werden van de stam Juda, de stam Simeon en de stam Benjamin door loting de steden toegewezen die hier genoemd worden.
66 Sommige van de Kehathitische families hadden steden van de stam Efraïm als hun gebied.+ 67 Ze gaven hun de vluchtstad* Sichem+ met de omliggende weidegrond in het bergland van Efraïm, en ook Ge̱zer+ met weidegrond, 68 Jo̱kmeam met weidegrond, Beth-Ho̱ron+ met weidegrond, 69 A̱jalon+ met weidegrond en Gath-Ri̱mmon+ met weidegrond. 70 Van de helft van de stam Manasse gaven ze A̱ner en Bi̱leam, beide met de omliggende weidegrond, aan de andere families van de Kehathieten.
71 De Gersomieten kregen van de familie van de helft van de stam Manasse Gola̱n+ (in Ba̱san) en A̱staroth toegewezen, elk met de omliggende weidegrond.+ 72 En van de stam I̱ssaschar: Ke̱des met weidegrond, Da̱berath+ met weidegrond,+ 73 Ra̱moth met weidegrond en A̱nem met weidegrond. 74 Van de stam Aser: Ma̱sal met weidegrond, A̱bdon met weidegrond,+ 75 Hu̱kok met weidegrond en Re̱hob+ met weidegrond. 76 Van de stam Na̱ftali: Ke̱des+ in Galilea,+ Ha̱mmon en Kirjatha̱ïm, elk met de omliggende weidegrond.
77 De andere Merarieten kregen van de stam Ze̱bulon+ Rimmo̱no en Ta̱bor toegewezen, elk met de omliggende weidegrond. 78 In de Jordaanstreek bij Jericho, ten oosten van de Jordaan, kregen ze van de stam Ruben Be̱zer in de woestijn met de omliggende weidegrond, Ja̱haz+ met weidegrond, 79 Kede̱moth+ met weidegrond en Me̱faäth met weidegrond. 80 En van de stam Gad: Ra̱moth in Gilead met weidegrond, Mahana̱ïm+ met weidegrond, 81 He̱sbon+ met weidegrond en Jaë̱zer+ met weidegrond.
7 De vier zonen van I̱ssaschar waren To̱la, Pu̱a, Ja̱sub en Si̱mron.+ 2 De zonen van To̱la waren U̱zzi, Refa̱ja, Je̱riël, Ja̱hmai, Ji̱bsam en Se̱muël, de hoofden van hun vaderlijke huizen. Van To̱la stamden dappere strijders af. Hun aantal was in de tijd van David 22.600. 3 De nakomelingen* van U̱zzi waren Jizra̱hja en de zonen van Jizra̱hja: Michaël, Obadja, Joël en Jissi̱a — alle vijf waren leiders.* 4 Onder hun nakomelingen waren, ingedeeld volgens hun vaderlijke huizen, 36.000 soldaten in hun leger beschikbaar voor de oorlog, want ze hadden veel vrouwen en zonen. 5 Hun broeders uit alle families van I̱ssaschar waren dappere strijders, 87.000 volgens de inschrijving in het geslachtsregister.+
6 De drie zonen van Benjamin+ waren Be̱la,+ Be̱cher+ en Jedi̱aël.+ 7 De vijf zonen van Be̱la waren E̱zbon, U̱zzi, U̱zziël, Je̱rimoth en I̱ri. Ze waren hoofden van hun vaderlijke huizen, dappere strijders. In hun geslachtsregister waren 22.034 mannen ingeschreven.+ 8 De zonen van Be̱cher waren Zemi̱ra, Joas, Elië̱zer, Eljo̱ënai, O̱mri, Je̱remoth, Abi̱a, A̱nathoth en A̱lemeth. Zij waren allemaal zonen van Be̱cher. 9 In het geslachtsregister van hun nakomelingen stonden 20.200 dappere strijders ingeschreven, ingedeeld volgens de hoofden van hun vaderlijke huizen. 10 De nakomelingen van Jedi̱aël+ waren Bi̱lhan en de zonen van Bi̱lhan: Je̱üs, Benjamin, E̱hud, Kena̱äna, Ze̱than, Ta̱rsis en Ahisa̱har. 11 Zij waren allemaal nakomelingen van Jedi̱aël. Ingedeeld volgens hun familiehoofden waren er 17.200 dappere strijders, getraind om met het leger uit te trekken voor de oorlog.
12 De Su̱ppim en de Hu̱ppim* waren de zonen van Ir,+ en de Hu̱sim waren de zonen van A̱her.
13 De zonen van Na̱ftali+ waren Ja̱hziël, Gu̱ni, Je̱zer en Sa̱llum — nakomelingen* van Bi̱lha.+
14 De zonen van Manasse:+ A̱sriël, die hij bij zijn Syrische bijvrouw kreeg. (Ze werd de moeder van Ma̱chir,+ de vader van Gilead. 15 Ma̱chir vond een vrouw voor Hu̱ppim en voor Su̱ppim, en zijn zus heette Ma̱ächa.) De naam van de tweede was Zela̱fead,+ maar Zela̱fead had dochters.+ 16 Ma̱ächa, Ma̱chirs vrouw, kreeg een zoon en noemde hem Pe̱res. Zijn broer heette Se̱res. Zijn zonen waren U̱lam en Re̱kem. 17 De zoon* van U̱lam was Be̱dan. Zij waren de zonen van Gilead, de zoon van Ma̱chir, zoon van Manasse. 18 Zijn zus was Hammole̱cheth. Zij werd de moeder van I̱shod, Abië̱zer en Ma̱chla. 19 De zonen van Semi̱da waren Ahi̱an, Sichem, Li̱khi en Ani̱am.
20 De zoon* van Efraïm+ was Su̱telah.+ Zijn zoon was Be̱red. Zijn zoon was Ta̱hath. Zijn zoon was Ela̱da. Zijn zoon was Ta̱hath. 21 Zijn zoon was Za̱bad. Zijn zoon was Su̱telah. Ook E̱zer en E̱lad waren zonen van Efraïm. Zij werden gedood door de inheemse bevolking van Gath+ omdat ze hun vee probeerden te stelen. 22 Hun vader Efraïm rouwde dagenlang, en zijn broeders kwamen steeds om hem te troosten. 23 Later had hij gemeenschap met zijn vrouw, en ze werd zwanger en kreeg een zoon. Hij noemde hem Beri̱a,* omdat ze zwanger was geworden in een tijd van tegenspoed. 24 Zijn dochter was Se̱ëra, die Laag-Beth-Ho̱ron,+ Hoog-Beth-Ho̱ron+ en U̱zzen-Se̱ëra bouwde. 25 Zijn zonen waren Re̱fah en Re̱sef. Zijn zoon was Te̱lah. Zijn zoon was Ta̱han. 26 Zijn zoon was La̱dan. Zijn zoon was Ammi̱hud. Zijn zoon was Elisa̱ma. 27 Zijn zoon was Nun. Zijn zoon was Jozua.*+
28 Hun bezit en hun woonplaatsen waren Bethel+ en de bijbehorende* plaatsen, in oostelijke richting Na̱äran, in westelijke richting Ge̱zer en de bijbehorende plaatsen, en Sichem en de bijbehorende plaatsen, helemaal tot aan A̱jja* en de bijbehorende plaatsen; 29 en naast de nakomelingen van Manasse, Beth-Se̱an+ en de bijbehorende plaatsen, Ta̱änach+ en de bijbehorende plaatsen, Megi̱ddo+ en de bijbehorende plaatsen en Dor+ en de bijbehorende plaatsen. Daarin woonden de nakomelingen van Jozef, de zoon van Israël.
30 De zonen van Aser waren Ji̱mna, Ji̱sva, Ji̱svi en Beri̱a,+ en hun zus was Se̱rah.+ 31 De zonen van Beri̱a waren He̱ber en Ma̱lkiël, die de vader was van Birza̱vith. 32 He̱ber werd de vader van Ja̱flet, So̱mer en Ho̱tham, en van hun zus Su̱a. 33 De zonen van Ja̱flet waren Pa̱sach, Bi̱mhal en A̱svath. Zij waren de zonen van Ja̱flet. 34 De zonen van Se̱mer* waren A̱hi, Ro̱hega, Jehu̱bba en A̱ram. 35 De zonen van zijn broer He̱lem* waren Zo̱fah, Ji̱mna, Se̱les en A̱mal. 36 De zonen van Zo̱fah waren Su̱ah, Harne̱fer, Su̱al, Be̱ri, Ji̱mra, 37 Be̱zer, Hod, Sa̱mma, Si̱lsa, Ji̱thran en Beë̱ra. 38 De zonen van Je̱ther waren Jefu̱nne, Pi̱spa en A̱ra. 39 De zonen van U̱lla waren A̱rah, Ha̱nniël en Ri̱zja. 40 Zij waren allemaal zonen van Aser, hoofden van hun vaderlijke huizen, uitmuntende en dappere strijders, de belangrijkste leiders. In hun geslachtsregister stonden 26.000 mannen+ ingeschreven+ die in het leger konden dienen.
8 Benjamin+ werd de vader van Be̱la,+ zijn eerstgeboren zoon, A̱sbel,+ de tweede, A̱hrah, de derde, 2 No̱ha, de vierde, en Ra̱fa, de vijfde. 3 Be̱la’s zonen waren A̱ddar, Ge̱ra,+ Abi̱hud, 4 Abisu̱a, Naä̱man, Aho̱ah, 5 Ge̱ra, Sefu̱fan en Hu̱ram. 6 Dit waren de zonen van E̱hud, de hoofden van de vaderlijke huizen van de inwoners van Ge̱ba,+ die in ballingschap werden weggevoerd naar Mana̱hath: 7 Naä̱man, Ahi̱a en Ge̱ra — hij was het die hen in ballingschap wegvoerde en hij werd de vader van U̱zza en Achi̱hud. 8 Sahara̱ïm kreeg kinderen in het gebied* van Moab nadat hij hen had weggestuurd. Hu̱sim en Ba̱ära waren zijn vrouwen.* 9 Bij zijn vrouw Ho̱des kreeg hij Jo̱bab, Zi̱bja, Me̱sa, Ma̱lkam, 10 Je̱üz, So̱chja en Mi̱rma. Zij waren zijn zonen, hoofden van de vaderlijke huizen.
11 Bij Hu̱sim kreeg hij Abi̱tub en Elpa̱äl. 12 De zonen van Elpa̱äl waren He̱ber, Mi̱sam, Se̱med (die O̱no+ en Lod+ en de bijbehorende* plaatsen bouwde), 13 Beri̱a en Se̱ma. Zij waren de hoofden van de vaderlijke huizen van de inwoners van A̱jalon.+ Ze verjoegen de inwoners van Gath. 14 Ahi̱o, Sa̱sak, Je̱remoth, 15 Zeba̱dja, A̱rad, E̱der, 16 Michaël, Ji̱spa en Jo̱ha waren de zonen van Beri̱a. 17 Zeba̱dja, Mesu̱llam, Hi̱zki, He̱ber, 18 Ji̱smerai, Jizli̱a en Jo̱bab waren de zonen van Elpa̱äl. 19 Ja̱kim, Zi̱chri, Za̱bdi, 20 Eljo̱ënai, Zi̱llethai, E̱liël, 21 Ada̱ja, Bera̱ja en Si̱mrath waren de zonen van Si̱meï. 22 Ji̱span, He̱ber, E̱liël, 23 A̱bdon, Zi̱chri, Ha̱nan, 24 Hana̱nja, E̱lam, Anthothi̱a, 25 Ji̱fdeja en Pnu̱ël waren de zonen van Sa̱sak. 26 Sa̱mserai, Seha̱rja, Atha̱lia, 27 Jaäre̱sja, Eli̱a en Zi̱chri waren de zonen van Jero̱ham. 28 Zij waren hoofden van de vaderlijke huizen volgens de geslachtsregisters. Die leiders woonden in Jeruzalem.
29 Jeï̱ël woonde in Gi̱beon,+ de stad die hij had gesticht. Zijn vrouw heette Ma̱ächa.+ 30 Zijn eerstgeboren zoon was A̱bdon, en daarna kwamen Zur, Kis, Baäl, Na̱dab, 31 Ge̱dor, Ahi̱o en Ze̱cher. 32 Mi̱kloth werd de vader van Si̱mea. Ze woonden allemaal in de buurt van hun broeders in Jeruzalem, samen met hun andere broeders.
33 Ner+ werd de vader van Kis. Kis werd de vader van Saul.+ Saul werd de vader van Jonathan,+ Malkisu̱a,+ Abina̱dab+ en Esba̱äl.*+ 34 Jonathans zoon was Me̱rib-Baäl.*+ Me̱rib-Baäl werd de vader van Micha.+ 35 De zonen van Micha waren Pi̱thon, Me̱lech, Tare̱a en Achaz. 36 Achaz werd de vader van Jeho̱adda. Jeho̱adda werd de vader van A̱lemeth, Azma̱veth en Zi̱mri. Zi̱mri werd de vader van Mo̱za. 37 Mo̱za werd de vader van Bi̱na. Zijn zoon was Ra̱fa. Zijn zoon was Ela̱sa. Zijn zoon was A̱zel. 38 A̱zel had zes zonen. Ze heetten Azri̱kam, Bo̱chru, Ismaël, Sea̱rja, Obadja en Ha̱nan. Zij waren allemaal zonen van A̱zel. 39 De zonen van zijn broer E̱sek waren U̱lam, zijn eerstgeboren zoon, Je̱üs, de tweede, en Elife̱let, de derde. 40 De zonen van U̱lam waren dappere strijders, boogschutters.* Ze hadden veel zonen en kleinzonen, in totaal 150. Zij waren allemaal nakomelingen van Benjamin.
9 Alle Israëlieten werden opgenomen in geslachtsregisters, en ze zijn opgeschreven in het Boek van de koningen van Israël. Juda werd vanwege zijn ontrouw in ballingschap naar Babylon weggevoerd.+ 2 De eerste inwoners die terugkwamen naar hun bezit in hun steden waren een aantal Israëlieten, de priesters, de Levieten en de tempelknechten.*+ 3 Sommige nakomelingen van Juda,+ Benjamin,+ Efraïm en Manasse gingen in Jeruzalem wonen: 4 U̱thai, de zoon van Ammi̱hud, zoon van O̱mri, zoon van I̱mri, zoon van Ba̱ni, van de nakomelingen van Pe̱rez,+ de zoon van Juda. 5 Van de Silonieten: Asa̱ja, de eerstgeboren zoon, en zijn zonen. 6 Van de zonen van Ze̱ra:+ Jeü̱ël en 690 van hun broeders.
7 Van de nakomelingen van Benjamin: Sa̱llu, de zoon van Mesu̱llam, zoon van Hoda̱vja, zoon van Hassenu̱a, 8 Jibne̱a, de zoon van Jero̱ham, E̱la, de zoon van U̱zzi, zoon van Mi̱chri, en Mesu̱llam, de zoon van Sefa̱tja, zoon van Re̱huël, zoon van Jibni̱a. 9 Het aantal van hun broeders volgens hun afstammingslijn was 956. Al die mannen waren hoofden van hun vaderlijke huizen.*
10 Van de priesters waren er Jeda̱ja, Jo̱jarib, Ja̱chin,+ 11 Aza̱rja, de zoon van Hilki̱a, zoon van Mesu̱llam, zoon van Za̱dok, zoon van Me̱rajoth, zoon van Ahi̱tub, een leider van het huis* van de ware God, 12 Ada̱ja, de zoon van Jero̱ham, zoon van Pa̱shur, zoon van Malki̱a, Ma̱sai, de zoon van Adi̱ël, zoon van Jahze̱ra, zoon van Mesu̱llam, zoon van Mesille̱mith, zoon van I̱mmer, 13 en hun broeders, hoofden van de vaderlijke huizen, 1760 sterke, bekwame mannen die beschikbaar waren voor de dienst in het huis van de ware God.
14 Van de Levieten waren er Sema̱ja,+ de zoon van Ha̱ssub, zoon van Azri̱kam, zoon van Hasa̱bja, van de nakomelingen van Mera̱ri, 15 en Bakba̱kkar, He̱res, Ga̱lal, Matta̱nja, de zoon van Micha, zoon van Zi̱chri, zoon van Asaf, 16 Obadja, de zoon van Sema̱ja, zoon van Ga̱lal, zoon van Jedu̱thun, en Bere̱chja, de zoon van A̱sa, zoon van Elka̱na, die in de dorpen van de Netofathieten+ woonde.
17 De poortwachters+ waren Sa̱llum, A̱kkub, Ta̱lmon en Ahi̱man, met hun broeder Sa̱llum aan het hoofd. 18 Tot die tijd was hij bij de koningspoort aan de oostkant.+ Dat waren de poortwachters van de kampen van de Levieten. 19 Sa̱llum, de zoon van Ko̱re, zoon van E̱bjasaf, zoon van Korach, en zijn broeders uit zijn vaderlijk huis, de Korachieten, hadden het toezicht over de taken van de dienst als deurwachters van de tent, zoals hun vaders het toezicht hadden gehad over het kamp van Jehovah als bewakers van de ingang. 20 Pi̱nehas,+ de zoon van Elea̱zar,+ was in het verleden hun leider geweest. Jehovah was met hem. 21 Zachari̱a,+ de zoon van Mesele̱mja, was de poortwachter bij de ingang van de tent van samenkomst.
22 Er waren in totaal 212 mannen uitgekozen als poortwachters bij de drempels. Ze woonden in hun dorpen volgens hun inschrijving in de geslachtsregisters.+ David en de ziener+ Samuël hadden hen in hun vertrouwenspositie aangesteld. 23 Zij en hun zonen hadden als taak de poorten te bewaken van het huis van Jehovah,+ de tent.* 24 De poortwachters stonden aan vier kanten: oost, west, noord en zuid.+ 25 Van tijd tot tijd moesten hun broeders vanuit hun woonplaatsen komen om zeven dagen samen met hen dienst te doen. 26 Aan vier hoofden* van de poortwachters, die Levieten waren, was het toezicht toevertrouwd over de kamers* en over de schatkamers van het huis van de ware God.+ 27 Zij brachten altijd de nacht door op hun posten rondom het huis van de ware God, want ze waren belast met de bewaking. Ook beheerden ze de sleutel en openden ze elke ochtend de poorten.
28 Sommigen van hen waren verantwoordelijk voor de voorwerpen+ die nodig waren voor de dienst. Ze telden ze als ze naar binnen werden gebracht en als ze naar buiten werden gebracht. 29 Sommigen van hen waren aangesteld over de andere gebruiksvoorwerpen, over alle heilige voorwerpen+ en over de meelbloem,+ de wijn,+ de olie,+ de geurige hars+ en de balsemolie.+ 30 Sommigen van de zonen van de priesters mengden de zalf van balsemolie. 31 Aan de Leviet Matti̱thja, de eerstgeboren zoon van de Korachiet Sa̱llum, was het toezicht toevertrouwd over het bakken.+ 32 Sommigen van hun broeders van de Kehathieten gingen over het stapelbrood*+ en moesten het elke sabbat klaarmaken.+
33 Dit waren de zangers, de hoofden van de vaderlijke huizen van de Levieten. Ze waren in de kamers en waren vrijgesteld van andere taken, want ze moesten dag en nacht beschikbaar zijn voor hun dienst. 34 Zij waren de hoofden van de vaderlijke huizen van de Levieten volgens hun afstammingslijn, leiders. Ze woonden in Jeruzalem.
35 Jeï̱ël woonde in Gi̱beon,+ de stad die hij had gesticht. Zijn vrouw heette Ma̱ächa. 36 Zijn eerstgeboren zoon was A̱bdon, en daarna kwamen Zur, Kis, Baäl, Ner, Na̱dab, 37 Ge̱dor, Ahi̱o, Zachari̱a en Mi̱kloth. 38 Mi̱kloth werd de vader van Si̱meam. Ze woonden allemaal in de buurt van hun broeders in Jeruzalem, samen met hun andere broeders. 39 Ner+ werd de vader van Kis. Kis werd de vader van Saul.+ Saul werd de vader van Jonathan,+ Malkisu̱a,+ Abina̱dab+ en Esba̱äl. 40 Jonathans zoon was Me̱rib-Baäl.+ Me̱rib-Baäl werd de vader van Micha.+ 41 De zonen van Micha waren Pi̱thon, Me̱lech, Tahre̱a en Achaz. 42 Achaz werd de vader van Jaë̱ra. Jaë̱ra werd de vader van A̱lemeth, Azma̱veth en Zi̱mri. Zi̱mri werd de vader van Mo̱za. 43 Mo̱za werd de vader van Bi̱na. Zijn zoon was Refa̱ja. Zijn zoon was Ela̱sa. Zijn zoon was A̱zel. 44 A̱zel had zes zonen. Ze heetten Azri̱kam, Bo̱chru, Ismaël, Sea̱rja, Obadja en Ha̱nan. Zij waren de zonen van A̱zel.
10 De Filistijnen voerden oorlog tegen Israël. De mannen van Israël sloegen voor ze op de vlucht en velen van hen sneuvelden op de berg Gilbo̱a.+ 2 De Filistijnen zaten Saul en zijn zonen op de hielen en doodden Jonathan, Abina̱dab en Malkisu̱a,+ de zonen van Saul. 3 Vervolgens richtte de strijd zich in alle hevigheid tegen Saul. De boogschutters kregen hem in het oog en verwondden hem.+ 4 Toen zei Saul tegen zijn wapendrager: ‘Trek je zwaard en steek me neer. Dan kunnen die onbesneden mannen me niet wreed behandelen.’*+ Maar zijn wapendrager was te bang en wilde het niet doen. Daarom greep Saul het zwaard en stortte zich erin.+ 5 Toen de wapendrager zag dat Saul dood was, stortte ook hij zich in zijn zwaard en stierf. 6 Zo kwamen Saul en zijn drie zonen om het leven, en in één keer kwam iedereen van zijn huis aan zijn eind.+ 7 Alle Israëlieten in de vallei* zagen dat iedereen gevlucht was en dat Saul en zijn zonen gestorven waren. Toen verlieten ze hun steden en vluchtten, waarna de Filistijnen kwamen en de steden bezetten.
8 De volgende dag gingen de Filistijnen op pad om de gesneuvelde Israëlieten te plunderen. Op de berg Gilbo̱a vonden ze de lichamen van Saul en zijn zonen.+ 9 Ze trokken Sauls kleren uit, hakten zijn hoofd eraf en namen zijn wapenrusting mee. Daarna stuurden ze boodschappers rond in het land van de Filistijnen om het nieuws onder het volk en hun afgoden+ bekend te maken. 10 Vervolgens legden ze zijn wapenrusting in het huis* van hun god en hingen ze zijn hoofd aan het huis van Da̱gon.+
11 Toen iedereen van Ja̱bes+ in Gilead hoorde wat de Filistijnen allemaal met Saul hadden gedaan,+ 12 trokken alle strijders uit. Ze haalden de lichamen van Saul en zijn zonen weg en brachten die naar Ja̱bes. Ze begroeven hun botten onder de grote boom in Ja̱bes+ en gingen zeven dagen vasten.
13 Zo stierf Saul omdat hij Jehovah ontrouw was geweest door het woord van Jehovah niet te gehoorzamen.+ Ook had hij een medium geraadpleegd+ 14 in plaats van Jehovah om leiding te vragen. Daarom bracht Hij hem ter dood en maakte Hij David, de zoon van I̱saï,+ koning in zijn plaats.
11 Na verloop van tijd kwamen de Israëlieten bij David in He̱bron+ en zeiden: ‘Wij zijn uw eigen vlees en bloed.*+ 2 Toen Saul nog koning was, was u het die Israël aanvoerde in de strijd.+ En Jehovah, uw God, zei tegen u: “Jij zult herder en leider worden over mijn volk Israël.”’+ 3 Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in He̱bron, en David sloot daar een verbond* met hen met Jehovah als getuige. Toen zalfden ze David tot koning over Israël,+ in overeenstemming met Jehovah’s woord via Samuël.+
4 Later trokken David en heel Israël op naar Jeruzalem, oftewel Je̱bus,+ waar de Jebusieten+ woonden. 5 De inwoners van Je̱bus zeiden spottend tegen David: ‘Jij komt hier nooit binnen!’+ Toch nam David de vesting Sion+ in, die nu de Stad van David+ is. 6 David zei: ‘Wie de Jebusieten de eerste slag toebrengt, zal aanvoerder* en leider worden.’ Joab,+ de zoon van Zeru̱ja, klom het eerst naar boven, en hij werd de aanvoerder. 7 David ging in de vesting wonen, die daarom de Stad van David werd genoemd. 8 Hij liet overal aan de stad bouwen, vanaf de Mi̱llo* tot de gedeelten eromheen, en Joab herstelde de rest van de stad. 9 Zo werd David steeds machtiger,+ en Jehovah van de legermachten was met hem.
10 Dit zijn de hoofden van Davids dappere strijders, die hem samen met heel Israël als leider steunden. Ze hielpen allemaal om hem koning te maken, overeenkomstig Jehovah’s woord over Israël.+ 11 Dit is de lijst van Davids dappere strijders: Jaso̱bam,+ de zoon van een Hachmoniet, het hoofd van de drie.+ Hij doodde bij één gelegenheid met zijn speer 300 man.+ 12 De tweede van de drie dappere strijders was Elea̱zar,+ de zoon van de Ahohiet+ Do̱do. 13 Hij was bij David in Pas-Da̱mmim,+ waar de Filistijnen zich hadden verzameld voor de strijd. Er was daar een stuk land met gerst, en het volk was voor de Filistijnen gevlucht. 14 Maar hij ging midden in dat veld staan en verdedigde het. Hij bleef Filistijnen neerslaan en Jehovah zorgde voor een grote overwinning.*+
15 Drie van de 30 leiders gingen naar de rots, naar David in de grot van Adu̱llam,+ terwijl een Filistijns leger in het Re̱faïmdal*+ gelegerd was. 16 David was toen in de schuilplaats en er was een garnizoen van de Filistijnen in Bethlehem. 17 Op een keer uitte David de wens: ‘Kon ik maar wat water drinken uit de waterput bij de poort van Bethlehem!’+ 18 Vervolgens drongen de drie mannen het kamp van de Filistijnen binnen en putten water uit de waterput bij de poort van Bethlehem. Ze brachten het naar David, maar hij weigerde het te drinken en goot het uit voor Jehovah. 19 Hij zei: ‘Het is vanuit het standpunt van mijn God bezien ondenkbaar dat ik dit doe! Moet ik het bloed drinken van deze mannen die hun leven* hebben gewaagd?+ Want ze hebben het met gevaar voor eigen leven* gehaald.’ Hij weigerde het dus te drinken. Dat zijn de dingen die zijn drie dappere strijders deden.
20 Abi̱saï,+ de broer van Joab,+ werd het hoofd van drie andere strijders. Hij doodde met zijn speer 300 man, en hij had net zo’n reputatie als de eerste drie.+ 21 Hij had meer aanzien dan de twee anderen van deze drie strijders, en hij was hun aanvoerder. Maar hij bereikte niet de status van de eerste drie.
22 Bena̱ja,+ de zoon van Jo̱jada, was een moedig man* die veel heldendaden deed in Ka̱bzeël.+ Hij doodde de twee zonen van A̱riël uit Moab. Een andere keer, toen er sneeuw lag, daalde hij af in een waterput en doodde een leeuw.+ 23 Hij doodde ook een Egyptenaar die buitengewoon groot was: vijf el.*+ De Egyptenaar had een speer in zijn hand zo groot als de boom van een weefgetouw.+ Toch viel hij de Egyptenaar aan met een stok. Hij rukte de speer uit zijn hand en doodde hem met zijn eigen speer.+ 24 Die dingen deed Bena̱ja, de zoon van Jo̱jada, en hij had net zo’n reputatie als de drie dappere strijders. 25 Hij had meer aanzien dan de dertig, maar hij bereikte niet de status van de drie.+ Toch stelde David hem aan over zijn eigen lijfwacht.
26 De dappere strijders van het leger waren A̱saël,+ de broer van Joab, Elha̱nan, de zoon van Do̱do uit Bethlehem,+ 27 de Haroriet Sa̱mmoth, de Peloniet He̱lez, 28 I̱ra,+ de zoon van de Tekoïet I̱kkes, de Anathothiet Abië̱zer,+ 29 de Husathiet Si̱bbechai,+ de Ahohiet I̱lai, 30 de Netofathiet Ma̱harai,+ He̱led,+ de zoon van de Netofathiet Ba̱äna, 31 I̱thai, de zoon van Ri̱bai uit Gi̱bea van de Benjaminieten,+ de Pirathoniet Bena̱ja, 32 Hu̱rai van de wadi’s* van Ga̱äs,+ de Arbathiet Abi̱ël, 33 de Baharumiet Azma̱veth, de Saälboniet Elja̱hba, 34 de zonen van de Gizoniet Ha̱sem, Jonathan, de zoon van de Harariet Sa̱gé, 35 Ahi̱am, de zoon van de Harariet Sa̱char, Eli̱fal, de zoon van Ur, 36 de Mecherathiet He̱fer, de Peloniet Ahi̱a, 37 de Karmeliet He̱zro, Na̱ärai, de zoon van E̱zbai, 38 Joël, de broer van Nathan, Mi̱bhar, de zoon van Ha̱gri, 39 de Ammoniet Ze̱lek, de Berothiet Na̱harai, de wapendrager van Joab, de zoon van Zeru̱ja, 40 de Jethriet I̱ra, de Jethriet Ga̱reb, 41 de Hethiet Uri̱a,+ Za̱bad, de zoon van A̱chlai, 42 Adi̱na, de zoon van de Rubeniet Si̱za, een hoofd van de Rubenieten, en met hem 30 man, 43 Ha̱nan, de zoon van Ma̱ächa, de Mithniet Josafat, 44 de Asterathiet Uzzi̱a, Sa̱ma en Jeï̱ël, de zonen van de Aroëriet Ho̱tham, 45 Jedi̱aël, de zoon van Si̱mri, en zijn broer, de Tiziet Jo̱ha, 46 de Mahaviet E̱liël, Jeri̱bai en Josa̱vja, de zonen van Elna̱äm, de Moabiet Ji̱thma, 47 E̱liël, Obed en de Mezobaïet Jaä̱siël.
12 Dit waren de mannen die bij David kwamen in Zi̱klag+ toen hij zich verborg voor Saul,+ de zoon van Kis. Ze hoorden bij de dappere strijders die hem steunden in de strijd.+ 2 Ze waren gewapend met bogen, en ze konden zowel met hun rechter- als hun linkerhand+ stenen slingeren+ en pijlen afschieten. Ze waren broeders van Saul, uit Benjamin.+ 3 Het hoofd was Ahië̱zer, en verder Joas, allebei zonen van de Gibeathiet+ Sema̱ä, Je̱ziël en Pe̱let, de zonen van Azma̱veth,+ Bera̱ka, de Anathothiet Jehu, 4 de Gibeoniet+ Jisma̱ja, een dappere strijder die bij de dertig+ hoorde en hun aanvoerder was, en ook Jeremia, Jaha̱ziël, Joha̱nan, de Gederathiet Jo̱zabad, 5 Elu̱zai, Je̱rimoth, Bea̱lja, Sema̱rja, de Harufiet Sefa̱tja, 6 Elka̱na, Jissi̱a, Aza̱reël, Joë̱zer en Jaso̱bam, de Korachieten,+ 7 en Joë̱la en Zeba̱dja, de zonen van Jero̱ham uit Ge̱dor.
8 Er waren ook Gadieten die zich bij David aansloten. Ze gingen naar zijn schuilplaats in de woestijn.+ Het waren dappere strijders, soldaten die getraind waren voor de oorlog, uitgerust met grote schilden en speren. Hun gezicht was als dat van een leeuw en ze waren zo snel als de gazellen op de bergen. 9 E̱zer was het hoofd, Obadja de tweede, Eli̱ab de derde, 10 Misma̱nna de vierde, Jeremia de vijfde, 11 A̱ttai de zesde, E̱liël de zevende, 12 Joha̱nan de achtste, Elza̱bad de negende, 13 Jeremia de tiende, Machba̱nnai de elfde. 14 Die Gadieten+ waren hoofden van het leger. De kleinste telde voor 100 en de grootste voor 1000.+ 15 Zij waren het die in de eerste maand de Jordaan overstaken toen die buiten zijn oevers was getreden, en ze verjoegen alle bewoners van de valleien naar het oosten en naar het westen.
16 Ook een aantal mannen van Benjamin en Juda kwam naar David in zijn schuilplaats.+ 17 David kwam naar buiten, ging vóór hen staan en zei: ‘Als jullie in vrede zijn gekomen om mij te helpen, dan zijn jullie welkom.* Maar als jullie me aan mijn vijanden willen verraden terwijl er geen onrecht aan mijn handen kleeft, dan zal de God van onze voorvaders het zien en jullie straffen.’+ 18 Toen kwam* de geest op Ama̱sai,+ het hoofd van de dertig, en hij zei:
‘We horen bij jou, David, en we staan aan jouw kant, zoon van I̱saï.+
Vrede, vrede voor jou, en vrede voor wie jou helpt,
want je God helpt je.’+
David nam ze in zijn troepen op en stelde ze als hoofd aan.
19 Ook van Manasse waren er die naar David overliepen toen hij met de Filistijnen tegen Saul ten strijde trok. Maar hij heeft de Filistijnen uiteindelijk niet geholpen, want na overleg stuurden de vorsten van de Filistijnen+ hem weg. Ze zeiden: ‘Straks loopt hij naar zijn heer Saul over, en dat kost ons de kop.’+ 20 Toen hij naar Zi̱klag+ ging, liepen de volgende mannen uit Manasse naar hem over: A̱dnah, Jo̱zabad, Jedi̱aël, Michaël, Jo̱zabad, Eli̱hu en Zi̱llethai, hoofden van de duizenden van Manasse.+ 21 Ze hielpen David in de strijd tegen de roversbende, want het waren allemaal sterke, dappere mannen,+ en ze werden aanvoerder in het leger. 22 Elke dag kwamen er mensen naar David+ om hem te helpen, tot het een leger was zo groot als het leger van God.+
23 Dit zijn de aantallen van de gewapende soldaten die bij David in He̱bron+ kwamen om volgens Jehovah’s bevel het koningschap van Saul op hem over te dragen.+ 24 De mannen van Juda, uitgerust met grote schilden en speren: 6800 gewapende soldaten. 25 Van de Simeonieten: 7100 sterke, dappere mannen van het leger.
26 Van de Levieten: 4600. 27 Jo̱jada+ was de leider van de zonen van Aäron.+ Met hem waren 3700 mannen, 28 en ook Za̱dok,+ een sterke en dappere jonge man, met 22 aanvoerders van zijn vaderlijk huis.
29 Van de Benjaminieten, de broeders van Saul:+ 3000. De meesten van hen hadden voor die tijd het huis van Saul gesteund. 30 Van de Efraïmieten: 20.800 sterke, dappere mannen die bij hun vaderlijk huis in hoog aanzien stonden.
31 Van de helft van de stam Manasse: 18.000 mannen die bij naam waren aangewezen om David koning te maken. 32 Van de zonen van I̱ssaschar: 200 leiders die aanvoelden in wat voor tijd ze leefden en die begrepen wat Israël moest doen. Al hun broeders stonden onder hun bevel. 33 Van Ze̱bulon: 50.000 mannen die in het leger konden dienen, gevechtsklaar en uitgerust met allerlei wapens. Ze sloten zich allemaal bij David aan en waren volledig loyaal aan hem.* 34 Van Na̱ftali: 1000 aanvoerders en 37.000 soldaten met grote schilden en speren. 35 Van de Danieten: 28.600 mannen die gevechtsklaar waren. 36 Van Aser: 40.000 mannen die in het leger konden dienen en gevechtsklaar waren.
37 Van de overkant van de Jordaan,+ van de Rubenieten, de Gadieten en de helft van de stam Manasse: 120.000 soldaten met allerlei wapens. 38 Het waren allemaal strijders die zich samen in gevechtsformatie konden opstellen. Ze kwamen met een onverdeeld hart naar He̱bron om David koning over heel Israël te maken. Ook de rest van Israël wilde eensgezind* David koning maken.+ 39 Drie dagen bleven ze daar bij David. Ze aten en dronken wat hun broeders voor hen hadden klaargemaakt. 40 Ook uit naburige stammen en zelfs helemaal uit I̱ssaschar, Ze̱bulon en Na̱ftali werd er voedsel gebracht op ezels, kamelen, muildieren en runderen — grote hoeveelheden meel, koeken van samengeperste vijgen en rozijnen, wijn, olie, runderen en schapen. Want er heerste vreugde in Israël.
13 David raadpleegde de bevelhebbers over duizend en over honderd en alle leiders.+ 2 Daarna zei David tegen de hele gemeente van Israël: ‘Als jullie het ermee eens zijn en Jehovah, onze God, het goedvindt, laten we dan een boodschap sturen naar de rest van onze broeders in alle gebieden van Israël en ook naar de priesters en de Levieten in hun steden+ met de omliggende weidegrond. Laten we hun vragen naar ons toe te komen. 3 En laten we de ark+ van onze God terugbrengen.’ In de tijd van Saul was er namelijk niet naar omgekeken.+ 4 De hele gemeente stemde ermee in, want iedereen vond het een goed voorstel. 5 Toen riep David alle Israëlieten bij elkaar, vanaf de rivier* van Egypte tot aan Le̱bo-Ha̱math,*+ om de ark van de ware God uit Ki̱rjath-Jea̱rim op te halen.+
6 David en heel Israël gingen dus naar Ba̱äla,+ naar Ki̱rjath-Jea̱rim, dat bij Juda hoort, om de ark van de ware God op te halen — de ark waar de naam van Jehovah wordt aangeroepen, die boven* de cherubs+ op zijn troon zit. 7 De ark van de ware God werd op een nieuwe wagen gezet+ om die uit Abina̱dabs huis te vervoeren. U̱zza en Ahi̱o begeleidden de wagen.+ 8 David en heel Israël vierden vol overgave feest voor de ware God, begeleid door zang, harpen, andere snaarinstrumenten, tamboerijnen,+ cimbalen+ en trompetten.+ 9 Maar toen ze bij de dorsvloer van Ki̱don kwamen, lieten de runderen de ark bijna kantelen. U̱zza stak zijn hand uit en greep de ark vast. 10 Daarom werd Jehovah woedend op U̱zza en Hij doodde hem omdat hij zijn hand had uitgestoken naar de ark.+ Hij stierf daar voor de ogen van God.+ 11 Maar David werd kwaad* omdat Jehovah’s woede tegen U̱zza was losgebarsten. Die plaats wordt daarom tot op de dag van vandaag Pe̱rez-U̱zza* genoemd.
12 David werd op die dag bang voor de ware God en zei: ‘Hoe kan ik de ark van de ware God bij mij laten komen?’+ 13 Hij liet de ark niet bij zich brengen in de Stad van David, maar hij liet de ark naar het huis van de Gathiet Obed-Edom brengen. 14 De ark van de ware God bleef drie maanden bij het gezin van Obed-Edom, in zijn huis, en Jehovah bleef het gezin van Obed-Edom en alles wat hij had zegenen.+
14 Koning Hi̱ram+ van Tyrus stuurde boodschappers naar David, en ook cederhout, metselaars* en houtbewerkers om voor David een huis* te bouwen.+ 2 En David wist dat Jehovah zijn koningschap over Israël had bevestigd,+ want Hij had hem als koning veel aanzien gegeven ter wille van Zijn volk Israël.+
3 In Jeruzalem nam David nog meer vrouwen,+ en hij werd de vader van nog meer zonen en dochters.+ 4 Dit zijn de namen van de kinderen die hij in Jeruzalem kreeg:+ Sammu̱a, So̱bab, Nathan,+ Salomo,+ 5 Ji̱bhar, Elisu̱a, Elpe̱let, 6 No̱gah, Ne̱feg, Jafi̱a, 7 Elisa̱ma, Beë̱ljada en Elife̱let.
8 Toen de Filistijnen hoorden dat David tot koning over heel Israël was gezalfd,+ gingen ze eropuit om David te grijpen.+ David kreeg het te horen en rukte direct tegen ze uit. 9 De Filistijnen deden vervolgens invallen in het Re̱faïmdal.*+ 10 David vroeg God om leiding en zei: ‘Zal ik de Filistijnen aanvallen? Zult u ze aan mij overleveren?’ Jehovah antwoordde: ‘Ga, en ik zal ze zeker aan je overleveren.’+ 11 David ging naar Baäl-Pe̱razim+ en versloeg de Filistijnen daar. Toen zei hij: ‘De ware God heeft mij gebruikt om door de vijandelijke linies heen te breken zoals water een barrière doorbreekt.’ Daarom noemden ze die plaats Baäl-Pe̱razim.* 12 De Filistijnen lieten daar hun goden achter, en die werden op bevel van David verbrand.+
13 Later deden de Filistijnen nog een inval in het dal.*+ 14 David vroeg God opnieuw om leiding, maar de ware God zei tegen hem: ‘Ga niet recht op ze af. Trek om ze heen tot je achter ze bent, en val ze aan bij de baka-struiken.+ 15 Als je in de toppen van de baka-struiken het geluid van marcheren hoort, zet dan de aanval in, want dan is de ware God voor je uit gegaan om het leger van de Filistijnen te verslaan.’+ 16 David deed wat de ware God hem had opgedragen+ en ze sloegen het Filistijnse leger neer van Gi̱beon tot aan Ge̱zer.+ 17 David werd beroemd in alle landen, en Jehovah zorgde ervoor dat alle volken bang voor hem werden.+
15 David bouwde huizen voor zichzelf in de Stad van David en hij maakte een plaats in orde voor de ark van de ware God en zette er een tent voor op.+ 2 Bij die gelegenheid zei David: ‘Niemand mag de ark van de ware God dragen, behalve de Levieten, want Jehovah heeft hen uitgekozen om de ark van Jehovah te dragen en hem altijd te dienen.’+ 3 Daarna liet David heel Israël in Jeruzalem bij elkaar komen om de ark van Jehovah naar de plaats te brengen die hij ervoor in orde had gemaakt.+
4 David bracht de nakomelingen van Aäron+ en de Levieten+ bij elkaar. 5 Van de Kehathieten: U̱riël, het hoofd, en 120 van zijn broeders. 6 Van de Merarieten: Asa̱ja,+ het hoofd, en 220 van zijn broeders. 7 Van de Gersomieten: Joël,+ het hoofd, en 130 van zijn broeders. 8 Van de nakomelingen van Eliza̱fan:+ Sema̱ja, het hoofd, en 200 van zijn broeders. 9 Van de nakomelingen van He̱bron: E̱liël, het hoofd, en 80 van zijn broeders. 10 Van de nakomelingen van U̱zziël:+ Ammina̱dab, het hoofd, en 112 van zijn broeders. 11 Verder ontbood David de priesters Za̱dok+ en A̱bjathar,+ en de Levieten U̱riël, Asa̱ja, Joël, Sema̱ja, E̱liël en Ammina̱dab. 12 Hij zei tegen hen: ‘Jullie zijn de hoofden van de vaderlijke huizen van de Levieten. Jullie en je broeders moeten je heiligen en de ark van Jehovah, de God van Israël, naar de plaats brengen die ik in orde heb gebracht. 13 Omdat jullie de ark de vorige keer niet hebben gedragen,+ is de woede van Jehovah, onze God, tegen ons losgebarsten.+ We zijn toen niet nagegaan wat de juiste procedure is.’+ 14 De priesters en de Levieten heiligden zich om de ark van Jehovah, de God van Israël, te vervoeren.
15 Toen droegen de Levieten de ark van de ware God met de draagstokken op hun schouders,+ zoals Mozes had geboden in overeenstemming met Jehovah’s woord. 16 Daarna zei David tegen de hoofden van de Levieten dat ze de zangers, hun broeders, de opdracht moesten geven met vreugde te zingen, onder begeleiding van muziekinstrumenten: snaarinstrumenten, harpen+ en cimbalen.+
17 De Levieten wezen toen He̱man+ aan, de zoon van Joël, en van zijn broeders Asaf,+ de zoon van Bere̱chja, en van de Merarieten, hun broeders, E̱than,+ de zoon van Kusa̱ja. 18 Ze werden bijgestaan door hun broeders van de tweede afdeling:+ Zachari̱a, Ben, Jaä̱ziël, Semi̱ramoth, Jehi̱ël, U̱nni, Eli̱ab, Bena̱ja, Maäse̱ja, Matti̱thja, Elife̱le, Mikne̱ja en de poortwachters Obed-Edom en Jeï̱ël. 19 De zangers He̱man,+ Asaf+ en E̱than moesten de koperen cimbalen laten klinken.+ 20 Zachari̱a, A̱ziël, Semi̱ramoth, Jehi̱ël, U̱nni, Eli̱ab, Maäse̱ja en Bena̱ja speelden op snaarinstrumenten gestemd op alamoth.*+ 21 Matti̱thja,+ Elife̱le, Mikne̱ja, Obed-Edom, Jeï̱ël en Aza̱zja speelden op harpen gestemd op sjeminith*+ en traden op als leider. 22 Kena̱nja,+ het hoofd van de Levieten, had vanwege zijn deskundigheid de leiding over het vervoer van de ark. 23 Bere̱chja en Elka̱na waren bewakers van de ark. 24 De priesters Seba̱nja, Josafat, Netha̱neël, Ama̱sai, Zachari̱a, Bena̱ja en Elië̱zer bliezen vóór de ark van de ware God luid op de trompetten.+ Obed-Edom en Jehi̱a waren ook bewakers van de ark.
25 Zo gingen David, de oudsten van Israël en de bevelhebbers over duizend op weg om de ark van het verbond van Jehovah op een feestelijke manier vanuit het huis van Obed-Edom+ over te brengen.+ 26 De ware God hielp de Levieten die de ark van het verbond van Jehovah droegen. Daarom offerden ze zeven jonge stieren en zeven rammen.+ 27 David droeg een mantel van fijne stof, net als alle Levieten die de ark droegen, de zangers en Kena̱nja, die de leiding had over het vervoer en over de zangers. David droeg ook een linnen efod.*+ 28 Luid juichend brachten de Israëlieten de ark van het verbond van Jehovah over,+ terwijl de hoorns, de trompetten+ en de cimbalen klonken en er luid op snaarinstrumenten en harpen+ werd gespeeld.
29 Maar toen de ark van het verbond van Jehovah de Stad van David binnenkwam,+ keek Sauls dochter Michal+ door het venster naar beneden. Daar zag ze koning David rondhuppelen en feestvieren. En ze ging hem verachten in haar hart.+
16 De ark van de ware God werd naar binnen gebracht en in de tent geplaatst die David ervoor had opgezet.+ Daarna brachten ze brandoffers en vredeoffers* aan de ware God.+ 2 Toen David de brandoffers+ en de vredeoffers+ had gebracht, zegende hij het volk in de naam van Jehovah. 3 Verder gaf hij alle Israëlieten, elke man en vrouw, een rond brood, een dadelkoek en een rozijnenkoek. 4 Toen wees hij enkele Levieten aan om bij de ark van Jehovah dienst te doen,+ om Jehovah, de God van Israël, te eren,* te danken en te loven. 5 Asaf+ was het hoofd en na hem kwam Zachari̱a. Jeï̱ël, Semi̱ramoth, Jehi̱ël, Matti̱thja, Eli̱ab, Bena̱ja, Obed-Edom en Jeï̱ël+ speelden op snaarinstrumenten en harpen.+ Asaf sloeg de cimbalen,+ 6 en de priesters Bena̱ja en Jaha̱ziël bliezen steeds op de trompetten vóór de ark van het verbond van de ware God.
7 Op die dag droeg David voor het eerst een danklied voor Jehovah bij dat hij liet zingen door Asaf+ en zijn broeders:
10 Vertel trots over zijn heilige naam.+
Wees blij van hart, jullie die Jehovah zoeken.+
11 Zoek Jehovah+ en vraag om zijn kracht.
12 Denk aan de bijzondere dingen die hij heeft gedaan,+
zijn wonderen en de oordelen die hij heeft uitgesproken,
13 o nageslacht* van zijn dienaar Israël,+
zonen van Jakob, zijn uitverkorenen.+
Zijn oordelen gelden over de hele aarde.+
15 Denk voor altijd aan zijn verbond,
tot in duizend generaties aan zijn belofte,*+
16 het verbond dat hij met Abraham sloot+
en de eed die hij aan Isaäk zwoer,+
17 ingesteld als voorschrift voor Jakob+
en als blijvend verbond voor Israël,
18 toen hij zei: “Ik zal je het land Kanaän geven+
als jouw toegewezen erfdeel.”+
23 Zing voor Jehovah, heel de aarde!
Kondig elke dag zijn redding aan!+
24 Maak onder de volken zijn grootheid bekend,
onder alle volken zijn wonderen.
25 Want Jehovah is groot en verdient alle eer.
Hij is ontzagwekkend, meer dan alle andere goden.+
26 De goden van de volken zijn waardeloze goden,+
maar Jehovah is degene die de hemel heeft gemaakt.+
27 Hij is omringd door verhevenheid* en pracht.+
In zijn woonplaats zijn kracht en vreugde.+
28 Geef Jehovah erkenning, families van alle volken,
geef Jehovah erkenning voor zijn glorie en kracht.+
29 Geef Jehovah de eer die zijn naam verdient.+
Verschijn voor hem met een geschenk.+
Buig voor* Jehovah in heilige kleding.*+
30 Beef voor hem, heel de aarde!
De aarde* staat vast en is onwankelbaar.*+
31 Laat de hemel zich verheugen en laat de aarde blij zijn.+
Maak onder de volken bekend: “Jehovah is Koning geworden!”+
32 Laat de zee en alles wat daarin is bulderen.
Laten de velden en alles wat daarop is juichen.
33 Laten tegelijkertijd de bomen van het woud jubelen voor Jehovah,
want hij komt* om de aarde te oordelen.
34 Dank Jehovah, want hij is goed.+
Eeuwig duurt zijn loyale liefde.+
35 En zeg: “Red ons, God van onze redding,+
breng ons bijeen en bevrijd ons van de volken,
dan kunnen we uw heilige naam prijzen+
en u uitbundig loven.+
Het hele volk zei: ‘Amen!’,* en ze loofden Jehovah.
37 Daarna liet David Asaf+ en zijn broeders achter bij de ark van het verbond van Jehovah om constant dienst te doen bij de ark,+ volgens de dagelijkse routine.+ 38 Obed-Edom en zijn broeders — in totaal 68 — en Obed-Edom, de zoon van Jedu̱thun, en Ho̱sa waren poortwachters. 39 De priester Za̱dok+ en zijn medepriesters waren bij de tabernakel van Jehovah op de offerhoogte in Gi̱beon + 40 om geregeld op het brandofferaltaar brandoffers voor Jehovah te brengen, ’s ochtends en ’s avonds, en om alles te doen wat in de wet van Jehovah staat, die hij Israël had opgelegd.+ 41 Bij hen waren He̱man, Jedu̱thun+ en de rest van de uitgekozen mannen, die bij naam waren aangewezen om Jehovah te danken,+ want ‘eeuwig duurt zijn loyale liefde’.+ 42 He̱man+ en Jedu̱thun waren bij hen om muziek te maken op de trompetten, de cimbalen en de instrumenten die gebruikt werden om de ware God te loven.* De zonen van Jedu̱thun+ stonden bij de poort. 43 Toen ging het hele volk naar huis. Ook David ging naar huis, om zijn familie te zegenen.
17 Zodra David zijn intrek had genomen in zijn eigen huis,* zei hij tegen de profeet Nathan:+ ‘Ik woon hier in een huis van ceders+ terwijl de ark van het verbond van Jehovah in een tent staat.’+ 2 Nathan antwoordde: ‘Doe wat je hart je ingeeft, want de ware God is met je.’
3 Die nacht kwam het woord van God tot Nathan: 4 ‘Zeg tegen mijn dienaar David: “Dit zegt Jehovah: ‘Jij zult voor mij geen huis bouwen om in te wonen.+ 5 Vanaf de dag dat ik Israël uit Egypte heb geleid tot op deze dag heb ik nooit in een huis gewoond, maar ik ben van tent naar tent gegaan en van de ene tabernakel naar de andere.*+ 6 Heb ik in al de tijd dat ik met heel Israël heb rondgetrokken, ooit tegen de rechters van Israël die ik als herder over mijn volk heb aangesteld, gezegd: “Waarom hebben jullie geen huis van ceders voor me gebouwd?”’”
7 Zeg tegen mijn dienaar David: “Dit zegt Jehovah van de legermachten: ‘Ik heb je uit het veld gehaald, bij de schapen vandaan, om je leider over Israël te maken.+ 8 Ik zal met je zijn, waar je ook heen gaat,+ en ik zal al je vijanden vernietigen.*+ Ik zal je naam groot maken, zoals de naam van de groten van de aarde.+ 9 Ik zal mijn volk Israël een plaats toewijzen waar ze zich kunnen vestigen, en ze zullen daar in alle rust wonen. Ze zullen niet meer onderdrukt* worden door wrede mensen zoals vroeger,+ 10 in de tijd dat ik rechters over Israël aanstelde.+ En ik zal al je vijanden onderwerpen.+ Bovendien laat ik je weten: “Jehovah zal een huis* voor jou bouwen.”
11 Wanneer je leven ten einde loopt en je naar je voorvaders gaat, zal ik je laten opvolgen door je nageslacht,* een van je zonen.+ Ik zal hem het koningschap stevig in handen geven.+ 12 Hij is het die voor mij een huis zal bouwen,+ en ik zal zijn troon voor eeuwig bevestigen.+ 13 Ik zal zijn vader worden, en hij zal mijn zoon worden.+ Mijn loyale liefde zal ik niet van hem wegnemen+ zoals ik die heb weggenomen van je voorganger.+ 14 Ik zal hem voor eeuwig aanstellen over mijn huis en over mijn koninkrijk,*+ en zijn troon zal eeuwig blijven bestaan.’”’+
15 Nathan bracht al die woorden en dat hele visioen aan David over.
16 Toen nam koning David plaats voor Jehovah en zei: ‘Wie ben ik, o Jehovah God? En wat stelt mijn huis voor, dat u zo veel voor me hebt gedaan?+ 17 En alsof dat nog niet genoeg is, o God, zegt u ook nog dat het huis van uw dienaar tot in de verre toekomst zal blijven bestaan.+ U hebt mij bezien als een man die nog meer verhoogd moet worden,* o Jehovah God. 18 Wat kan ik nog meer tegen u zeggen over de eer die u me gegeven hebt? Want u kent uw dienaar heel goed.+ 19 Ter wille van uw dienaar, o Jehovah, en in overeenstemming met wat u in uw hart hebt besloten,* hebt u al die indrukwekkende dingen gedaan en uw grootheid onthuld.+ 20 Jehovah, er is niemand zoals u+ en buiten u is er geen God;+ dat blijkt duidelijk uit alles wat we hebben gehoord. 21 En welk ander volk op aarde is te vergelijken met uw volk Israël?+ U, de ware God, hebt hen losgekocht als uw volk.+ U hebt een naam voor uzelf gemaakt door grote en ontzagwekkende dingen te doen.+ U hebt volken verdreven voor uw volk,+ dat u uit Egypte hebt losgekocht. 22 U hebt uw volk Israël voor altijd tot uw eigen volk gemaakt.+ En u, o Jehovah, werd hun God.+ 23 En nu, Jehovah, laat de belofte die u hebt gedaan in verband met uw dienaar en zijn huis, voor altijd betrouwbaar blijken, en laat uw belofte alstublieft uitkomen.+ 24 Laat uw naam voor altijd blijven bestaan* en geëerd worden,+ zodat mensen zullen zeggen: “Jehovah van de legermachten, de God van Israël, is God over Israël.” En laat het huis van uw dienaar David bevestigd zijn voor u.+ 25 Want u, mijn God, hebt aan mij onthuld dat u een huis* voor mij zult bouwen. Daarom heeft uw dienaar de moed om dit gebed tot u te richten. 26 En nu, o Jehovah, u bent de ware God en u hebt deze goede dingen in verband met uw dienaar beloofd. 27 Dus zegen alstublieft het huis van uw dienaar, zodat het voor altijd mag blijven bestaan. Want u, o Jehovah, hebt het gezegend, en het is voor altijd gezegend.’
18 Een tijdje later versloeg David de Filistijnen en onderwierp hen. Hij ontnam de Filistijnen de macht over Gath+ en de bijbehorende* plaatsen.+ 2 Daarna versloeg hij Moab.+ De Moabieten werden aan David onderworpen en moesten schatting* betalen.+
3 Bij Ha̱math+ versloeg David koning Hadade̱zer+ van Zo̱ba+ toen die bij de rivier de Eufraat+ zijn gezag wilde vestigen. 4 David nam 7000 ruiters en 20.000 man voetvolk van hem gevangen en veroverde 1000 wagens.+ Ook sneed David de pezen van alle wagenpaarden door, op 100 paarden na.+ 5 De Syriërs uit Damaskus kwamen koning Hadade̱zer van Zo̱ba te hulp, maar David doodde 22.000 van hen.+ 6 Toen plaatste David garnizoenen in Syrisch Damaskus, en de Syriërs werden aan David onderworpen en moesten schatting afdragen. Jehovah gaf David steeds de overwinning,* waar hij ook heen ging.+ 7 Bovendien nam David de ronde gouden schilden van Hadade̱zers dienaren en hij bracht ze naar Jeruzalem. 8 Uit Ti̱bhath en Kun, steden van Hadade̱zer, nam David een grote hoeveelheid koper mee. Daarvan maakte Salomo de koperen Zee,+ de zuilen en de koperen voorwerpen.+
9 Toen koning To̱ü van Ha̱math te horen kreeg dat David het hele leger van koning Hadade̱zer+ van Zo̱ba had verslagen,+ 10 stuurde hij meteen zijn zoon Hado̱ram naar koning David om hem het beste te wensen en hem te feliciteren met zijn overwinning op Hadade̱zer (Hadade̱zer had namelijk vaak tegen To̱ü gestreden). Hado̱ram bracht allerlei gouden, zilveren en koperen voorwerpen mee. 11 Koning David heiligde die voorwerpen voor Jehovah,+ net als het zilver en het goud dat hij van alle volken had meegenomen: van Edom en Moab, en van de Ammonieten,+ de Filistijnen+ en de Amalekieten.+
12 Abi̱saï,+ de zoon van Zeru̱ja,+ versloeg 18.000 Edomieten in het Zoutdal.+ 13 In Edom plaatste hij garnizoenen, en alle Edomieten werden aan David onderworpen.+ Jehovah gaf David elke keer de overwinning, waar hij ook heen ging.+ 14 David bleef over heel Israël regeren,+ en hij zorgde voor recht en gerechtigheid voor zijn hele volk.+ 15 Joab, de zoon van Zeru̱ja, ging over het leger,+ en Josafat,+ de zoon van Ahi̱lud, was kroniekschrijver. 16 Za̱dok, de zoon van Ahi̱tub, en Achime̱lech, de zoon van A̱bjathar, waren priester, en Sa̱u̱sa was secretaris. 17 Bena̱ja, de zoon van Jo̱jada, ging over de Kre̱thi+ en de Ple̱thi.+ En de zonen van David hadden de belangrijkste functies bij de koning.
19 Later stierf Na̱has, de koning van de Ammonieten, en zijn zoon volgde hem op.+ 2 Toen zei David: ‘Ik zal loyale liefde tonen+ voor Ha̱nun, de zoon van Na̱has, omdat zijn vader loyale liefde voor mij heeft getoond.’ David stuurde dus boodschappers om hem te troosten met het verlies van zijn vader. Maar toen Davids dienaren in het land van de Ammonieten+ kwamen om Ha̱nun te troosten, 3 zeiden de leiders van de Ammonieten tegen Ha̱nun: ‘Denkt u echt dat David mannen heeft gestuurd om u te troosten en uw vader te eren? Ze zijn gekomen als spionnen om het land te verkennen zodat hij u ten val kan brengen.’ 4 Ha̱nun greep Davids dienaren dus en liet hun baard afscheren+ en de onderste helft van hun kleren afsnijden, tot boven hun billen. Daarna stuurde hij ze weg. 5 Zodra David hiervan hoorde, stuurde hij mannen naar ze toe, want zijn dienaren waren diep vernederd. De koning zei tegen ze: ‘Blijf in Jericho+ totdat je baard weer is aangegroeid en kom dan terug.’
6 Na een tijdje merkten de Ammonieten dat David een afkeer van ze had gekregen. Daarom stuurden Ha̱nun en de Ammonieten 1000 talenten* zilver om wagens en ruiters te huren uit Mesopotamië,* A̱ram-Ma̱ächa en Zo̱ba.+ 7 Ze huurden 32.000 wagens en de koning van Ma̱ächa met zijn mannen. Toen die waren aangekomen en zich voor Me̱deba+ hadden gelegerd, kwamen de Ammonieten uit hun steden en verzamelden ze zich voor de strijd.
8 Toen David dat hoorde, stuurde hij Joab+ erop af met het hele leger, waaronder zijn beste soldaten.+ 9 De Ammonieten rukten uit en stelden zich in gevechtsformatie op bij de ingang van de stad. De koningen die gekomen waren, bevonden zich in het open veld.
10 Toen Joab zag dat hij van voren en van achteren werd bedreigd, koos hij een aantal van de beste soldaten van Israël uit en stelde die op tegen de Syriërs.+ 11 De rest van de mannen plaatste hij onder het bevel* van zijn broer Abi̱saï,+ zodat die in gevechtsformatie tegen de Ammonieten konden optrekken. 12 Joab zei: ‘Als de Syriërs+ te sterk voor me zijn, dan moet jij mij te hulp komen, maar als de Ammonieten te sterk voor jou zijn, dan kom ik jou te hulp. 13 We moeten sterk en moedig zijn+ voor ons volk en voor de steden van onze God, en Jehovah zal doen wat hij het beste vindt.’
14 Vervolgens vielen Joab en zijn mannen de Syriërs aan, en die sloegen voor hem op de vlucht.+ 15 Toen de Ammonieten dat zagen, sloegen ze voor zijn broer Abi̱saï op de vlucht en gingen de stad in. Daarna ging Joab naar Jeruzalem.
16 Toen de Syriërs zagen dat Israël hen had verslagen, stuurden ze boodschappers en lieten ze de Syriërs uit de streek van de Rivier*+ komen. So̱fach, de legeraanvoerder van Hadade̱zer, voerde hen aan.+
17 Zodra David het te horen kreeg, bracht hij heel Israël op de been, stak de Jordaan over en trok ze tegemoet. David stelde zich in gevechtsformatie op tegenover de Syriërs, en ze vielen David aan.+ 18 Maar de Syriërs sloegen voor Israël op de vlucht. David doodde 7000 wagenmenners en 40.000 man voetvolk van de Syriërs. Hij doodde ook So̱fach, de legeraanvoerder. 19 Toen de dienaren van Hadade̱zer zagen dat ze door Israël waren verslagen,+ sloten ze meteen vrede met David en gingen hem dienen.+ De Syriërs wilden vanaf dat moment geen hulp meer bieden aan de Ammonieten.
20 Aan het begin van het jaar,* in de tijd dat de koningen veldtochten ondernemen, leidde Joab+ een verwoestende veldtocht door het land van de Ammonieten. Hij belegerde Ra̱bba,+ terwijl David in Jeruzalem bleef.+ Joab nam Ra̱bba in en maakte het met de grond gelijk.+ 2 Toen nam David de kroon die Ma̱lkam* op zijn hoofd had. Het was een kroon gemaakt van een talent* goud en versierd met edelstenen. En de kroon werd op Davids hoofd geplaatst. Ook haalde David een grote hoeveelheid buit uit de stad.+ 3 Hij nam de inwoners gevangen en zette ze aan het werk.+ Hij liet ze werken met scherpe ijzeren werktuigen en met bijlen, en hij liet ze stenen zagen. Hetzelfde deed hij met alle andere steden van de Ammonieten. Uiteindelijk ging David met het hele leger terug naar Jeruzalem.
4 Hierna brak er in Ge̱zer oorlog uit met de Filistijnen. De Husathiet Si̱bbechai+ doodde Si̱ppai, een afstammeling van de Refaïeten,+ en de Filistijnen werden onderworpen.
5 Later ontstond er opnieuw oorlog met de Filistijnen. Elha̱nan, de zoon van Ja̱ïr, doodde toen La̱chmi, de broer van de Gathiet Goliath,+ die een speer had waarvan de schacht zo groot was als de boom van een weefgetouw.+
6 Ook in Gath was er een veldslag.+ Er was toen een afstammeling van de Refaïeten+ die abnormaal groot was.+ Hij had 6 vingers aan elke hand en 6 tenen aan elke voet: 24 in totaal. 7 Hij bleef Israël uitdagen+ en werd gedood door Jonathan, de zoon van Davids broer Si̱mea.+
8 Die mannen waren afstammelingen van de Refaïeten+ uit Gath+ en ze werden gedood door David en zijn dienaren.
21 Toen keerde Satan* zich tegen Israël en hij zette David ertoe aan Israël te tellen.+ 2 David zei tegen Joab+ en de leiders van het volk: ‘Ga Israël tellen, van Berse̱ba tot Dan.+ Breng me de uitslag, zodat ik te weten kom met hoeveel ze zijn.’ 3 Maar Joab zei: ‘Ik hoop dat Jehovah zijn volk nog 100 keer zo groot maakt! Maar zijn het niet allemaal al dienaren van u, mijn heer de koning? Waarom zou u dit willen doen? Waarom zou u een schuld op Israël laden?’
4 Maar de woorden van de koning wogen zwaarder dan die van Joab. Joab ging dus op weg en trok door heel Israël. Daarna kwam hij terug in Jeruzalem.+ 5 Joab meldde de uitkomst van de volkstelling aan David. In heel Israël waren er 1.100.000 mannen met zwaarden en in Juda 470.000.+ 6 Maar Levi en Benjamin werden niet ingeschreven,+ want Joab verafschuwde de opdracht van de koning.+
7 De ware God was verontwaardigd over wat er was gebeurd, en daarom strafte hij Israël. 8 Toen zei David tegen de ware God: ‘Ik heb ernstig gezondigd+ door dit te doen. Vergeef uw dienaar alstublieft,+ want ik heb een grote fout gemaakt.’+ 9 Jehovah zei tegen Gad,+ Davids visionair: 10 ‘Zeg tegen David: “Dit zegt Jehovah: ‘Ik leg je drie straffen voor. Kies er één uit; die zal ik je opleggen.’”’ 11 Gad ging dus naar David en zei tegen hem: ‘Dit zegt Jehovah: “Aan jou de keus: 12 óf drie jaar hongersnood,+ óf drie maanden het zwaard van je vijanden en door je tegenstanders verslagen worden,+ óf drie dagen het zwaard van Jehovah — een epidemie in het land+ — waarbij Jehovah’s engel dood en verderf zaait+ in het hele gebied van Israël.” Denk erover na wat ik moet antwoorden aan hem die mij heeft gestuurd.’ 13 David zei tegen Gad: ‘Ik weet me geen raad. Laat me alsjeblieft in handen van Jehovah vallen, want hij is heel barmhartig,+ maar laat me niet in de handen van mensen vallen.’+
14 Toen sloeg Jehovah Israël met een epidemie,+ zodat er 70.000 Israëlieten stierven.+ 15 Ook stuurde de ware God een engel naar Jeruzalem om de inwoners te slaan. Maar toen de engel op het punt stond dat te doen, zag Jehovah het en hij kreeg spijt van* de epidemie.+ Hij zei tegen de engel die dood en verderf zaaide: ‘Het is genoeg!+ Laat je hand zakken.’ Jehovah’s engel stond op dat moment dicht bij de dorsvloer van de Jebusiet+ O̱rnan.+
16 Toen David omhoogkeek, zag hij Jehovah’s engel tussen de aarde en de hemel staan met in zijn hand een getrokken zwaard,+ uitgestrekt naar Jeruzalem. Meteen lieten David en de oudsten zich, gekleed in zakken,+ voorover op de grond vallen.+ 17 David zei tegen de ware God: ‘Ik was het toch die de opdracht gaf om een volkstelling te houden? Het was mijn fout, ik ben degene die heeft gezondigd.+ Maar wat hebben deze arme schapen verkeerd gedaan? O Jehovah, mijn God, laat uw hand alstublieft mij en het huis van mijn vader treffen. Maar breng deze plaag niet over uw volk.’+
18 Jehovah’s engel droeg Gad+ toen op om tegen David te zeggen dat hij omhoog moest gaan naar de dorsvloer van de Jebusiet O̱rnan+ om daar een altaar voor Jehovah op te richten. 19 David deed wat Gad in de naam van Jehovah had gezegd en ging erheen. 20 O̱rnan was op dat moment tarwe aan het dorsen. Toen hij zich omdraaide, zag hij de engel. Zijn vier zonen die bij hem waren, verstopten zich. 21 Toen O̱rnan David aan zag komen, verliet hij meteen de dorsvloer, viel op zijn knieën en boog diep voor David. 22 David zei tegen O̱rnan: ‘Verkoop* de grond van de dorsvloer aan mij, zodat ik er een altaar voor Jehovah op kan bouwen. Ik zal er de volle prijs voor betalen, zodat het volk van deze plaag wordt verlost.’+ 23 Maar O̱rnan zei tegen David: ‘Neem het maar, mijn heer de koning, en doe wat u wenst.* Ik geef u de runderen voor brandoffers, de dorsslede+ als brandhout en de tarwe als graanoffer. Ik geef u alles.’
24 Maar koning David zei tegen O̱rnan: ‘Nee, ik wil er de volle prijs voor betalen. Want ik ga Jehovah niet iets geven wat van jou is, en ik ga geen brandoffers brengen die me niets hebben gekost.’+ 25 David gaf O̱rnan toen 600 gouden sikkels* in gewicht voor de grond. 26 En David bouwde er een altaar+ voor Jehovah en bracht brandoffers en vredeoffers. Hij riep Jehovah aan, die hem antwoordde met vuur+ uit de hemel op het brandofferaltaar. 27 Daarna gaf Jehovah de engel+ het bevel zijn zwaard weer in de schede te steken. 28 Toen David zag dat Jehovah hem op de dorsvloer van de Jebusiet O̱rnan had geantwoord, bleef hij daar slachtoffers brengen. 29 De tabernakel van Jehovah, die Mozes in de woestijn had gemaakt, en het brandofferaltaar waren in die tijd op de offerhoogte in Gi̱beon.+ 30 Maar David was niet in staat geweest daarnaartoe te gaan om God te raadplegen, want hij was afgeschrikt door het zwaard van Jehovah’s engel.
22 Toen zei David: ‘Dit is het huis van Jehovah, de ware God, en dit is een brandofferaltaar voor Israël.’+
2 David gaf vervolgens het bevel om de vreemdelingen+ die in Israël woonden bij elkaar te brengen. Hij stelde ze aan als steenhouwers om stenen te houwen en te bewerken voor de bouw van het huis van de ware God.+ 3 David voorzag ook in een grote hoeveelheid ijzer voor spijkers voor de poortdeuren en voor verbindingsstukken, en in zo veel koper dat het niet te wegen was.+ 4 Verder zorgde hij voor ontelbaar veel cederstammen.+ De Sidoniërs+ en de Tyriërs+ brachten namelijk grote hoeveelheden cederstammen naar David. 5 David zei: ‘Mijn zoon Salomo is jong en onervaren,*+ en het huis dat voor Jehovah gebouwd moet worden, moet zo groots en indrukwekkend zijn+ dat de pracht+ ervan in alle landen bekend wordt.+ Daarom zal ik voorbereidingen voor hem treffen.’ David zorgde dus vóór zijn dood voor een grote hoeveelheid materialen.
6 Hij liet bovendien zijn zoon Salomo bij zich komen en gaf hem de opdracht een huis te bouwen voor Jehovah, de God van Israël. 7 David zei tegen zijn zoon Salomo: ‘Het was de wens van mijn hart om een huis te bouwen voor de naam van Jehovah, mijn God.+ 8 Maar Jehovah’s woord kwam tot mij en luidde: “Je hebt veel bloed vergoten en grote oorlogen gevoerd. Je zult geen huis voor mijn naam bouwen+ wegens al het bloed dat je voor mijn ogen op de aarde hebt vergoten. 9 Maar je zult een zoon krijgen+ die een man van vrede* zal zijn. Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden om hem heen.+ Daarom zal hij Salomo*+ heten, en in zijn tijd zal ik Israël vrede en rust geven.+ 10 Hij is het die een huis voor mijn naam zal bouwen.+ Hij zal mijn zoon worden, en ik zal zijn vader zijn.+ Ik zal de troon van zijn koningschap over Israël voor eeuwig bevestigen.”+
11 Daarom, mijn zoon, bid ik dat Jehovah met je is en dat je erin zult slagen het huis van Jehovah, je God, te bouwen, zoals hij over jou heeft gezegd.+ 12 Mag Jehovah je inzicht en verstand geven+ als hij je over Israël aanstelt, zodat je je zult houden aan de wet van Jehovah, je God.+ 13 Want als je je strikt houdt aan de voorschriften+ en bepalingen die Jehovah via Mozes aan Israël gaf,+ zul je succes hebben. Wees moedig en sterk. Wees niet bang en laat je niet afschrikken.+ 14 Ik heb veel moeite gedaan om voorbereidingen te treffen voor Jehovah’s huis. Ik heb gezorgd voor 100.000 talenten* goud, 1.000.000 talenten zilver, zo veel koper en ijzer+ dat het niet te wegen is, en hout en stenen.+ En jij moet dat nog aanvullen. 15 Je hebt een groot aantal arbeiders: steenhouwers, bewerkers van steen+ en hout en allerlei vakmannen.+ 16 Het goud, zilver, koper en ijzer is niet te wegen.+ Ga dus aan de slag, en mag Jehovah met je zijn.’+
17 David gaf vervolgens alle leiders van Israël het bevel om zijn zoon Salomo te helpen: 18 ‘Is Jehovah, je God, niet met jullie? Heeft hij jullie geen rust gegeven aan alle kanten? Hij heeft de bewoners van het land aan mij overgeleverd, en het land is onderworpen voor Jehovah en zijn volk. 19 Zoek Jehovah, je God, met je hele hart en ziel.*+ Begin met de bouw van het heiligdom van Jehovah, de ware God,+ zodat de ark van het verbond van Jehovah en de heilige voorwerpen van de ware God+ naar het huis kunnen worden gebracht dat voor de naam van Jehovah zal worden gebouwd.’+
23 Toen David oud was geworden en wist dat hij niet lang meer zou leven,* maakte hij zijn zoon Salomo koning over Israël.+ 2 Daarna riep hij alle leiders van Israël, de priesters+ en de Levieten+ bij elkaar. 3 De Levieten van 30 jaar en ouder werden een voor een geteld.+ Hun aantal was 38.000 man. 4 Van hen waren 24.000 verantwoordelijk voor het werk in Jehovah’s huis. Er waren 6000 ambtenaren en rechters,+ 5 4000 poortwachters+ en 4000 die Jehovah loofden+ op de instrumenten die David, zoals hij had gezegd, voor de lofzang had gemaakt.
6 Toen deelde David ze in afdelingen in,+ naar de zonen van Levi: Ge̱rson, Ke̱hath en Mera̱ri.+ 7 Van de Gersonieten: La̱dan en Si̱meï. 8 La̱dan had drie zonen: Jehi̱ël, de leider, Ze̱tham en Joël.+ 9 Si̱meï had drie zonen: Selo̱moth, Ha̱ziël en Ha̱ran. Zij waren de hoofden van de vaderlijke huizen voor La̱dan. 10 Si̱meï had vier zonen: Ja̱hath, Zi̱na, Je̱üs en Beri̱a. 11 Ja̱hath was het hoofd en Zi̱za de tweede. Maar omdat Je̱üs en Beri̱a niet veel zonen hadden, werden ze gezien als één vaderlijk huis met één taak.
12 Ke̱hath had vier zonen: A̱mram, Ji̱zhar,+ He̱bron en U̱zziël.+ 13 De zonen van A̱mram waren Aäron+ en Mozes.+ Maar Aäron en zijn zonen werden permanent afgezonderd+ om het allerheiligste te heiligen, om slachtoffers te brengen voor Jehovah, om hem te dienen en om altijd in zijn naam te zegenen.+ 14 De zonen van Mozes, de man van de ware God, werden gerekend tot de stam van de Levieten. 15 De zonen van Mozes waren Ge̱rsom+ en Elië̱zer.+ 16 Van de zonen van Ge̱rsom was Se̱buël+ het hoofd. 17 Van de nakomelingen* van Elië̱zer was Reha̱bja+ het hoofd. Elië̱zer had geen andere zonen, maar Reha̱bja had heel veel zonen. 18 Van de zonen van Ji̱zhar+ was Selo̱mith+ de leider. 19 De zonen van He̱bron waren Jeri̱a, het hoofd, Ama̱rja, de tweede, Jaha̱ziël, de derde, en Jeka̱meam,+ de vierde. 20 De zonen van U̱zziël+ waren Micha, het hoofd, en Jissi̱a, de tweede.
21 De zonen van Mera̱ri waren Ma̱hli en Mu̱si.+ De zonen van Ma̱hli waren Elea̱zar en Kis. 22 Elea̱zar stierf, maar hij had geen zonen, alleen dochters. Daarom trouwden de zonen van Kis, hun familieleden,* met hen. 23 Mu̱si had drie zonen: Ma̱hli, E̱der en Je̱remoth.
24 Dat waren de zonen van Levi volgens hun vaderlijke huizen, volgens de hoofden van de vaderlijke huizen. Vanaf 20 jaar en ouder werden ze ingeschreven, geteld en bij naam genoemd, en ze deden het werk voor de dienst in het huis van Jehovah. 25 Want David had gezegd: ‘Jehovah, de God van Israël, heeft zijn volk rust gegeven,+ en hij zal voor altijd in Jeruzalem wonen.+ 26 Ook zullen de Levieten de tabernakel en de uitrusting voor de dienst niet hoeven te dragen.’+ 27 Want volgens de laatste instructies van David werden de Levieten van 20 jaar en ouder geteld. 28 Het was hun taak de zonen van Aäron te helpen+ bij de dienst in het huis van Jehovah. Ook moesten ze toezicht houden op de voorhoven,+ de eetruimten, de reiniging van alle heilige dingen en al het werk dat nodig was voor de dienst in het huis van de ware God. 29 Ze zorgden voor het stapelbrood,*+ de meelbloem voor het graanoffer, de platte koeken van ongezuurd brood,+ de koeken gebakken op een bakplaat, het gemengde deeg+ en alle gewichten en maten. 30 Ze moesten zich elke ochtend+ en ook elke avond opstellen om Jehovah te danken en te loven.+ 31 Ze hielpen steeds als er brandoffers werden gebracht aan Jehovah op de sabbat+ en de nieuwemaan+ en tijdens de feesten,+ volgens het voorgeschreven aantal, en ze deden dat steeds vóór Jehovah. 32 Ze deden ook hun taken bij de tent van samenkomst en bij de heilige plaats. Verder hielpen ze hun broeders, de zonen van Aäron, bij de dienst in het huis van Jehovah.
24 Dit waren de afdelingen van de nakomelingen van Aäron: de zonen van Aäron waren Na̱dab, Abi̱hu,+ Elea̱zar en I̱thamar.+ 2 Na̱dab en Abi̱hu stierven vóór hun vader,+ en ze hadden geen zonen. Maar Elea̱zar+ en I̱thamar bleven als priester dienen. 3 Samen met Za̱dok+ uit de zonen van Elea̱zar en Achime̱lech uit de zonen van I̱thamar deelde David hen in afdelingen in voor hun dienstwerk. 4 Omdat de zonen van Elea̱zar meer leiders hadden dan de zonen van I̱thamar, was de verdeling als volgt: de zonen van Elea̱zar hadden 16 hoofden van vaderlijke huizen en de zonen van I̱thamar hadden 8 hoofden van vaderlijke huizen.
5 Vervolgens werden ze door loting ingedeeld,+ de ene groep tegelijk met de andere, want er waren zowel onder de zonen van Elea̱zar als onder de zonen van I̱thamar hoofden van de heilige plaats en hoofden die de ware God dienden. 6 Sema̱ja, de zoon van Netha̱neël en de secretaris van de Levieten, schreef hun namen op in aanwezigheid van de koning, de leiders, de priester Za̱dok,+ Achime̱lech,+ de zoon van A̱bjathar,+ en de hoofden van de vaderlijke huizen van de priesters en van de Levieten. Er werd steeds één vaderlijk huis uitgekozen voor Elea̱zar en één voor I̱thamar.
7 Het eerste lot viel op Jo̱jarib, het tweede op Jeda̱ja, 8 het derde op Ha̱rim, het vierde op Se̱orim, 9 het vijfde op Malki̱a, het zesde op Mi̱jamin, 10 het zevende op Ha̱kkoz, het achtste op Abi̱a,+ 11 het negende op Je̱sua, het tiende op Secha̱nja, 12 het 11de op E̱ljasib, het 12de op Ja̱kim, 13 het 13de op Hu̱ppa, het 14de op Jese̱beab, 14 het 15de op Bi̱lga, het 16de op I̱mmer, 15 het 17de op He̱zir, het 18de op Happi̱zzes, 16 het 19de op Petha̱hja, het 20ste op Jehe̱zkel, 17 het 21ste op Ja̱chin, het 22ste op Ga̱mul, 18 het 23ste op Dela̱ja, het 24ste op Maä̱zja.
19 Dat was de officiële indeling voor hun dienst.+ Daarmee werd bepaald wanneer ze in het huis van Jehovah zouden komen volgens de procedure die hun voorvader Aäron had ingesteld, zoals Jehovah, de God van Israël, hem had opgedragen.
20 Dit waren de overige Levieten: Su̱baël+ van de zonen van A̱mram;+ Jehde̱ja van de zonen van Su̱baël; 21 van Reha̱bja:+ Jissi̱a, het hoofd van de zonen van Reha̱bja; 22 Selo̱moth+ van de Jizharieten; Ja̱hath van de zonen van Selo̱moth; 23 van de zonen van He̱bron: Jeri̱a,+ het hoofd, Ama̱rja, de tweede, Jaha̱ziël, de derde, Jeka̱meam, de vierde; 24 Micha van de zonen van U̱zziël; Sa̱mir van de zonen van Micha. 25 De broer van Micha was Jissi̱a; Zachari̱a van de zonen van Jissi̱a.
26 De zonen van Mera̱ri+ waren Ma̱hli en Mu̱si; Be̱no van de zonen van Jaäzi̱a. 27 De zonen van Mera̱ri: Be̱no, So̱ham, Za̱kkur en Hi̱bri van Jaäzi̱a; 28 van Ma̱hli: Elea̱zar, die geen zonen had;+ 29 van Kis: Jera̱hmeël van de zonen van Kis; 30 en de zonen van Mu̱si waren Ma̱hli, E̱der en Je̱rimoth.
Dat waren de zonen van Levi volgens hun vaderlijke huizen. 31 Zij wierpen ook het lot+ zoals hun broeders, de zonen van Aäron, deden in aanwezigheid van koning David, Za̱dok, Achime̱lech en de hoofden van de vaderlijke huizen van de priesters en van de Levieten. Het vaderlijk huis van de oudste werd hetzelfde behandeld als dat van de jongste.
25 David en de hoofden van de dienstgroepen kozen verder een aantal van de zonen van Asaf, He̱man en Jedu̱thun+ uit om te profeteren onder begeleiding van de harpen, de snaarinstrumenten+ en de cimbalen.+ Hier volgt de lijst van de aangewezen mannen voor die dienst. 2 Van de zonen van Asaf: Za̱kkur, Jozef, Netha̱nja en Asare̱la, de zonen van Asaf onder leiding van Asaf, die profeteerde onder leiding van de koning. 3 Van Jedu̱thun,+ de zes zonen van Jedu̱thun: Geda̱lja, Ze̱ri, Jesaja, Si̱meï, Hasa̱bja en Matti̱thja,+ onder leiding van hun vader Jedu̱thun, die profeteerde onder begeleiding van de harp en Jehovah dankte en loofde.+ 4 Van He̱man,+ de zonen van He̱man: Bukki̱a, Matta̱nja, U̱zziël, Se̱buël, Je̱rimoth, Hana̱nja, Hana̱ni, Elia̱tha, Gidda̱lti, Roma̱mti-E̱zer, Josbeka̱sa, Mallo̱thi, Ho̱thir en Maha̱zioth. 5 Zij waren allemaal zonen van He̱man, een visionair van de koning die de woorden van de ware God bekendmaakte tot zijn eer.* De ware God had He̱man 14 zonen en 3 dochters gegeven. 6 Ze stonden onder leiding van hun vader bij het zingen in het huis van Jehovah, met cimbalen, snaarinstrumenten en harpen+ voor de dienst in het huis van de ware God.
Asaf, Jedu̱thun en He̱man stonden onder leiding van de koning.
7 Zij en hun broeders — in totaal 288 — waren bekwame zangers die opgeleid waren om voor Jehovah te zingen. 8 Hun taken werden door loting toegewezen,+ aan zowel klein als groot, aan zowel de geschoolde zanger als de leerling.
9 Het eerste lot viel op Asafs zoon Jozef,+ het tweede op Geda̱lja,+ zijn broeders en zijn zonen, samen 12 man. 10 Het derde op Za̱kkur,+ zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 11 Het vierde op Ji̱zri, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 12 Het vijfde op Netha̱nja,+ zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 13 Het zesde op Bukki̱a, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 14 Het zevende op Jesare̱la, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 15 Het achtste op Jesaja, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 16 Het negende op Matta̱nja, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 17 Het tiende op Si̱meï, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 18 Het 11de op Aza̱reël, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 19 Het 12de op Hasa̱bja, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 20 Het 13de op Su̱baël,+ zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 21 Het 14de op Matti̱thja, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 22 Het 15de op Je̱remoth, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 23 Het 16de op Hana̱nja, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 24 Het 17de op Josbeka̱sa, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 25 Het 18de op Hana̱ni, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 26 Het 19de op Mallo̱thi, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 27 Het 20ste op Elia̱tha, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 28 Het 21ste op Ho̱thir, zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 29 Het 22ste op Gidda̱lti,+ zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 30 Het 23ste op Maha̱zioth,+ zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man. 31 Het 24ste op Roma̱mti-E̱zer,+ zijn zonen en zijn broeders, samen 12 man.
26 Hier volgen de afdelingen van de poortwachters.+ Van de Korachieten: Mesele̱mja,+ de zoon van Ko̱re, van de zonen van Asaf. 2 De zonen van Mesele̱mja waren Zachari̱a, de eerstgeboren zoon, Jedi̱aël, de tweede, Zeba̱dja, de derde, Ja̱thniël, de vierde, 3 E̱lam, de vijfde, Joha̱nan, de zesde, en Eljeho̱ënai, de zevende. 4 De zonen van Obed-Edom waren Sema̱ja, de eerstgeboren zoon, Jo̱zabad, de tweede, Jo̱ah, de derde, Sa̱char, de vierde, Netha̱neël, de vijfde, 5 A̱mmiël, de zesde, I̱ssaschar, de zevende, en Peü̱llethai, de achtste — God had hem gezegend.
6 Zijn zoon Sema̱ja kreeg zonen die aan het hoofd van hun vaderlijk huis kwamen te staan, want het waren sterke, bekwame mannen. 7 De zonen van Sema̱ja waren O̱thni, Re̱faël, Obed en Elza̱bad. Zijn broeders Eli̱hu en Sema̱chja waren ook bekwame mannen. 8 Zij waren allemaal nakomelingen van Obed-Edom. Zij en hun zonen en hun broeders waren bekwame mannen, geschikt voor de dienst: 62 uit de familie van Obed-Edom. 9 Mesele̱mja+ had 18 zonen en broeders, ook bekwame mannen. 10 Ho̱sa van de zonen van Mera̱ri had de volgende zonen: Si̱mri, het hoofd (hij was niet de eerstgeboren zoon, maar zijn vader had hem toch als hoofd aangesteld), 11 Hilki̱a, de tweede, Teba̱lja, de derde, en Zachari̱a, de vierde. In totaal had Ho̱sa 13 zonen en broeders.
12 De leiders van die afdelingen van de poortwachters hadden net als hun broeders taken om te dienen in het huis van Jehovah. 13 De verschillende poorten werden door loting+ aan de vaderlijke huizen toegewezen, zowel aan de kleine als aan de grote. 14 Het lot voor het oosten viel op Sele̱mja. Daarna werd er geloot voor zijn zoon Zachari̱a, een verstandig raadgever. Zijn lot viel op het noorden. 15 Dat van Obed-Edom viel op het zuiden, en zijn zonen+ kregen de opslagplaatsen toegewezen. 16 Dat van Su̱ppim en Ho̱sa+ viel op het westen, dicht bij de Salle̱chetpoort aan de hoofdweg die omhooggaat, wachtgroep naast wachtgroep. 17 Er stonden zes Levieten aan de oostkant, vier per dag aan de noordkant en vier per dag aan de zuidkant. Bij de opslagplaatsen+ stonden ze twee aan twee. 18 Bij de zuilengang aan de westkant stonden er vier bij de hoofdweg+ en twee bij de zuilengang. 19 Dat waren de afdelingen van de poortwachters van de zonen van de Korachieten en van de Merarieten.
20 Van de andere Levieten had Ahi̱a het toezicht over de schatkamers van het huis van de ware God en over de schatkamers van de geheiligde* dingen.+ 21 Van de zonen van La̱dan, de zonen van de Gersoniet uit de familie van La̱dan, de hoofden van de vaderlijke huizen uit de familie van de Gersoniet La̱dan: Jehië̱li+ 22 en de zonen van Jehië̱li, Ze̱tham en zijn broer Joël. Zij hadden het toezicht over de schatkamers van het huis van Jehovah.+ 23 Van de Amramieten, de Jizharieten, de Hebronieten en de Uzziëlieten+ 24 was Se̱buël, de zoon van Ge̱rsom, zoon van Mozes, een leider die het toezicht had over de opslagplaatsen. 25 Zijn broeders, die van Elië̱zer+ afstamden, waren zijn zoon Reha̱bja,+ zijn zoon Jesaja, zijn zoon Joram, zijn zoon Zi̱chri en zijn zoon Selo̱moth. 26 Deze Selo̱moth en zijn broeders hadden het toezicht over de schatkamers van de geheiligde dingen, die waren geheiligd+ door koning David,+ de hoofden van de vaderlijke huizen,+ de bevelhebbers over duizend en over honderd, en de legerofficieren. 27 Een deel van de oorlogsbuit+ hadden ze steeds geheiligd om het huis van Jehovah te onderhouden. 28 Ook alles wat geheiligd was door de ziener Samuël,+ Saul, de zoon van Kis, Abner,+ de zoon van Ner, en Joab,+ de zoon van Zeru̱ja+ — alles wat door wie maar ook geheiligd was — stond onder toezicht van Selo̱mith en zijn broeders.
29 Van de Jizharieten+ kregen Kena̱nja en zijn zonen bestuurstaken buiten het huis van God, als ambtenaren en als rechters+ in Israël.
30 Van de Hebronieten+ waren Hasa̱bja en zijn broeders, 1700 bekwame mannen, verantwoordelijk voor het bestuur van Israël in het gebied ten westen van de Jordaan. Ze gingen over al het werk van Jehovah en de dienst van de koning. 31 Jeri̱a+ was het hoofd van de Hebronieten volgens de afstammingslijn van hun vaderlijk huis. In het 40ste jaar van Davids koningschap+ werd er een onderzoek ingesteld, en er werden onder hen sterke, bekwame mannen gevonden in Jaë̱zer+ in Gilead. 32 Zijn broeders waren bekwame mannen, hoofden van de vaderlijke huizen, in totaal 2700. Koning David stelde ze daarom aan over de Rubenieten, de Gadieten en de helft van de stam van de Manassieten voor alle zaken van de ware God en van de koning.
27 Dit zijn de afdelingen van de Israëlieten die in het leger van de koning dienden.+ Daarbij hoorden de hoofden van de vaderlijke huizen, de bevelhebbers over duizend en over honderd,+ en de leiders van die afdelingen. Alle afdelingen hadden bij toerbeurt één maand per jaar dienst en bestonden uit 24.000 man.
2 Over de eerste afdeling voor de eerste maand ging Jaso̱bam,+ de zoon van Za̱bdiël. Zijn afdeling telde 24.000 man. 3 Hij was een nakomeling van Pe̱rez+ en was het hoofd van alle bevelhebbers van de groepen die de eerste maand dienst hadden. 4 Over de afdeling voor de tweede maand ging de Ahohiet+ Do̱dai,+ en Mi̱kloth was de leider. Zijn afdeling telde 24.000 man. 5 De bevelhebber van de derde groep, die in de derde maand dienst had, was Bena̱ja,+ de zoon van de overpriester Jo̱jada.+ Zijn afdeling telde 24.000 man. 6 Deze Bena̱ja was een dappere strijder, een van de dertig en hoofd van de dertig. Zijn zoon Ammiza̱bad ging over zijn afdeling. 7 De vierde voor de vierde maand was A̱saël,+ Joabs broer.+ Hij werd opgevolgd door zijn zoon Zeba̱dja, en zijn afdeling telde 24.000 man. 8 De vijfde bevelhebber voor de vijfde maand was de Jizrahiet Sa̱mhuth. Zijn afdeling telde 24.000 man. 9 De zesde voor de zesde maand was I̱ra,+ de zoon van de Tekoïet+ I̱kkes. Zijn afdeling telde 24.000 man. 10 De zevende voor de zevende maand was de Peloniet He̱lez+ van de Efraïmieten. Zijn afdeling telde 24.000 man. 11 De achtste voor de achtste maand was de Husathiet Si̱bbechai+ van de Zarhieten.+ Zijn afdeling telde 24.000 man. 12 De negende voor de negende maand was de Anathothiet+ Abië̱zer+ van de Benjaminieten. Zijn afdeling telde 24.000 man. 13 De tiende voor de tiende maand was de Netofathiet Ma̱harai+ van de Zarhieten.+ Zijn afdeling telde 24.000 man. 14 De 11de voor de 11de maand was de Pirathoniet Bena̱ja+ van de zonen van Efraïm. Zijn afdeling telde 24.000 man. 15 De 12de voor de 12de maand was de Netofathiet He̱ldai van de zonen van O̱thniël. Zijn afdeling telde 24.000 man.
16 Hier volgen de leiders van de stammen van Israël. Van de Rubenieten: Elië̱zer, de zoon van Zi̱chri. Van de Simeonieten: Sefa̱tja, de zoon van Ma̱ächa. 17 Van Levi: Hasa̱bja, de zoon van Ke̱muël. Van Aäron: Za̱dok. 18 Van Juda: Eli̱hu,+ een van Davids broers. Van I̱ssaschar: O̱mri, de zoon van Michaël. 19 Van Ze̱bulon: Jisma̱ja, de zoon van Obadja. Van Na̱ftali: Je̱rimoth, de zoon van A̱zriël. 20 Van de Efraïmieten: Hosea, de zoon van Aza̱zja. Van de helft van de stam Manasse: Joël, de zoon van Peda̱ja. 21 Van de helft van de stam Manasse in Gilead: I̱ddo, de zoon van Zachari̱a. Van Benjamin: Jaä̱siël, de zoon van Abner.+ 22 Van Dan: Aza̱reël, de zoon van Jero̱ham. Zij waren de stamhoofden van Israël.
23 David telde degenen die 20 jaar of jonger waren niet, want Jehovah had beloofd Israël zo talrijk te maken als de sterren aan de hemel.+ 24 Joab, de zoon van Zeru̱ja, was met de telling begonnen, maar hij maakte die niet af. Vanwege deze telling werd God woedend op Israël,*+ en het aantal werd niet opgenomen in het historische verslag van koning David.
25 Azma̱veth, de zoon van Adi̱ël, ging over de schatkamers van de koning.+ Jonathan, de zoon van Uzzi̱a, ging over de opslagplaatsen* in de velden, in de steden, in de dorpen en in de torens. 26 E̱zri, de zoon van Ke̱lub, ging over de landarbeiders die het land bewerkten. 27 De Ramathiet Si̱meï ging over de wijngaarden. De Sifmiet Za̱bdi ging over de opbrengst van de wijngaarden voor de wijnvoorraden. 28 De Gederiet Baäl-Ha̱nan ging over de olijfbomen en de vijgenbomen*+ in de Sjefe̱la.+ Joas ging over de olievoorraden. 29 De Saroniet Si̱trai ging over de runderen die in Sa̱ron+ graasden, en Sa̱fat, de zoon van A̱dlai, ging over de runderen in de valleien.* 30 De Ismaëliet O̱bil ging over de kamelen. De Meronothiet Jehde̱ja ging over de ezelinnen. 31 De Hagriet Ja̱ziz ging over de schapen en de geiten. Al die mannen waren verantwoordelijk voor de bezittingen van koning David.
32 Jonathan,+ Davids neef, was raadgever en secretaris. Hij was een verstandig man. Jehi̱ël, de zoon van Hachmo̱ni, zorgde voor de zonen van de koning.+ 33 Achito̱fel+ was een raadgever van de koning en de Arkiet Hu̱sai+ was een vriend* van de koning. 34 Na Achito̱fel werden Jo̱jada, de zoon van Bena̱ja,+ en A̱bjathar+ raadgevers. Joab+ was aanvoerder van het leger van de koning.
28 David liet alle hoofden van Israël naar Jeruzalem komen: de stamhoofden, de leiders van de afdelingen+ in dienst van de koning, de bevelhebbers over duizend en over honderd,+ en de beheerders van alle bezittingen en van het vee van de koning+ en zijn zonen,+ samen met de hofbeambten en alle sterke, bekwame mannen.+ 2 Toen ging koning David staan en zei:
‘Luister, mijn broeders en mijn volk. Het was de wens van mijn hart een huis te bouwen als rustplaats voor de ark van het verbond van Jehovah en als voetenbank van onze God,+ en ik trof voorbereidingen voor de bouw.+ 3 Maar de ware God zei tegen mij: “Jij zult geen huis voor mijn naam bouwen,+ want je hebt oorlogen gevoerd en bloed vergoten.”+ 4 Toch heeft Jehovah, de God van Israël, mij uit heel het huis van mijn vader uitgekozen om voor altijd koning over Israël te worden.+ Hij koos namelijk Juda als leider,+ en van het huis van Juda koos hij mijn vaders huis,+ en van de zonen van mijn vader was ik degene die hij goedkeurde. Hij maakte mij koning over heel Israël.+ 5 En van al mijn zonen — want Jehovah heeft me veel zonen gegeven+ — koos hij Salomo+ uit om plaats te nemen op de troon van Jehovah’s koningschap over Israël.+
6 Hij zei tegen me: “Je zoon Salomo is degene die mijn huis en mijn voorhoven zal bouwen, want ik heb hem als mijn zoon uitgekozen, en ik zal zijn vader worden.+ 7 Als hij zich vastberaden houdt aan mijn geboden en mijn rechterlijke beslissingen,+ zoals hij nu doet, zal ik zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.”+ 8 Daarom zeg ik in het bijzijn van heel Israël, Jehovah’s gemeente, en met onze God als getuige: onderzoek alle geboden van Jehovah, je God, en houd je er strikt aan, zodat jullie het goede land in bezit mogen houden+ en het voor altijd als een erfenis aan je zonen kunnen doorgeven.
9 En jij, mijn zoon Salomo, ken de God van je vader en dien hem met een onverdeeld* hart+ en met een bereidwillige ziel,* want Jehovah onderzoekt elk hart,+ en hij kent alle verlangens* en gedachten.+ Als je hem zoekt, zal hij ervoor zorgen dat je hem vindt,+ maar als je hem verlaat, zal hij je voor altijd verstoten.+ 10 Bedenk dat Jehovah jou heeft uitgekozen om een huis als heiligdom te bouwen. Wees moedig en ga aan de slag.’
11 Toen gaf David zijn zoon Salomo de bouwtekeningen+ van de voorhal+ en de verschillende ruimten, waaronder de voorraadkamers, de dakvertrekken, de binnenste ruimten en het huis van het verzoendeksel.*+ 12 Hij gaf hem de bouwtekeningen van alles wat door inspiratie* aan hem was bekendgemaakt voor de voorhoven+ van Jehovah’s huis, voor alle eetruimten eromheen, voor de schatkamers van het huis van de ware God en voor de schatkamers van de geheiligde* dingen.+ 13 Ook gaf hij hem instructies voor de afdelingen van de priesters+ en van de Levieten, voor alle taken van de dienst in Jehovah’s huis en voor alle voorwerpen voor de dienst in Jehovah’s huis. 14 Hij gaf het gewicht aan goud op, het goud voor alle voorwerpen voor de verschillende diensten, en het gewicht van alle zilveren voorwerpen en alle voorwerpen voor de verschillende diensten. 15 Hij gaf het gewicht op voor de verschillende gouden lampenstandaarden+ en lampen en het gewicht voor de verschillende zilveren lampenstandaarden en lampen, afhankelijk van de functie van elke lampenstandaard. 16 Verder gaf hij het gewicht aan goud op voor elk van de tafels van het stapelbrood*+ en het gewicht aan zilver voor de zilveren tafels, 17 het gewicht voor de vorken, de schalen en de kannen van zuiver goud, het gewicht voor elk van de gouden bekers+ en het gewicht voor elk van de zilveren bekers. 18 En hij gaf het gewicht aan gelouterd goud op voor het reukofferaltaar+ en voor de afbeelding van de wagen,+ namelijk de gouden cherubs+ die met uitgespreide vleugels de ark van het verbond van Jehovah overschaduwen. 19 David zei: ‘De hand van Jehovah was op mij, en hij gaf me inzicht om de bouwplannen+ in detail+ vast te leggen.’
20 Daarna zei David tegen zijn zoon Salomo: ‘Wees moedig en sterk en ga aan de slag. Wees niet bang en laat je niet afschrikken, want Jehovah God, mijn God, is met je.+ Hij zal je niet in de steek laten en je niet verlaten.+ Hij zal je steunen tot al het werk voor Jehovah’s huis klaar is. 21 En hier zijn de afdelingen van de priesters+ en van de Levieten+ voor de hele dienst in het huis van de ware God. Je hebt bereidwillige werkers die vakkundig zijn op elk terrein,+ en de bestuurders+ en heel het volk zullen al je instructies uitvoeren.’
29 Koning David zei tegen de hele gemeente: ‘Mijn zoon Salomo, die door God is uitgekozen,+ is jong en onervaren.*+ Het werk is groot, want het is geen tempel* voor mensen maar voor Jehovah God.+ 2 Ik heb veel moeite gedaan om voorbereidingen te treffen voor het huis van mijn God. Ik heb gezorgd voor het goud, het zilver, het koper, het ijzer+ en het hout,+ en ook voor onyxstenen en stenen die gezet moeten worden met mortel, mozaïeksteentjes, allerlei edelstenen en een grote hoeveelheid albasten stenen. 3 En uit liefde voor het huis van mijn God+ geef ik naast alles wat ik al heb verzameld voor het heilige huis ook goud en zilver uit mijn persoonlijke bezit+ voor het huis van mijn God, 4 waaronder 3000 talenten* goud uit O̱fir+ en 7000 talenten gelouterd zilver om de wanden van de verschillende ruimten te bekleden, 5 het goud voor het goudwerk en het zilver voor het zilverwerk, voor al het werk dat door de ambachtslieden moet worden gedaan. Wie biedt zich vandaag vrijwillig aan om een geschenk voor Jehovah te geven?’+
6 De hoofden van de vaderlijke huizen, de stamhoofden van Israël, de bevelhebbers over duizend en over honderd+ en degenen die de zaken van de koning behartigden,+ boden zich vrijwillig aan. 7 Ze gaven voor de dienst in het huis van de ware God 5000 talenten goud, 10.000 darieken,* 10.000 talenten zilver, 18.000 talenten koper en 100.000 talenten ijzer. 8 Wie edelstenen had, gaf ze aan de schatkamer van het huis van Jehovah, die beheerd werd door de Gersoniet+ Jehi̱ël.+ 9 Het gaf het volk veel vreugde die vrijwillige offers te brengen, want ze gaven de vrijwillige offers met een onverdeeld hart aan Jehovah.+ Ook koning David was bijzonder blij.
10 Toen loofde David Jehovah in aanwezigheid van de hele gemeente. Hij zei: ‘U, Jehovah, God van onze vader Israël, komt alle eer toe, voor eeuwig en altijd.* 11 U, Jehovah, bent groot,+ machtig+ en indrukwekkend, vol pracht en majesteit,*+ want alles in de hemel en op aarde is van u.+ Van u is het koninkrijk, o Jehovah.+ U bent als hoofd boven alles verheven. 12 Rijkdom en eer zijn van u afkomstig,+ en u regeert over alles.+ In uw hand zijn kracht+ en macht+ en het vermogen iedereen groot te maken+ en kracht te geven.+ 13 En nu danken we u, onze God, en loven we uw prachtige naam.
14 Wie ben ik en wat is mijn volk, dat we dit allemaal vrijwillig mogen geven? Want alles is van u afkomstig, en we geven u wat we uit uw eigen hand hebben gekregen. 15 Wij zijn voor u buitenlanders en vreemdelingen, zoals al onze voorvaders.+ Ons leven op aarde is als een schaduw+ — zonder hoop. 16 O Jehovah, onze God, al deze rijkdom die we hebben verzameld om voor u een huis te bouwen voor uw heilige naam, is uit uw hand afkomstig en het is allemaal van u. 17 Ik weet heel goed, mijn God, dat u het hart onderzoekt+ en dat u blij bent met iemand die oprecht* is.+ In de oprechtheid* van mijn hart heb ik al deze dingen vrijwillig gegeven, en ik ben bijzonder blij te zien dat uw volk dat hier aanwezig is, vrijwillige offers aan u brengt. 18 O Jehovah, God van onze voorvaders Abraham, Isaäk en Israël, help uw volk om voor altijd zo’n bereidwillige geest te hebben en u met hun hele hart te dienen.+ 19 En geef mijn zoon Salomo een onverdeeld* hart,+ zodat hij zich houdt aan uw geboden,+ richtlijnen* en voorschriften. Help hem al deze dingen te doen en de tempel te bouwen waar ik voorbereidingen voor heb getroffen.’+
20 Daarna zei David tegen de gemeente: ‘Loof Jehovah, je God.’ En de hele gemeente loofde Jehovah, de God van hun voorvaders, en ze vielen op hun knieën en bogen diep voor Jehovah en voor de koning. 21 De volgende dag brachten ze slachtoffers aan Jehovah en offerden ze brandoffers+ aan Jehovah: 1000 jonge stieren, 1000 rammen, 1000 mannetjeslammeren en de bijbehorende drankoffers.+ Ze brachten een enorm aantal slachtoffers voor heel Israël.+ 22 Ook aten en dronken ze die dag met grote vreugde voor de ogen van Jehovah.+ Voor de tweede keer maakten ze Salomo, de zoon van David, koning. Met Jehovah als getuige zalfden ze hem tot leider+ en Za̱dok tot priester.+ 23 Zo kwam Salomo op Jehovah’s troon+ als koning in de plaats van zijn vader David. Hij was succesvol en alle Israëlieten gehoorzaamden hem. 24 Alle hoofden+ en dappere strijders+ en ook alle zonen van koning David+ onderwierpen zich aan Salomo, de koning. 25 Jehovah zorgde ervoor dat Salomo bij heel Israël in bijzonder hoog aanzien kwam te staan. Hij gaf hem meer koninklijke waardigheid dan alle koningen van Israël vóór hem hadden gehad.+
26 David, de zoon van I̱saï, heeft over heel Israël geregeerd. 27 Hij regeerde 40 jaar over Israël. In He̱bron regeerde hij 7 jaar+ en in Jeruzalem regeerde hij 33 jaar.+ 28 Hij stierf op hoge leeftijd, na een lang en goed leven+ vol rijkdom en roem.* Zijn zoon Salomo volgde hem als koning op.+ 29 De geschiedenis van koning David staat van begin tot eind beschreven in de geschriften van de ziener Samuël, de profeet Nathan+ en de visionair Gad.+ 30 Daarin staat alles over zijn koningschap, over zijn machtige daden en over de dingen die hem, Israël en alle omliggende koninkrijken overkwamen.
Hierna volgen de zonen van Aram. Zie Ge 10:23.
Bet.: ‘verdeling’.
Of ‘bevolking van de aarde’.
Lett.: ‘zonen’.
Lett.: ‘zonen van Israël’.
Lett.: ‘veld’.
Lett.: ‘zonen’.
Bet.: ‘brenger van onheil’, ‘brenger van de banvloek’. In Joz 7:1 ook Achan genoemd.
Of ‘ellende’, ‘de banvloek’.
Of ‘voor de vernietiging bestemd was’.
Lett.: ‘zonen’.
Ook Kaleb genoemd in vs. 18, 19, 42.
Ook Kelubai genoemd in vs. 9.
Ook Kelubai genoemd in vs. 9.
Of ‘omliggende’.
Sommige namen in dit hoofdstuk kunnen op plaatsen slaan in plaats van op mensen. In zulke gevallen betekent vader misschien stichter.
Lett.: ‘zonen’.
Lett.: ‘zonen’.
Lett.: ‘zonen’.
Ook Kelubai genoemd in vs. 9.
Lett.: ‘zonen’.
Lett.: ‘zonen’.
Lett.: ‘zonen’.
Lett.: ‘zonen’.
Sommige namen in dit hoofdstuk kunnen op plaatsen slaan in plaats van op mensen. In zulke gevallen betekent vader misschien stichter.
De naam Jabez is misschien verwant aan een Hebreeuws woord dat ‘pijn’ betekent.
Lett.: ‘zonen’.
Bet.: ‘dal van de ambachtslieden’.
Lett.: ‘zonen’.
Mogelijk de Bithja uit vs. 18.
Of ‘de gezegden zijn van oude overlevering’.
Of ‘ontwijd’.
Lett.: ‘zonen’.
Of ‘omliggende’.
D.w.z. Jerobeam II.
Lett.: ‘en de boog traden’.
Of ‘menselijke zielen’.
Of ‘prostitueerden zich met’.
Lett.: ‘wekte de geest op van’.
Lett.: ‘zonen’.
Ook Gerson genoemd in vs. 1.
Lett.: ‘waren degenen die gegeven waren’.
Of ‘volgens hun ommuurde kampementen’.
Lett.: ‘vluchtsteden’.
Of ‘kregen door loting tien steden’.
Lett.: ‘vluchtsteden’.
Lett.: ‘zonen’.
Lett.: ‘hoofden’.
Of ‘Suppim en Huppim’.
Lett.: ‘zonen’.
Lett.: ‘zonen’.
Lett.: ‘zonen’.
Bet.: ‘met tegenspoed’.
Of ‘Jehosua’. Bet.: ‘Jehovah is redding’.
Of ‘omliggende’.
Of mogelijk ‘Gaza’, maar niet het Gaza in Filistea.
Ook Somer genoemd in vs. 32.
Waarschijnlijk dezelfde als Hotham in vs. 32.
Lett.: ‘veld’.
Of mogelijk ‘nadat hij zijn vrouwen Husim en Baära had weggestuurd’.
Of ‘omliggende’.
Ook Isboseth genoemd.
Ook Mefiboseth genoemd.
Lett.: ‘die de boog traden’.
Of ‘Nethinim’. Lett.: ‘gegevenen’.
Lett.: ‘hoofden van vaders voor het huis van hun vaders’.
Of ‘de tempel’.
Lett.: ‘het huis van de tent’.
Lett.: ‘vier sterken’.
Of ‘eetruimten’.
D.w.z. het toonbrood.
Of ‘mishandelen’.
Of ‘laagvlakte’.
Of ‘de tempel’.
Lett.: ‘uw been en uw vlees’.
Zie Woordenlijst.
Lett.: ‘hoofd’.
Bet.: ‘opvullen’. Mogelijk een soort fort.
Of ‘redding’.
Of ‘de Laagvlakte van Refaïm’.
Of ‘ziel’.
Of ‘ziel’.
Lett.: ‘de zoon van een man van moed’.
Hij was zo’n 2,23 m. Zie App. B14.
Zie Woordenlijst.
Lett.: ‘zal mijn hart in eendracht met jullie zijn’.
Lett.: ‘bekleedde’.
Of ‘waren niet dubbelhartig’.
Lett.: ‘was één van hart’.
Of ‘vanaf Sihor’.
Of ‘de ingang van Hamath’.
Of mogelijk ‘tussen’.
Of ‘was diep geschokt’.
Bet.: ‘doorbraak tegen Uzza’.
Of ‘bouwers van muren’, ‘steenhouwers’.
Of ‘paleis’.
Of ‘de Laagvlakte van Refaïm’.
Bet.: ‘meester van doorbraken’.
Of ‘de laagvlakte’.
Zie Woordenlijst.
Zie Woordenlijst.
Zie Woordenlijst.
Of ‘gemeenschapsoffers’. Zie Woordenlijst.
Lett.: ‘gedenken’.
Of ‘maak muziek’.
Of mogelijk ‘spreek over’.
Of ‘aanwezigheid’. Lett.: ‘gezicht’.
Of ‘nakomelingen’. Lett.: ‘zaad’.
Lett.: ‘het woord dat hij gebood’.
Of ‘waardigheid’.
Of ‘aanbid’.
Of mogelijk ‘vanwege de pracht van zijn heiligheid’.
Of ‘het productieve land’.
Of ‘kan niet worden geschud’.
Of ‘is gekomen’.
Of ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’.
Of ‘zo zij het!’
Of ‘instrumenten voor het lied van de ware God’.
Of ‘paleis’.
Bet. mogelijk: ‘van de ene plaats voor een tent naar de andere en van de ene woonplaats naar de andere’.
Of ‘verwijderen’. Lett.: ‘afsnijden’.
Lett.: ‘uitgeput’.
Of ‘dynastie’.
Lett.: ‘zaad’.
Of ‘en in mijn koningschap’.
Of ‘een man met een hoge positie’.
Of ‘in overeenstemming met uw wil’.
Of ‘betrouwbaar blijken’.
Of ‘dynastie’.
Of ‘omliggende’.
Zie Woordenlijst.
Of ‘redding’.
Een talent woog 34,2 kg. Zie App. B14.
Lett.: ‘Aram-Naharaïm’.
Lett.: ‘in de hand’.
D.w.z. de Eufraat.
D.w.z. in de lente.
Zie Woordenlijst.
Een talent woog 34,2 kg. Zie App. B14.
Of mogelijk ‘een tegenstander’.
Of ‘voelde verdriet over’.
Lett.: ‘geef’.
Lett.: ‘wat goed is in uw ogen’.
Een sikkel woog 11,4 g. Zie App. B14.
Of ‘teer’.
Lett.: ‘rust’.
Van een Hebreeuws woord dat ‘vrede’ betekent.
Een talent woog 34,2 kg. Zie App. B14.
Zie Woordenlijst.
Lett.: ‘oud en verzadigd van dagen was’.
Lett.: ‘zonen’.
Lett.: ‘broers’.
D.w.z. het toonbrood.
Lett.: ‘om zijn hoorn op te heffen’.
Of ‘opgedragen’.
Lett.: ‘was er woede op Israël’.
Of ‘schatkamers’.
Of ‘sycomoren’.
Of ‘laagvlakten’.
Of ‘vertrouweling’.
Of ‘volledig toegewijd’.
Zie Woordenlijst.
Of ‘neigingen’, ‘motieven’.
Of ‘huis van verzoening’.
Lett.: ‘door de geest’.
Of ‘opgedragen’.
D.w.z. het toonbrood.
Of ‘teer’.
Of ‘burcht’, ‘paleis’.
Een talent woog 34,2 kg. Zie App. B14.
Een dariek was een Perzische gouden munt. Zie App. B14.
Of ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’.
Of ‘waardigheid’.
Of ‘rechtschapen’.
Of ‘eerlijkheid’.
Of ‘volledig toegewijd’.
Of ‘vermaningen’, ‘herinneringen’.
Lett.: ‘verzadigd van dagen, rijkdom en roem’.