Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • nwt 2 Koningen 1:1-25:30
  • 2 Koningen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • 2 Koningen
  • Nieuwewereldvertaling van de Bijbel
Nieuwewereldvertaling van de Bijbel
2 Koningen

HET TWEEDE BOEK KONINGEN

1 Na de dood van Achab kwam Moab+ tegen Israël in opstand.

2 Op een gegeven moment viel Aha̱zia door het traliewerk van zijn dakvertrek in Sama̱ria, en hij raakte gewond. Hij stuurde daarom boodschappers op weg en zei tegen ze: ‘Ga Baäl-Ze̱bub, de god van E̱kron,+ raadplegen en vraag of ik van deze verwondingen zal herstellen.’+ 3 Maar de engel van Jehovah zei tegen de Tisbiet Eli̱a:*+ ‘Ga de boodschappers van de koning van Sama̱ria tegemoet en zeg tegen ze: “Jullie gaan Baäl-Ze̱bub, de god van E̱kron, raadplegen alsof er geen God in Israël is.+ 4 Daarom zegt Jehovah: ‘Je zult niet meer opstaan van het bed waar je nu op ligt, maar je zult zeker sterven.’”’ Daarna vertrok Eli̱a.

5 Toen de boodschappers bij de koning terugkwamen, zei hij meteen tegen ze: ‘Waarom zijn jullie al terug?’ 6 Ze antwoordden: ‘Er kwam ons een man tegemoet die tegen ons zei: “Ga terug naar de koning die jullie heeft gestuurd en zeg tegen hem: ‘Dit zegt Jehovah: “Je laat Baäl-Ze̱bub, de god van E̱kron, raadplegen alsof er geen God in Israël is. Daarom zul je niet meer opstaan van het bed waar je nu op ligt, maar je zult zeker sterven.”’”’+ 7 Daarop vroeg hij: ‘Hoe zag de man eruit die jullie tegemoetkwam en dat tegen jullie zei?’ 8 Ze zeiden tegen hem: ‘Het was een man met een haren mantel+ en een leren gordel om zijn middel.’+ Meteen zei hij: ‘Het was de Tisbiet Eli̱a.’

9 De koning stuurde daarna een aanvoerder van 50 soldaten met zijn mannen naar hem toe. Hij trof Eli̱a terwijl die op de top van de berg zat. Hij zei tegen hem: ‘Man van de ware God,+ de koning zegt: “Kom naar beneden.”’ 10 Maar Eli̱a antwoordde de aanvoerder: ‘Als ik een man van God ben, laat er dan vuur uit de hemel komen+ en jou en je 50 mannen verteren.’ Toen kwam er vuur uit de hemel dat hem en zijn 50 mannen verteerde.

11 De koning stuurde nog een aanvoerder van 50 soldaten met zijn mannen naar hem toe. Hij zei tegen hem: ‘Man van de ware God, dit zegt de koning: “Kom snel naar beneden.”’ 12 Maar Eli̱a antwoordde: ‘Als ik een man van de ware God ben, laat er dan vuur uit de hemel komen en jou en je 50 mannen verteren.’ Toen kwam er vuur van God uit de hemel dat hem en zijn 50 mannen verteerde.

13 Vervolgens stuurde de koning een derde aanvoerder van 50 soldaten met zijn mannen. Maar toen de derde aanvoerder bij Eli̱a kwam, knielde hij voor hem neer en smeekte: ‘Man van de ware God, laat mijn leven* en het leven* van deze 50 dienaren van u alstublieft kostbaar zijn in uw ogen. 14 Vuur uit de hemel heeft de twee vorige aanvoerders en hun groepen van 50 verteerd, maar laat mijn leven* kostbaar zijn in uw ogen.’

15 Toen zei de engel van Jehovah tegen Eli̱a: ‘Ga met hem mee. Wees niet bang voor hem.’ Hij stond dus op en ging met hem mee naar de koning. 16 Eli̱a zei tegen de koning: ‘Dit zegt Jehovah: “Je hebt boodschappers gestuurd om Baäl-Ze̱bub, de god van E̱kron,+ te raadplegen. Is er soms geen God in Israël?+ Waarom heb je hem niet geraadpleegd? Daarom zul je niet meer opstaan van het bed waar je nu op ligt, maar je zult zeker sterven.”’ 17 Daarna stierf hij, in overeenstemming met het woord van Jehovah via Eli̱a. Omdat hij geen zoon had, volgde Joram*+ hem als koning op, in het tweede jaar van koning Joram+ van Juda, de zoon van Josafat.

18 De rest van de geschiedenis van Aha̱zia,+ wat hij heeft gedaan, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Israël.

2 Kort voordat Jehovah Eli̱a+ in een storm omhoog zou voeren naar de hemel,*+ vertrokken Eli̱a en Elisa+ uit Gi̱lgal.+ 2 Eli̱a zei tegen Elisa: ‘Blijf alsjeblieft hier, want Jehovah heeft me naar Bethel gestuurd.’ Maar Elisa zei: ‘Zo zeker als Jehovah leeft en zo zeker als jij* leeft, ik laat je niet in de steek.’ Ze gingen dus naar Bethel.+ 3 De profetenzonen* in Bethel kwamen toen naar Elisa en zeiden tegen hem: ‘Weet je dat Jehovah vandaag je meester wegneemt zodat hij niet meer je hoofd is?’+ Hij antwoordde: ‘Ja, dat weet ik. Zeg maar niets.’

4 Eli̱a zei tegen hem: ‘Elisa, blijf alsjeblieft hier, want Jehovah heeft me naar Jericho gestuurd.’+ Maar hij antwoordde: ‘Zo zeker als Jehovah leeft en zo zeker als jij* leeft, ik laat je niet in de steek.’ Zo kwamen ze in Jericho. 5 Toen kwamen de profetenzonen die in Jericho waren naar Elisa toe en zeiden tegen hem: ‘Weet je dat Jehovah vandaag je meester wegneemt zodat hij niet meer je hoofd is?’ Hij antwoordde: ‘Ja, dat weet ik. Zeg maar niets.’

6 Eli̱a zei tegen hem: ‘Blijf alsjeblieft hier, want Jehovah heeft me naar de Jordaan gestuurd.’ Maar hij antwoordde: ‘Zo zeker als Jehovah leeft en zo zeker als jij* leeft, ik laat je niet in de steek.’ Dus gingen ze samen verder. 7 En 50 van de profetenzonen volgden hen en bleven op een afstand staan kijken terwijl de twee bij de Jordaan stonden. 8 Toen nam Eli̱a zijn ambtsgewaad,+ rolde het op en sloeg ermee op het water. Het water verdeelde zich naar links en naar rechts, zodat de twee mannen over droge grond konden oversteken.+

9 Zodra ze aan de overkant waren, zei Eli̱a tegen Elisa: ‘Wat kan ik voor je doen voordat ik van je word weggenomen? Vraag het maar.’ Elisa vroeg: ‘Mag ik alsjeblieft een dubbel deel*+ van je geest hebben?’+ 10 Hij antwoordde: ‘Je hebt iets moeilijks gevraagd. Als je me ziet op het moment dat ik van je word weggenomen, zul je krijgen wat je vraagt. Maar zie je me niet, dan zul je het niet krijgen.’

11 Terwijl ze al pratend verdergingen, kwam er plotseling een vurige wagen met vurige paarden+ die hen van elkaar scheidde. En Eli̱a steeg in de storm naar de hemel* op.+ 12 Terwijl Elisa toekeek, riep hij: ‘Mijn vader, mijn vader! De wagen van Israël en zijn ruiters!’+ Toen hij hem niet meer kon zien, pakte hij zijn eigen kleren vast en scheurde ze in tweeën.+ 13 Hij raapte vervolgens het ambtsgewaad+ van Eli̱a op, dat van hem afgevallen was, en ging terug. Aan de oever van de Jordaan bleef hij staan. 14 Toen sloeg hij met het ambtsgewaad van Eli̱a, dat van hem afgevallen was, op het water en zei: ‘Waar is Jehovah, de God van Eli̱a?’ Toen hij op het water sloeg, verdeelde het zich naar links en naar rechts zodat Elisa kon oversteken.+

15 Toen de profetenzonen van Jericho hem op een afstand zagen, zeiden ze: ‘De geest van Eli̱a is op Elisa komen te rusten.’+ Ze gingen hem tegemoet en bogen diep voor hem. 16 ‘Uw dienaren hebben hier 50 bekwame mannen’, zeiden ze tegen hem. ‘Laat hen alstublieft uw meester gaan zoeken. Misschien heeft de geest* van Jehovah hem opgetild en hem daarna op een van de bergen of in een van de dalen neergezet.’+ Maar hij zei: ‘Stuur ze niet.’ 17 Toch bleven ze bij hem aandringen tot hij er verlegen van werd. Toen zei hij: ‘Stuur ze maar.’ Ze stuurden de 50 mannen. Die bleven drie dagen zoeken maar vonden hem niet. 18 Toen ze bij Elisa terugkwamen, die in Jericho+ verbleef, zei hij tegen ze: ‘Ik had toch gezegd dat jullie niet moesten gaan?’

19 Na verloop van tijd zeiden de mannen van de stad tegen Elisa: ‘Zoals mijn meester ziet, is de ligging van de stad goed.+ Maar het water is slecht en het land is onvruchtbaar.’* 20 Daarop zei hij: ‘Haal een kleine nieuwe schaal voor me en doe er zout in.’ Ze brachten die dus bij hem. 21 Hij ging vervolgens naar de bron van het water, gooide er zout in+ en zei: ‘Dit zegt Jehovah: “Ik heb dit water gezond gemaakt. Het zal geen dood of onvruchtbaarheid* meer veroorzaken.”’ 22 Tot op de dag van vandaag is het water gezond, zoals Elisa had gezegd.

23 Hij ging vandaaruit naar Bethel. Onderweg kwam er een groep jonge jongens de stad uit. Ze gingen hem uitjouwen+ en zeiden steeds: ‘Omhoog, kale! Omhoog, kale!’ 24 Uiteindelijk draaide hij zich om, keek ze aan en vervloekte ze in de naam van Jehovah. Toen kwamen er twee berinnen+ uit het bos die 42 van de kinderen verscheurden.+ 25 Daarvandaan ging hij verder naar de berg Ka̱rmel,+ en vandaar ging hij terug naar Sama̱ria.

3 Joram,+ de zoon van Achab, werd in Sama̱ria koning over Israël in het 18de jaar van koning Josafat van Juda. Hij regeerde 12 jaar. 2 Hij bleef doen wat slecht was in Jehovah’s ogen, maar niet zo erg als zijn vader of zijn moeder. Hij verwijderde namelijk de heilige zuil van Baäl die zijn vader had gemaakt.+ 3 Maar hij hield wel vast aan de zonden waartoe Jero̱beam, de zoon van Ne̱bat, Israël had aangezet.+ Daarmee brak hij niet.

4 Me̱sa, de koning van Moab, was schapenfokker. Hij betaalde de koning van Israël als schatting* steeds 100.000 lammeren en 100.000 ongeschoren rammen. 5 Zodra Achab gestorven was,+ kwam de koning van Moab tegen de koning van Israël in opstand.+ 6 Daarom rukte koning Joram die dag vanuit Sama̱ria op, en hij mobiliseerde heel Israël. 7 Hij stuurde ook de volgende boodschap naar koning Josafat van Juda: ‘De koning van Moab is tegen mij in opstand gekomen. Wil je met mij tegen Moab ten strijde trekken?’ Hij antwoordde: ‘Ik ga mee.+ Jij en ik zijn één. Mijn volk is jouw volk. Mijn paarden zijn jouw paarden.’+ 8 Vervolgens vroeg hij: ‘Via welke weg zullen we gaan?’ Hij antwoordde: ‘Via de weg door de woestijn van Edom.’

9 De koning van Israël rukte op met de koning van Juda en de koning van Edom.+ Toen ze zeven dagen onderweg waren — ze hadden een omweg gemaakt — was er geen water meer voor het leger en voor het vee dat ze bij zich hadden. 10 De koning van Israël zei: ‘Wat een ellende! Jehovah heeft deze drie koningen alleen maar bij elkaar gebracht om ze in handen van Moab te laten vallen!’ 11 Daarop zei Josafat: ‘Is er hier geen profeet van Jehovah zodat we via hem Jehovah om leiding kunnen vragen?’+ Een van de dienaren van de koning van Israël antwoordde: ‘Elisa,+ de zoon van Sa̱fat, is hier. Hij goot altijd water uit over de handen van Eli̱a.’*+ 12 Toen zei Josafat: ‘Hij spreekt het woord van Jehovah.’ De koning van Israël, Josafat en de koning van Edom gingen dus naar hem toe.

13 Elisa zei tegen de koning van Israël: ‘Wat heb ik met jou te maken?*+ Ga naar de profeten van je vader en naar de profeten van je moeder.’+ Maar de koning van Israël zei tegen hem: ‘Nee, want het is Jehovah die deze drie koningen bij elkaar heeft gebracht om ze in handen van Moab te laten vallen.’ 14 Toen zei Elisa: ‘Zo zeker als Jehovah leeft — de God van de legermachten die ik dien* — het is dat ik respect heb voor koning Josafat+ van Juda, anders zou ik je niet eens aankijken of opmerken.+ 15 Laat nu een harpspeler* komen.’+ Zodra de harpspeler begon te spelen, kwam de hand van Jehovah+ op Elisa. 16 Hij zei: ‘Dit zegt Jehovah: “Graaf overal in dit dal* greppels. 17 Want dit zegt Jehovah: ‘Jullie zullen geen wind en geen regen zien. Toch zal dit dal vol water lopen,+ en jullie zullen daarvan drinken — jullie en ook je vee en lastdieren.’” 18 En dat is nog maar een kleinigheid in de ogen van Jehovah,+ want hij zal ook Moab in jullie handen geven.+ 19 Jullie moeten elke vestingstad+ en elke belangrijke stad verwoesten. Jullie moeten elke goede boom omhakken. Jullie moeten alle waterbronnen dichtstoppen en elk goed stuk land onbruikbaar maken met stenen.’+

20 De volgende ochtend kwam er rond de tijd van het ochtendgraanoffer+ ineens water uit de richting van Edom, en het land liep vol met water.

21 De Moabieten hoorden dat de koningen gekomen waren om tegen hen te strijden. Daarom riepen ze alle mannen bij elkaar die de wapens konden opnemen,* en ze stelden zich op aan de grens. 22 Toen ze ’s ochtends vroeg opstonden, scheen de zon op het water, en voor de Moabieten aan de andere kant leek het water rood als bloed. 23 Ze zeiden: ‘Dat is bloed! De koningen hebben elkaar vast met het zwaard afgeslacht. Dus op naar de buit,+ Moab!’ 24 Maar toen ze in het kamp van Israël kwamen, stonden de Israëlieten op en vielen de Moabieten aan. Die sloegen op de vlucht,+ waarna de Israëlieten hen achternagingen en hen tot in Moab neersloegen. 25 Ze maakten de steden met de grond gelijk, en elke man gooide een steen op elk goed stuk land, waardoor het vol stenen kwam te liggen. Ze stopten elke waterbron dicht+ en ze hakten elke goede boom om.+ Uiteindelijk stonden alleen de stenen muren van Kir-Hare̱seth+ nog overeind, en de slingeraars omsingelden en verwoestten de stad.

26 Toen de koning van Moab zag dat hij de strijd verloren had, probeerde hij met 700 mannen, gewapend met zwaarden, door te breken naar de koning van Edom.+ Maar het lukte niet. 27 Toen nam hij zijn eerstgeboren zoon, die hem zou opvolgen, en offerde hem als brandoffer+ op de muur. En er ontstond grote woede tegen de Israëlieten, zodat ze zich terugtrokken en naar hun land teruggingen.

4 Een van de vrouwen van de profetenzonen+ riep de hulp van Elisa in en zei: ‘Mijn man, uw dienaar, is gestorven. Zoals u weet heeft hij altijd ontzag voor Jehovah gehad.+ Nu is er een schuldeiser gekomen om mijn twee kinderen als slaven mee te nemen.’ 2 Toen zei Elisa tegen haar: ‘Wat kan ik voor je doen? Vertel me wat je nog in huis hebt.’ Ze antwoordde: ‘Uw dienares heeft niets anders in huis dan een kruik* met olie.’+ 3 Toen zei hij: ‘Ga naar buiten en vraag al je buren om vaten, lege vaten. Verzamel er zo veel mogelijk. 4 Ga dan weer naar binnen, jij en je zonen, en doe de deur achter je dicht. Vul alle vaten met olie, en zet de volle opzij.’ 5 Daarop ging ze weg.

Toen zij en haar zonen weer thuis waren en de deur hadden dichtgedaan, gaven haar zonen haar de vaten aan terwijl zij de olie overgoot.+ 6 Toen de vaten vol waren, zei ze tegen een van haar zonen: ‘Breng nog een vat.’+ Maar hij antwoordde: ‘Er zijn geen vaten meer.’ Toen hield de olie op te stromen.+ 7 Ze ging het aan de man van de ware God vertellen, en hij zei: ‘Verkoop de olie en betaal je schulden af. Van wat er over is kunnen jij en je zonen leven.’

8 Op een dag ging Elisa naar Su̱nem.+ Daar woonde een voorname vrouw die erop stond dat hij bij haar zou komen eten.+ Elke keer als hij daar langskwam, ging hij er eten. 9 De vrouw zei tegen haar man: ‘Ik weet zeker dat de man die steeds langskomt een heilige man van God is. 10 Laten we een kamertje op het dak+ maken en er voor hem een bed, een tafel, een stoel en een lampenstandaard neerzetten. Als hij dan bij ons is, kan hij daar overnachten.’+

11 Toen hij daar op een dag weer kwam, ging hij naar de kamer op het dak om even te liggen. 12 Hij zei tegen zijn bediende Geha̱zi:+ ‘Roep de Sunamitische+ vrouw.’ Hij vroeg haar dus om te komen. 13 Toen zei hij tegen Geha̱zi: ‘Zeg alsjeblieft tegen haar: “Je hebt zo veel moeite voor ons gedaan.+ Wat kan er voor jou gedaan worden?+ Moet ik bij de koning+ of de legeraanvoerder een goed woord voor je doen?”’ Maar ze antwoordde: ‘Dat is niet nodig, want ik woon bij mijn eigen volk.’ 14 Vervolgens vroeg hij: ‘Wat kan er dan voor haar worden gedaan?’ Geha̱zi zei: ‘Ze heeft geen zoon+ en haar man is oud.’ 15 Meteen zei hij: ‘Roep haar.’ Geha̱zi riep haar en ze ging in de deuropening staan. 16 Toen zei hij: ‘Volgend jaar om deze tijd zul je een zoon in je armen houden.’+ Ze antwoordde: ‘Nee, mijn meester, man van de ware God! Vertel uw dienares geen leugens.’

17 Maar de vrouw werd zwanger en kreeg precies een jaar later een zoon, zoals Elisa tegen haar had gezegd. 18 Het kind groeide op en ging op een dag naar zijn vader, die bij de oogsters was. 19 Hij zei de hele tijd tegen zijn vader: ‘Mijn hoofd, mijn hoofd!’ Toen zei zijn vader tegen de bediende: ‘Draag hem naar zijn moeder.’ 20 Die droeg hem dus terug naar zijn moeder, en het kind bleef tot de middag op haar schoot zitten. Toen stierf hij.+ 21 Ze ging naar boven en legde hem op het bed van de man van de ware God.+ Ze deed de deur achter zich dicht en ging weg. 22 Ze riep haar man en zei: ‘Stuur alsjeblieft een van de bedienden met een ezel naar me toe, zodat ik snel naar de man van de ware God kan gaan. Daarna kom ik weer terug.’ 23 Maar hij zei: ‘Waarom ga je vandaag naar hem toe? Het is geen nieuwemaan+ en geen sabbat.’ Daarop zei ze: ‘Maak je maar geen zorgen.’ 24 Ze zadelde de ezel en zei tegen haar bediende: ‘Snel! Je hoeft voor mij niet langzamer te gaan, behalve als ik het zeg.’

25 Zo ging ze naar de man van de ware God op de berg Ka̱rmel. Zodra de man van de ware God haar in de verte zag aankomen, zei hij tegen zijn bediende Geha̱zi: ‘Kijk! Daar is de Sunamitische vrouw. 26 Ren alsjeblieft naar haar toe en vraag haar: “Gaat het goed met je? Gaat het goed met je man? Gaat het goed met je kind?”’ Daarop zei ze: ‘Alles gaat goed.’ 27 Toen ze bij de man van de ware God op de berg kwam, greep ze meteen zijn voeten vast.+ Geha̱zi wilde haar wegduwen, maar de man van de ware God zei: ‘Laat haar maar, want ze heeft veel verdriet.* Jehovah heeft het voor mij verborgen gehouden en het me niet verteld.’ 28 Toen zei ze: ‘Heb ik mijn heer soms om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd: “U moet mij geen valse hoop geven”?’+

29 Hij zei meteen tegen Geha̱zi: ‘Bind je kleren op rond je middel,+ neem mijn staf in je hand en ga. Als je iemand tegenkomt, begroet hem dan niet. En als iemand jou begroet, zeg dan niets terug. Je moet mijn staf op het gezicht van de jongen leggen.’ 30 Daarop zei de moeder van de jongen: ‘Zo zeker als Jehovah leeft en zo zeker als u* leeft, ik ga niet zonder u terug.’+ Dus stond hij op en ging met haar mee. 31 Geha̱zi was hun vooruitgegaan en had de staf op het gezicht van de jongen gelegd, maar die gaf geen teken van leven.+ Hij ging terug naar Elisa en zei tegen hem: ‘De jongen is niet wakker geworden.’

32 Toen Elisa het huis binnenkwam, lag de jongen dood op zijn bed.+ 33 Hij ging de kamer in, deed de deur dicht en bad tot Jehovah.+ 34 Toen liep hij naar het bed toe en ging op het kind liggen, met zijn eigen mond op de mond van de jongen, zijn eigen ogen op zijn ogen en zijn eigen handpalmen op zijn handpalmen. Zo bleef hij over hem uitgestrekt liggen, en het lichaam van het kind begon warm te worden.+ 35 Elisa liep in het huis heen en weer, ging naar het bed en strekte zich weer over hem uit. De jongen niesde zeven keer, waarna hij zijn ogen opendeed.+ 36 Toen riep Elisa Geha̱zi en zei: ‘Roep de Sunamitische vrouw.’ Hij riep haar dus en ze kwam bij hem. Toen zei hij: ‘Neem je zoon mee.’+ 37 Ze kwam de kamer in, viel aan zijn voeten en boog diep voor hem. Daarna tilde ze haar zoon op en droeg hem de kamer uit.

38 Elisa ging terug naar Gi̱lgal. Er was op dat moment hongersnood in het land.+ Toen op een dag de profetenzonen+ bij hem zaten, zei hij tegen zijn bediende:+ ‘Zet de grote kookpot op het vuur en kook een gerecht voor de profetenzonen.’ 39 Een van hen ging het veld in om kruiden te plukken. Hij vond toen een wilde klimplant en plukte daarvan wilde pompoenen tot zijn mantel vol was. Toen hij terugkwam, sneed hij ze in stukken en deed ze in de pot, terwijl hij niet wist wat het was. 40 Later schepten ze het voor de mannen op, maar zodra ze ervan aten, schreeuwden ze: ‘De dood zit in de pot, man van de ware God!’ En ze konden het niet eten. 41 Hij zei daarom: ‘Haal wat meel.’ Nadat hij het in de pot had gedaan, zei hij: ‘Schep het voor de mannen op.’ En er zat niets gevaarlijks meer in de pot.+

42 Er kwam een man uit Baäl-Sali̱sa+ die voor de man van de ware God 20 gerstebroden+ meebracht, gemaakt van het eerste graan van de nieuwe oogst, en ook een zak met vers graan.+ Toen zei Elisa: ‘Geef het aan de mensen, zodat ze wat te eten hebben.’ 43 Maar zijn bediende zei: ‘Hoe kan ik dit aan 100 man voorzetten?’+ Hij antwoordde: ‘Geef het de mensen te eten, want Jehovah zegt: “Ze zullen ervan eten en zelfs nog wat overhouden.”’+ 44 Toen zette hij het hun voor. Ze aten ervan en hielden nog wat over,+ in overeenstemming met het woord van Jehovah.

5 Naä̱man, de legeraanvoerder van de koning van Syrië, was een belangrijk man die in hoog aanzien stond bij zijn heer, want Jehovah had hem gebruikt om Syrië de overwinning* te geven. Hij was een groot strijder, maar hij was melaats.* 2 Op een van hun strooptochten hadden de Syriërs een klein meisje uit het land Israël gevangengenomen. Ze werd een dienstmeisje van Naä̱mans vrouw. 3 Ze zei tegen haar meesteres: ‘Was mijn heer maar bij de profeet+ in Sama̱ria! Die zou hem wel van zijn melaatsheid+ genezen.’ 4 Hij* ging naar zijn heer en vertelde hem wat het meisje uit Israël had gezegd.

5 Toen zei de koning van Syrië: ‘Ga erheen! Ik zal een brief naar de koning van Israël sturen.’ Naä̱man ging dus op weg en nam tien talenten* zilver, 6000 goudstukken en tien stel kleren mee. 6 Hij bracht de brief naar de koning van Israël. Daarin stond: ‘Met deze brief stuur ik u mijn dienaar Naä̱man, zodat u hem van zijn melaatsheid kunt genezen.’ 7 Zodra de koning van Israël de brief had gelezen, scheurde hij zijn kleren en zei: ‘Ben ik soms God? Heb ik macht over leven en dood?+ Want hij stuurt deze man naar me toe en zegt dat ik hem van zijn melaatsheid moet genezen! Het is duidelijk dat hij ruzie met me zoekt.’

8 Maar toen Elisa, de man van de ware God, hoorde dat de koning van Israël zijn kleren had gescheurd, stuurde hij de koning meteen de volgende boodschap: ‘Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Laat hem alstublieft naar mij toe komen. Dan zal hij weten dat er een profeet in Israël is.’+ 9 Naä̱man kwam dus met zijn paarden en zijn strijdwagens en bleef bij de ingang van het huis van Elisa staan. 10 Maar Elisa liet een boodschapper tegen hem zeggen: ‘Ga u zeven keer+ in de Jordaan wassen.+ Dan zal uw lichaam* weer gezond worden, en u zult rein zijn.’ 11 Dat irriteerde Naä̱man zo dat hij besloot te vertrekken. Hij zei: ‘Ik had gedacht: “Hij zal naar buiten komen en hier gaan staan en de naam van Jehovah, zijn God, aanroepen en zijn hand heen en weer bewegen over de aangetaste huid om die te genezen.” 12 Zijn de rivieren van Damaskus,+ de Aba̱na en de Pa̱rpar, niet beter dan al het water van Israël? Kan ik me niet daarin wassen om rein te worden?’ Hij draaide zich om en ging woedend weg.

13 Zijn dienaren kwamen naar hem toe en zeiden: ‘Mijn vader, als de profeet u iets heel bijzonders had opgedragen, dan zou u dat toch doen? Dus nu hij alleen maar heeft gezegd: “Was u en word rein”, moet u dat zeker doen.’ 14 Daarop ging hij naar de Jordaan en dompelde zich zeven keer onder, in overeenstemming met het woord van de man van de ware God.+ Toen werd zijn huid* weer gezond, als de huid van een kleine jongen,+ en hij werd rein.+

15 Daarna ging hij terug naar de man van de ware God,+ hij en zijn hele gevolg.* Hij ging voor hem staan en zei: ‘Nu weet ik dat er nergens op aarde een God is behalve in Israël.+ Neem alstublieft een geschenk* van uw dienaar aan.’ 16 Maar Elisa zei: ‘Zo zeker als Jehovah leeft — die ik dien* — ik neem het niet aan.’+ Hoe Naä̱man ook aandrong, hij bleef weigeren. 17 Uiteindelijk zei Naä̱man: ‘Wees dan zo goed om mij, uw dienaar, een hoeveelheid aarde van dit land te geven, zo veel als twee muildieren kunnen dragen. Want ik zal geen brandoffer of slachtoffer meer brengen aan andere goden dan Jehovah. 18 Maar ik hoop dat Jehovah mij één ding vergeeft: Als mijn heer het huis* van Ri̱mmon binnengaat om zich daar neer te buigen, steunt hij altijd op mijn arm. Dan moet ik me in het huis van Ri̱mmon wel neerbuigen. Mag Jehovah uw dienaar alstublieft vergeven als ik me in het huis van Ri̱mmon neerbuig.’ 19 Daarop zei Elisa: ‘Ga in vrede.’ Naä̱man was al een eind onderweg, 20 toen Geha̱zi,+ de bediende van Elisa, de man van de ware God,+ bij zichzelf zei: ‘Mijn meester heeft deze Syriër Naä̱man+ laten gaan zonder iets aan te nemen van wat hij had meegebracht. Zo zeker als Jehovah leeft, ik zal hem achternarennen om iets van hem te krijgen.’ 21 Geha̱zi ging Naä̱man dus achterna. Toen Naä̱man zag dat er iemand kwam aanrennen, sprong hij van zijn wagen om hem tegemoet te gaan. Hij zei: ‘Is alles in orde?’ 22 ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘maar mijn meester heeft me gestuurd met de volgende boodschap: “Er zijn net twee jonge mannen van de profetenzonen uit het bergland van Efraïm bij me gekomen. Geef hun alstublieft een talent zilver en twee stel kleren.”’+ 23 Naä̱man zei: ‘Hier, neem twee talenten.’ Hij bleef aandringen+ en stopte twee talenten zilver in twee zakken, met twee stel kleren. Hij gaf die aan twee van zijn bedienden om ze voor Geha̱zi te dragen.

24 Toen hij bij O̱fel* kwam, nam hij ze van hen over en legde ze in het huis. Daarna stuurde hij de mannen weg. Nadat ze waren vertrokken, 25 ging hij naar binnen en meldde zich bij zijn meester. Elisa zei tegen hem: ‘Waar kom je vandaan, Geha̱zi?’ Maar hij zei: ‘Uw dienaar is nergens heen geweest.’+ 26 Elisa zei tegen hem: ‘Was ik er in gedachten* niet bij toen de man van zijn wagen af kwam en je tegemoet ging? Is dit wel de tijd om zilver aan te nemen of kleren, olijfbomen, wijngaarden, schapen, runderen, dienaren of dienaressen?+ 27 De melaatsheid van Naä̱man+ zal daarom voor eeuwig op jou en je afstammelingen overgaan.’ Meteen ging Geha̱zi naar buiten, melaats, zo wit als sneeuw.+

6 De profetenzonen+ zeiden tegen Elisa: ‘Zoals u ziet, is de plaats waar we met u wonen te klein voor ons. 2 Laten we naar de Jordaan gaan en daar allemaal een boomstam halen om er een onderkomen te bouwen.’ Hij zei: ‘Ga maar.’ 3 Een van hen zei: ‘Wilt u alstublieft met uw dienaren meegaan?’ Hij antwoordde: ‘Ik ga mee.’ 4 Hij ging dus met ze mee naar de Jordaan. Daar begonnen ze bomen om te hakken. 5 Terwijl een van hen een boom omhakte, viel het blad van zijn bijl in het water. Hij riep: ‘O nee, meester, ik had hem geleend!’ 6 De man van de ware God zei: ‘Waar is het bijlblad precies gevallen?’ Hij wees hem dus de plek aan. Toen sneed hij een stuk hout af, gooide het ernaartoe en zorgde ervoor dat het bijlblad kwam bovendrijven. 7 Hij zei: ‘Haal het eruit.’ Hij stak dus zijn hand uit en pakte het.

8 De koning van Syrië voerde oorlog tegen Israël.+ Hij overlegde met zijn dienaren en zei op welke plaats ze met hem hun kamp moesten opslaan. 9 Toen stuurde de man van de ware God+ de volgende boodschap naar de koning van Israël: ‘Blijf uit de buurt van die plaats, want daar gaan de Syriërs naartoe.’ 10 De koning van Israël stuurde vervolgens een boodschap naar de plaats waar de man van de ware God hem voor gewaarschuwd had. Zo waarschuwde Elisa de koning meerdere keren, en die bleef er dan steeds* uit de buurt.+

11 Dat maakte de koning* van Syrië woedend. Hij riep zijn dienaren bij zich en zei: ‘Zeg me: wie van ons staat aan de kant van de koning van Israël?’ 12 Toen zei een van zijn dienaren: ‘Niemand, mijn heer de koning. Maar de profeet Elisa in Israël vertelt de koning van Israël alles wat u in uw eigen slaapkamer zegt.’+ 13 Hij zei: ‘Ga uitzoeken waar hij is, dan laat ik hem gevangennemen.’ Later werd hem gemeld: ‘Hij is in Do̱than.’+ 14 Hij stuurde er onmiddellijk een groot leger met paarden en strijdwagens naartoe. Ze kwamen ’s nachts aan en omsingelden de stad.

15 Toen de bediende* van de man van de ware God vroeg opstond en naar buiten ging, zag hij dat de stad omsingeld was door een leger met paarden en strijdwagens. Meteen zei zijn bediende tegen hem: ‘Meester! Wat moeten we doen?’ 16 Maar hij zei: ‘Wees niet bang!+ Want er zijn er meer met ons dan met hen.’+ 17 Toen bad Elisa: ‘O Jehovah, open alstublieft zijn ogen, zodat hij het kan zien.’+ Onmiddellijk opende Jehovah de ogen van de bediende, en hij zag dat er overal in het bergland paarden en strijdwagens van vuur waren,+ om Elisa heen.+

18 Toen de Syriërs op Elisa af kwamen, bad hij tot Jehovah: ‘Maak dit volk alstublieft blind.’+ Hij maakte ze dus blind, zoals Elisa had gevraagd. 19 Elisa zei toen tegen ze: ‘Jullie hebben de verkeerde weg genomen. Dit is niet de goede stad. Volg mij, dan breng ik jullie naar de man die jullie zoeken.’ Maar hij leidde ze naar Sama̱ria.+

20 Toen ze in Sama̱ria aankwamen, zei Elisa: ‘O Jehovah, open hun ogen zodat ze kunnen zien.’ Jehovah opende hun ogen, en ze zagen dat ze midden in Sama̱ria waren. 21 Toen de koning van Israël ze zag, zei hij tegen Elisa: ‘Zal ik ze doden, vader, zal ik ze doden?’ 22 Maar hij zei: ‘Dood ze niet. U doodt toch ook niet degenen die u met uw zwaard en met uw boog gevangengenomen hebt? Geef ze brood en water zodat ze kunnen eten en drinken+ en terug kunnen gaan naar hun heer.’ 23 Dus liet hij voor hen een groot feestmaal klaarmaken. Ze aten en dronken, waarna hij ze terugstuurde naar hun heer. En de Syrische benden+ deden geen invallen meer om Israël te plunderen.

24 Later mobiliseerde Ben-Ha̱dad, de koning van Syrië, zijn hele leger* en hij belegerde Sama̱ria.+ 25 Er ontstond daardoor in Sama̱ria grote hongersnood.+ Ze belegerden de stad zo lang dat een ezelskop+ 80 zilverstukken kostte en een kwart kab* duivenmest 5 zilverstukken. 26 Toen de koning van Israël een keer over de muur liep, riep een vrouw naar hem: ‘Help ons, mijn heer de koning!’ 27 Maar hij zei: ‘Als Jehovah je niet helpt, hoe kan ik je dan helpen? Is er soms nog iets op de dorsvloer of in de wijn- of oliepers?’ 28 Daarna vroeg de koning haar: ‘Maar wat is er eigenlijk aan de hand?’ Ze antwoordde: ‘Deze vrouw zei tegen me: “Geef mij je zoon, dan eten we hem vandaag op. Morgen eten we mijn zoon op.”+ 29 Toen hebben we mijn zoon gekookt en opgegeten.+ De volgende dag zei ik tegen haar: “Geef me jouw zoon, zodat we hem kunnen opeten.” Maar ze had haar zoon verstopt.’

30 Zodra de koning het verhaal van de vrouw hoorde, scheurde hij zijn kleren.+ Toen hij over de muur liep, zagen de mensen dat hij onder zijn kleren* een zak aanhad. 31 Hij zei: ‘God mag me zwaar straffen als het hoofd van Elisa, de zoon van Sa̱fat, er vandaag niet af gaat!’+

32 Elisa zat in zijn huis, samen met de oudsten. De koning stuurde een boodschapper vooruit. Maar voordat hij aankwam, zei Elisa tegen de oudsten: ‘Weten jullie dat deze zoon van een moordenaar+ iemand heeft gestuurd om mijn hoofd eraf te hakken? Als jullie de boodschapper zien komen, sluit dan de deur zodat hij er niet in kan. Horen jullie de voetstappen van zijn heer niet vlak achter hem?’ 33 Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam de boodschapper. De koning zei: ‘Deze ellende komt van Jehovah. Waarom zou ik nog langer op Jehovah wachten?’

7 Toen zei Elisa: ‘Luister naar het woord van Jehovah. Dit zegt Jehovah: “Morgen om deze tijd betaal je in de poort* van Sama̱ria één sikkel* voor een sea* meelbloem of twee sea gerst.”’+ 2 De adjudant op wie de koning vertrouwde, zei tegen de man van de ware God: ‘Dat* kan toch nooit gebeuren, zelfs al opende Jehovah de sluizen van de hemel?’+ Toen antwoordde hij: ‘Je zult het met eigen ogen zien,+ maar je zult er niet van eten.’+

3 Bij de ingang van de stadspoort zaten vier melaatsen.+ Ze zeiden tegen elkaar: ‘Waarom zouden we hier blijven zitten tot we doodgaan? 4 Als we besluiten de stad in te gaan, sterven we daar omdat er in de stad hongersnood is.+ En als we hier blijven, gaan we ook dood. Laten we dus naar het kamp van de Syriërs gaan. Als ze ons in leven laten, blijven we leven, en als ze ons doden, dan gaan we maar dood.’ 5 Toen het ’s avonds donker werd, gingen ze naar het kamp van de Syriërs. Maar toen ze bij de rand van het Syrische kamp kwamen, was er niemand.

6 Jehovah had namelijk in het Syrische kamp het geluid laten horen van strijdwagens en paarden, het geluid van een groot leger.+ Ze hadden daarom tegen elkaar gezegd: ‘De koning van Israël heeft de koningen van de Hethieten en de koningen van Egypte ingehuurd om ons aan te vallen!’ 7 Meteen waren ze in de avondschemering op de vlucht geslagen. Ze hadden het hele kamp achtergelaten zoals het was, met alle tenten, paarden en ezels. Ze waren gevlucht voor hun leven.*

8 Toen de melaatsen bij de rand van het kamp kwamen, gingen ze een tent in, en daar aten en dronken ze. Ze vonden er ook zilver, goud en kleren, die ze meenamen en verstopten. Daarna kwamen ze terug en gingen ze een andere tent in. Ook daar vonden ze dingen die ze meenamen en verstopten.

9 Uiteindelijk zeiden ze tegen elkaar: ‘Wat we doen is niet goed. Dit is een dag van goed nieuws en als we niets zeggen en wachten tot het licht wordt, verdienen we het te worden gestraft. Laten we het bij het huis van de koning melden.’ 10 Ze gingen dus terug, riepen de poortwachters van de stad en vertelden hun: ‘We zijn in het kamp van de Syriërs geweest, maar er was niemand. We hebben helemaal niemand gehoord. Wel stonden de paarden en de ezels nog vastgebonden, en de tenten waren gewoon achtergelaten.’ 11 Onmiddellijk gingen de poortwachters het melden, zodat het bekend werd in het huis van de koning.

12 Het was nacht, maar de koning stond meteen op en zei tegen zijn dienaren: ‘Ik zal jullie vertellen wat de Syriërs hebben gedaan. Ze weten dat we honger lijden,+ en daarom hebben ze het kamp verlaten om zich in het veld te verbergen. Ze hopen dat we de stad uit komen zodat ze ons levend gevangen kunnen nemen en de stad kunnen binnengaan.’+ 13 Toen zei een van zijn dienaren: ‘Laat een aantal mannen alstublieft met vijf van de paarden die in de stad zijn overgebleven, gaan kijken wat er is gebeurd. Ze zullen niet slechter af zijn dan de Israëlieten die achterblijven. Binnenkort zijn we toch allemaal dood.’ 14 De koning stuurde ze dus met twee wagens met paarden naar het kamp van de Syriërs en zei: ‘Ga kijken wat er is gebeurd.’ 15 Ze volgden de Syriërs tot aan de Jordaan. De hele weg lag vol met kleren en spullen die de Syriërs hadden weggegooid toen ze in paniek waren gevlucht. De boodschappers gingen terug en meldden het aan de koning.

16 Toen ging het volk naar buiten om het kamp van de Syriërs te plunderen. Hierdoor ging een sea meelbloem één sikkel kosten, en twee sea gerst ook één sikkel, in overeenstemming met het woord van Jehovah.+ 17 De koning had de adjudant op wie hij vertrouwde, aangesteld om toezicht te houden bij de poort. Maar hij werd bij de poort door het volk onder de voet gelopen. Zo stierf hij, zoals de man van de ware God tegen de koning had gezegd toen die bij hem was gekomen. 18 Het ging precies zoals de man van de ware God tegen de koning had gezegd: ‘Morgen om deze tijd koop je in de poort van Sama̱ria voor één sikkel twee sea gerst of een sea meelbloem.’+ 19 Maar de adjudant had tegen de man van de ware God gezegd: ‘Zoiets* kan toch nooit gebeuren, zelfs al opende Jehovah de sluizen van de hemel?’ Toen had Elisa geantwoord: ‘Je zult het met eigen ogen zien, maar je zult er niet van eten.’ 20 Dat is ook precies wat er met hem gebeurde, want hij werd bij de poort door het volk onder de voet gelopen en stierf.

8 Elisa zei tegen de vrouw van wie hij de zoon weer levend had gemaakt:+ ‘Vertrek hier en ga met je gezin als buitenlander ergens anders wonen, waar je maar terechtkunt. Want Jehovah heeft aangekondigd dat er een hongersnood+ in het land komt die zeven jaar duurt.’ 2 De vrouw vertrok dus en deed wat de man van de ware God had gezegd. Ze ging met haar gezin zeven jaar in het land van de Filistijnen+ wonen.

3 Toen de vrouw na zeven jaar terugkwam uit het land van de Filistijnen, ging ze naar de koning om haar huis en haar veld terug te vragen. 4 De koning was net aan het praten met Geha̱zi, de bediende van de man van de ware God. Hij zei: ‘Vertel me alsjeblieft welke bijzondere dingen Elisa allemaal heeft gedaan.’+ 5 Geha̱zi vertelde de koning hoe Elisa een dode weer levend had gemaakt.+ Precies op dat moment kwam de vrouw van wie hij de zoon weer levend had gemaakt bij de koning om haar huis en haar veld+ terug te vragen. Meteen zei Geha̱zi: ‘Mijn heer de koning, dit is de vrouw, en dit is haar zoon die door Elisa weer levend is gemaakt.’ 6 Daarop ondervroeg de koning de vrouw, en ze vertelde hem het hele verhaal. Toen gaf de koning haar een hofbeambte mee en zei tegen hem: ‘Zorg dat ze alles terugkrijgt wat van haar is, en ook alles wat het veld heeft opgeleverd vanaf de dag dat ze het land verliet tot nu toe.’

7 Elisa ging naar Damaskus+ toen Ben-Ha̱dad,+ de koning van Syrië, ziek was. De koning kreeg te horen: ‘De man van de ware God+ is hierheen gekomen.’ 8 Toen zei de koning tegen Ha̱zaël:+ ‘Ga met een geschenk naar de man van de ware God toe.+ Laat hem aan Jehovah vragen of ik van deze ziekte zal genezen.’ 9 Ha̱zaël ging dus naar hem toe met een geschenk: allerlei kostbaarheden van Damaskus, zo veel als 40 kamelen konden dragen. Hij verscheen voor Elisa en zei: ‘Uw zoon, Ben-Ha̱dad, de koning van Syrië, heeft me naar u gestuurd om te vragen of hij van zijn ziekte zal genezen.’ 10 Elisa antwoordde: ‘Ga tegen hem zeggen: “U zult zeker genezen.” Maar Jehovah heeft me laten zien dat hij zal sterven.’+ 11 De man van de ware God keek hem strak aan tot hij er verlegen van werd en barstte toen in tranen uit. 12 Ha̱zaël vroeg: ‘Waarom huilt u, mijn heer?’ Hij antwoordde: ‘Omdat ik weet wat je de Israëlieten allemaal zult aandoen.+ Hun vestingen zul je in brand steken, hun sterke mannen met het zwaard doden, hun kinderen te pletter slaan en hun zwangere vrouwen openrijten.’+ 13 Ha̱zaël zei: ‘Hoe zou een nietswaardige hond als ik, uw dienaar, zoiets groots kunnen doen?’ Maar Elisa zei: ‘Jehovah heeft me laten zien dat jij koning over Syrië wordt.’+

14 Daarna ging Ha̱zaël bij Elisa weg, terug naar zijn eigen heer. Die vroeg hem: ‘Wat heeft Elisa tegen je gezegd?’ Hij antwoordde: ‘Hij zei dat u zeker zult genezen.’+ 15 Maar de volgende dag nam Ha̱zaël een doek, maakte die nat en hield* die over het gezicht van de koning totdat hij stierf.+ En Ha̱zaël werd in zijn plaats koning.+

16 In het vijfde jaar van koning Joram+ van Israël, de zoon van Achab — terwijl Josafat koning van Juda was — werd Joram+ koning van Juda. Hij was de zoon van koning Josafat. 17 Hij was 32 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaar in Jeruzalem. 18 Hij volgde dezelfde weg als de koningen van Israël,+ net zoals het huis van Achab had gedaan.+ Dat kwam doordat hij was getrouwd met Achabs dochter.+ Hij bleef doen wat slecht was in Jehovah’s ogen.+ 19 Maar Jehovah wilde Juda niet vernietigen, ter wille van zijn dienaar David,+ want hij had beloofd dat hij de lamp van David+ en zijn zonen voor altijd zou laten branden.

20 In zijn tijd kwam Edom tegen Juda in opstand+ en stelde een eigen koning aan.+ 21 Joram trok met al zijn strijdwagens op naar Za̱ïr. Hij stond ’s nachts op en versloeg de Edomieten die hem en de bevelhebbers van zijn strijdwagens hadden omsingeld. Toen vluchtten de troepen naar hun tenten. 22 Toch heeft Edom zijn opstand tegen Juda volgehouden tot op de dag van vandaag. In die tijd kwam ook Li̱bna+ in opstand.

23 De rest van de geschiedenis van Joram, alles wat hij heeft gedaan, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Juda. 24 Toen ging Joram rusten bij zijn voorvaders en hij werd begraven bij zijn voorvaders in de Stad van David.+ Zijn zoon Aha̱zia+ volgde hem als koning op.

25 Aha̱zia, de zoon van koning Joram van Juda, werd koning in het 12de jaar van koning Joram van Israël, de zoon van Achab.+ 26 Aha̱zia was 22 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde een jaar in Jeruzalem. Zijn moeder was Atha̱lia,+ de kleindochter* van koning O̱mri+ van Israël. 27 Hij volgde dezelfde weg als het huis van Achab+ en bleef doen wat slecht was in Jehovah’s ogen, net als het huis van Achab. Hij was namelijk aan het huis van Achab verwant.+ 28 Hij ging samen met Joram, de zoon van Achab, naar Ra̱moth-Gilead+ om oorlog te voeren tegen koning Ha̱zaël van Syrië. Maar Joram werd door de Syriërs verwond.+ 29 Daarom ging koning Joram terug naar Ji̱zreël+ om te herstellen van de verwondingen die hij bij Ra̱ma had opgelopen in de strijd tegen koning Ha̱zaël van Syrië.+ Koning Aha̱zia van Juda, de zoon van Joram, ging naar Ji̱zreël om de gewonde* Joram, de zoon van Achab, te bezoeken.

9 De profeet Elisa riep toen een van de profetenzonen en zei tegen hem: ‘Bind je kleren op rond je middel en ga snel met deze kruik met olie naar Ra̱moth-Gilead.+ 2 Als je daar aankomt, ga dan op zoek naar Jehu,+ de zoon van Josafat, de zoon van Ni̱msi. Neem hem apart van zijn broeders en ga met hem de binnenkamer in. 3 Neem dan de kruik met olie en giet die over zijn hoofd uit. Zeg daarbij: “Dit zegt Jehovah: ‘Ik zalf je tot koning over Israël.’”+ Ga dan meteen de kamer uit en vlucht weg.’

4 De bediende van de profeet ging dus op weg naar Ra̱moth-Gilead. 5 Toen hij daar aankwam, zaten de legeraanvoerders bij elkaar. Hij zei: ‘Overste, ik heb een boodschap voor u.’ Jehu vroeg: ‘Voor wie van ons?’ Hij zei: ‘Voor u, overste.’ 6 Toen stond Jehu op en ging het huis in. De bediende goot de olie over zijn hoofd uit en zei tegen hem: ‘Dit zegt Jehovah, de God van Israël: “Ik zalf je tot koning over Jehovah’s volk, over Israël.+ 7 Ruim het huis van Achab, je heer, uit de weg. Ik zal het bloed wreken van mijn dienaren, de profeten, en van alle dienaren van Jehovah die door Izebel zijn gedood.+ 8 Het hele huis van Achab zal vergaan. Ik zal in Israël alle mannen* van Achabs familie uitroeien, van hoog tot laag.+ 9 Ik zal het huis van Achab maken als het huis van Jero̱beam,+ de zoon van Ne̱bat, en als het huis van Baë̱sa,+ de zoon van Ahi̱a. 10 En Izebel zal door de honden worden opgegeten op het stuk land in Ji̱zreël.+ Niemand zal haar begraven.”’ Daarna ging hij de kamer uit en vluchtte weg.+

11 Toen Jehu terugkwam bij de dienaren van zijn heer, vroegen ze hem: ‘Is alles in orde? Wat moest die gek van je?’ Hij antwoordde: ‘Niks bijzonders. Jullie kennen het gepraat van zo’n man toch wel.’ 12 ‘Onzin!’, zeiden ze. ‘Vertel het ons alsjeblieft.’ Toen zei hij: ‘Hij heeft het volgende tegen me gezegd: “Dit zegt Jehovah: ‘Ik zalf je tot koning over Israël.’”’+ 13 Toen namen ze allemaal snel hun mantel en legden die voor hem neer+ op de treden van de trap. Ze bliezen op de hoorn en zeiden: ‘Jehu is koning geworden!’+ 14 Toen smeedde Jehu,+ de zoon van Josafat, de zoon van Ni̱msi, een complot tegen Joram.

Joram was met heel Israël naar Ra̱moth-Gilead+ gegaan om zich te verdedigen tegen koning Ha̱zaël+ van Syrië. 15 Later was koning Joram naar Ji̱zreël+ teruggegaan om te herstellen van de verwondingen die hij had opgelopen in de strijd tegen koning Ha̱zaël van Syrië.+

Jehu zei: ‘Als jullie* het ermee eens zijn, laten we er dan voor zorgen dat niemand uit de stad ontsnapt om dit in Ji̱zreël te berichten.’ 16 Toen stapte Jehu op zijn wagen en reed naar Ji̱zreël, waar Joram gewond lag. Koning Aha̱zia van Juda was gekomen om Joram te bezoeken. 17 Toen de wachter op de toren in Ji̱zreël de groep mannen van Jehu zag aankomen, zei hij meteen: ‘Ik zie een groep mannen.’ Joram zei: ‘Stuur een ruiter naar ze toe en laat hem vragen: “Komen jullie in vrede?”’ 18 Een ruiter ging Jehu dus tegemoet en zei: ‘Dit vraagt de koning: “Komen jullie in vrede?”’ Maar Jehu zei: ‘Wat weet jij van vrede? Sluit je bij me aan en rijd mee!’

De wachter meldde vervolgens: ‘De boodschapper is bij ze gekomen, maar hij komt niet terug.’ 19 Hij stuurde dus een tweede ruiter. Toen die bij hen kwam, zei hij: ‘Dit vraagt de koning: “Komen jullie in vrede?”’ Maar Jehu zei: ‘Wat weet jij van vrede? Sluit je bij me aan en rijd mee!’

20 De wachter meldde vervolgens: ‘Hij is bij ze gekomen, maar hij komt niet terug. Aan de rijstijl te zien is het Jehu, de kleinzoon* van Ni̱msi, want hij rijdt als een gek.’ 21 Joram zei: ‘Span mijn wagen in!’ Toen de strijdwagen was ingespannen, reden koning Joram van Israël en koning Aha̱zia+ van Juda naar Jehu toe, allebei op hun eigen strijdwagen. Ze troffen hem op het stuk land van de Jizreëliet Na̱both.+

22 Zodra Joram Jehu zag, vroeg hij: ‘Kom je in vrede, Jehu?’ Maar hij zei: ‘Hoe zou er vrede kunnen zijn zolang de prostitutie van je moeder Izebel+ en haar vele toverkunsten+ er nog zijn?’ 23 Meteen keerde Joram zijn wagen en sloeg op de vlucht. Hij riep naar Aha̱zia: ‘Het is een val, Aha̱zia!’ 24 Jehu spande zijn boog en trof Joram tussen de schouders. De pijl kwam door zijn hart naar buiten en hij zakte in zijn strijdwagen in elkaar. 25 Jehu zei tegen Bi̱dkar, zijn adjudant: ‘Til hem op en gooi hem in het veld van de Jizreëliet Na̱both.+ Je weet vast nog wel dat jij en ik samen* achter zijn vader Achab aan reden en dat Jehovah toen de volgende uitspraak tegen hem deed:+ 26 “‘Zo zeker als ik gisteren het bloed van Na̱both+ en het bloed van zijn zonen heb gezien,’ verklaart Jehovah, ‘ik zal het je vergelden+ op dit stuk land’, verklaart Jehovah.” Til hem dus op en gooi hem op het stuk land, in overeenstemming met het woord van Jehovah.’+

27 Toen koning Aha̱zia+ van Juda zag wat er gebeurde, vluchtte hij via de weg van het tuinhuis. (Later ging Jehu hem achterna en zei: ‘Dood hem ook!’ Hij werd getroffen terwijl hij in zijn wagen op weg was naar Gur, dat bij Ji̱bleam+ ligt. Maar hij vluchtte verder naar Megi̱ddo en stierf daar. 28 Toen vervoerden zijn dienaren hem op een wagen naar Jeruzalem, en ze begroeven hem in zijn graf bij zijn voorvaders in de Stad van David.+ 29 Aha̱zia+ was in het 11de jaar van Joram, de zoon van Achab, koning over Juda geworden.)

30 Izebel+ hoorde dat Jehu naar Ji̱zreël+ kwam. Ze deed vervolgens zwarte verf* op haar ogen, verzorgde haar kapsel* en keek door het venster naar beneden. 31 Toen Jehu door de poort naar binnen kwam, zei ze: ‘Is het goed afgelopen met Zi̱mri, de moordenaar van zijn heer?’+ 32 Hij keek omhoog naar het venster en zei: ‘Wie staat aan mijn kant? Wie?’+ Onmiddellijk keken twee of drie hofbeambten in zijn richting. 33 Hij zei: ‘Gooi haar naar beneden!’ Toen gooiden ze haar naar beneden. Haar bloed spatte tegen de muur en tegen de paarden, die haar vertrapten. 34 Daarna ging hij naar binnen om te eten en te drinken. Toen zei hij: ‘Ga eens kijken naar die vervloekte vrouw en begraaf haar. Ze is tenslotte de dochter van een koning.’+ 35 Maar toen ze haar wilden begraven, vonden ze alleen nog haar schedel, haar voeten en haar handen.+ 36 Toen ze terugkwamen en het hem vertelden, zei hij: ‘Dat is de vervulling van het woord van Jehovah+ dat hij via zijn dienaar Eli̱a, de Tisbiet, heeft gesproken: “Op het stuk land van Ji̱zreël zullen de honden het vlees van Izebel eten.+ 37 Het dode lichaam van Izebel zal als mest op het veld worden, op het stuk land van Ji̱zreël, zodat ze niet kunnen zeggen: ‘Dit is Izebel.’”’

10 In Sama̱ria woonden 70 zonen van Achab.+ Daarom schreef Jehu brieven en stuurde die naar Sama̱ria, aan de leiders van Ji̱zreël, de oudsten+ en de voogden van Achabs kinderen.* Daarin stond: 2 ‘De zonen van jullie heer zijn bij jullie, en jullie hebben strijdwagens, paarden, een vestingstad en wapens. Als jullie deze brief ontvangen, 3 moeten jullie de beste en meest geschikte* zoon van jullie heer kiezen en hem op de troon van zijn vader zetten. Strijd dan voor het huis van jullie heer.’

4 Maar ze werden verschrikkelijk bang en zeiden: ‘Als twee koningen al niet tegen hem op konden,+ hoe kunnen wij dat dan?’ 5 De opziener van het paleis,* de gouverneur van de stad, de oudsten en de voogden stuurden daarom deze boodschap naar Jehu: ‘Wij zijn uw dienaren en we zullen alles doen wat u zegt. We zullen niemand koning maken. Doe wat u het beste vindt.’

6 Toen schreef hij hun een tweede brief. Daarin stond: ‘Als jullie aan mijn kant staan en me willen gehoorzamen, breng mij dan morgen om deze tijd hier in Ji̱zreël de hoofden van de zonen van jullie heer.’

De 70 zonen van de koning woonden bij de vooraanstaande mannen van de stad, die hen opvoedden. 7 Zodra de brief was ontvangen, werden de zonen van de koning gegrepen en afgeslacht, alle 70.+ Hun hoofden werden in manden gedaan en naar Jehu in Ji̱zreël gestuurd. 8 Een boodschapper kwam hem melden: ‘Ze hebben de hoofden van de zonen van de koning gebracht.’ Hij zei: ‘Leg ze tot de morgen in twee hopen bij de ingang van de stadspoort.’ 9 Toen hij ’s morgens naar buiten kwam, ging hij voor het volk staan en zei: ‘Jullie zijn onschuldig.* Ik heb een complot gesmeed tegen mijn heer en ik heb hem gedood.+ Maar wie heeft al deze mannen gedood? 10 Weet dat niet één woord van Jehovah dat Jehovah tegen het huis van Achab heeft gesproken, onvervuld zal blijven.*+ Jehovah heeft gedaan wat hij via zijn dienaar Eli̱a heeft gezegd.’+ 11 Bovendien doodde Jehu iedereen van het huis van Achab die nog in Ji̱zreël was, en ook al zijn vooraanstaande mannen, zijn vrienden en zijn priesters.+ Hij liet niemand van hen in leven.+

12 Toen vertrok hij naar Sama̱ria. Onderweg kwam hij langs het bindhuis* van de herders. 13 Daar kwam Jehu de broeders van koning Aha̱zia+ van Juda tegen. Hij vroeg ze: ‘Wie zijn jullie?’ Ze antwoordden: ‘Wij zijn de broeders van Aha̱zia, en we komen vragen of alles goed is met de zonen van de koning en de zonen van de koningin-moeder.’* 14 Onmiddellijk zei hij: ‘Grijp ze levend!’ Ze grepen ze dus levend en slachtten ze af bij de waterput* van het bindhuis, 42 man. Hij liet niet één van hen in leven.+

15 Toen hij verderging, kwam hij Jonadab+ tegen, de zoon van Re̱chab,+ die hem tegemoetkwam. Hij begroette* hem en zei: ‘Sta je met je hele hart achter mij, zoals ik achter jou sta?’*

Jonadab antwoordde: ‘Ja.’

‘Geef me dan je hand.’

Hij gaf hem zijn hand, en Jehu trok hem op de wagen. 16 ‘Ga met me mee,’ zei hij, ‘dan zul je zien dat ik geen ontrouw aan Jehovah tolereer.’*+ Ze lieten hem dus op zijn strijdwagen meerijden. 17 Toen Jehu in Sama̱ria aankwam, doodde hij iedereen van Achabs huis die daar nog was. Hij roeide ze uit,+ in overeenstemming met het woord dat Jehovah tot Eli̱a had gesproken.+

18 Daarna riep Jehu het hele volk bij elkaar en zei: ‘Achab heeft Baäl maar een beetje aanbeden,+ maar Jehu zal hem veel meer aanbidden. 19 Laat alle profeten van Baäl,+ al zijn aanbidders en al zijn priesters+ daarom bij mij komen. Niet één mag er ontbreken, want ik heb een groot slachtoffer voor Baäl. Wie ontbreekt, zal niet in leven blijven.’ Maar dit was een list van Jehu om de aanbidders van Baäl te vernietigen.

20 Jehu zei verder: ‘Kondig* een plechtige vergadering voor Baäl aan.’ Dat deden ze. 21 Daarna liet Jehu in Israël een boodschap rondgaan en alle aanbidders van Baäl kwamen. Er was er niet één die wegbleef. Ze gingen het huis* van Baäl+ binnen, en het huis van Baäl stroomde helemaal vol. 22 Hij zei tegen de beheerder van de kleding: ‘Haal gewaden voor alle aanbidders van Baäl.’ Hij haalde dus de kleding voor hen. 23 Toen gingen Jehu en Jonadab,+ de zoon van Re̱chab, het huis van Baäl binnen. Hij zei tegen de aanbidders van Baäl: ‘Kijk goed of hier geen aanbidders van Jehovah zijn maar alleen aanbidders van Baäl.’ 24 Ten slotte gingen ze naar binnen om slachtoffers en brandoffers te brengen. Jehu had buiten 80 van zijn mannen opgesteld en gezegd: ‘Wie iemand laat ontsnappen van de mannen die ik aan jullie uitlever, zal daar met zijn eigen leven* voor moeten betalen.’

25 Zodra Jehu klaar was met het brandoffer, zei hij tegen de wachters* en de adjudanten: ‘Ga naar binnen en dood ze! Laat er niet één ontsnappen.’+ De wachters en de adjudanten doodden hen met het zwaard en gooiden de lijken naar buiten. Ze gingen helemaal door tot het binnenste heiligdom* van het huis van Baäl. 26 Toen brachten ze de heilige zuilen+ van het huis van Baäl naar buiten en verbrandden die allemaal.+ 27 Ze braken de heilige zuil+ van Baäl en het huis van Baäl+ af. Ze maakten er een openbaar toilet van, en dat is het nu nog steeds.

28 Zo roeide Jehu de Baälaanbidding in Israël uit. 29 Maar Jehu brak niet met de zonden waartoe Jero̱beam, de zoon van Ne̱bat, Israël had aangezet: het aanbidden van de gouden kalveren die in Bethel en in Dan stonden.+ 30 Jehovah zei tegen Jehu: ‘Je hebt juist gehandeld en je hebt gedaan wat goed is in mijn ogen: je hebt met het huis van Achab alles gedaan wat ik in mijn hart besloten had.+ Daarom zullen je zonen op de troon van Israël zitten, vier generaties lang.’+ 31 Maar Jehu hield zich niet met zijn hele hart aan* de wet van Jehovah,+ de God van Israël. Hij brak niet met de zonden waartoe Jero̱beam Israël had aangezet.+

32 In die tijd begon Jehovah het grondgebied van Israël geleidelijk te verkleinen.* Ha̱zaël bleef hen in het hele gebied van Israël aanvallen,+ 33 vanaf de Jordaan in oostelijke richting, het hele land Gilead — van de Gadieten, de Rubenieten en de Manassieten+ — vanaf A̱roër, dat aan het A̱rnondal* ligt, tot Gilead en Ba̱san.+

34 De rest van de geschiedenis van Jehu, alles wat hij heeft gedaan en al zijn machtige daden, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Israël. 35 Toen ging Jehu rusten bij zijn voorvaders. Ze begroeven hem in Sama̱ria. Zijn zoon Jo̱ahaz+ volgde hem als koning op. 36 Jehu regeerde 28 jaar in Sama̱ria over Israël.

11 Toen Atha̱lia,+ de moeder van Aha̱zia, zag dat haar zoon gestorven was,+ besloot ze de hele koninklijke geslachtslijn* uit te roeien.+ 2 Maar Jose̱ba, de dochter van koning Joram en de zus van Aha̱zia, haalde Joas,+ de zoon van Aha̱zia, stiekem weg bij de koningszonen die gedood zouden worden en verstopte hem en zijn voedster in een slaapkamer. Ze wisten hem verborgen te houden voor Atha̱lia, zodat hij niet werd gedood. 3 Zes jaar lang werd hij verborgen gehouden in het huis van Jehovah, terwijl Atha̱lia het land regeerde.

4 In het zevende jaar liet Jo̱jada de bevelhebbers over honderd van de Karische lijfwacht en van de paleiswacht*+ bij zich komen in het huis van Jehovah. Hij sloot een pact* met ze en liet ze erop zweren in het huis van Jehovah. Daarna liet hij hun de zoon van de koning+ zien. 5 Hij gaf ze het bevel: ‘Dit moeten jullie doen: Een derde van jullie zal dienst hebben op de sabbat en zal de wacht houden bij het huis* van de koning.+ 6 Een derde zal bij de Fundamentpoort staan en een derde bij de poort achter de paleiswacht. Jullie zullen om beurten de wacht houden bij het huis. 7 De twee afdelingen van jullie die op de sabbat geen dienst hebben, moeten de wacht houden bij het huis van Jehovah om de koning te beschermen. 8 Jullie moeten een kring vormen rond de koning, allemaal met jullie wapens in de hand. Iedereen die het kordon doorbreekt, moet gedood worden. Blijf bij de koning, waar hij ook heen gaat.’*

9 De bevelhebbers over honderd+ deden precies wat de priester Jo̱jada had bevolen. Ze verzamelden dus hun mannen die op de sabbat dienst hadden en ook de mannen die op de sabbat geen dienst hadden en meldden zich bij Jo̱jada.+ 10 Die gaf de bevelhebbers over honderd toen de speren en de ronde schilden die van koning David waren geweest en in het huis van Jehovah lagen. 11 En de paleiswachten+ stelden zich op, allemaal met hun wapens in de hand, van de rechterkant van het huis tot de linkerkant van het huis, bij het altaar+ en bij het huis, rondom de koning. 12 Toen bracht Jo̱jada de zoon van de koning+ naar buiten en zette hem de kroon* en de getuigenis*+ op. Ze maakten hem koning en zalfden hem. Ze klapten in hun handen en riepen: ‘Leve de koning!’+

13 Toen Atha̱lia het tumult van het volk hoorde, ging ze meteen naar de menigte bij het huis van Jehovah.+ 14 Daar zag ze de koning, die volgens het gebruik bij de zuil stond.+ De bevelhebbers en de trompetblazers+ stonden bij de koning, en de hele bevolking* juichte en blies op de trompetten. Daarop scheurde Atha̱lia haar kleren en riep: ‘Verraad! Verraad!’ 15 Maar de priester Jo̱jada gaf de bevelhebbers over honderd,+ die het leger aanvoerden, het volgende bevel: ‘Haal haar weg uit de gelederen. Dood met het zwaard iedereen die haar volgt!’ Want de priester had gezegd: ‘Dood haar niet in het huis van Jehovah.’ 16 Ze grepen haar dus en brachten haar naar de plek waar de paarden het huis van de koning+ binnengaan. Daar werd ze gedood.

17 Toen sloot Jo̱jada een verbond* tussen Jehovah en de koning en het volk+ dat ze het volk van Jehovah zouden blijven. Hij sloot ook een verbond tussen de koning en het volk.+ 18 Daarna ging het hele volk* naar het huis* van Baäl. Ze braken zijn altaren af,+ sloegen zijn beelden helemaal kapot+ en doodden Ma̱ttan, de priester van Baäl,+ vóór de altaren.

Toen stelde de priester opzieners aan over het huis van Jehovah.+ 19 Hij begeleidde de koning uit het huis van Jehovah, samen met de bevelhebbers over honderd,+ de Karische lijfwacht, de paleiswacht+ en het gewone volk.* Ze kwamen via de poort van de paleiswacht bij het huis van de koning. Daarna ging hij op de troon van de koningen zitten.+ 20 De hele bevolking* was vrolijk en er heerste rust in de stad, want ze hadden Atha̱lia met het zwaard gedood bij het huis van de koning.

21 Joas+ was zeven jaar toen hij koning werd.+

12 In het zevende jaar van Jehu+ werd Joas+ koning. Hij regeerde 40 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Zi̱bja en kwam uit Berse̱ba.+ 2 Joas bleef doen wat goed was in Jehovah’s ogen zolang de priester Jo̱jada hem onderwees. 3 Maar de offerhoogten+ werden niet verwijderd. Het volk bleef op de offerhoogten slachtoffers brengen en offerrook maken.

4 Joas zei tegen de priesters: ‘Neem al het geld dat als heilige offergave naar het huis van Jehovah wordt gebracht:+ het vastgestelde bedrag dat iedereen moet betalen,+ het geld dat wordt gegeven als vastgestelde waarde van een persoon* en al het geld dat iemand in zijn hart besluit naar het huis van Jehovah te brengen.+ 5 De priesters moeten het zelf van de gevers* aannemen en het gebruiken om het huis te herstellen, overal waar schade* wordt ontdekt.’+

6 Maar in het 23ste jaar van koning Joas hadden de priesters de schade aan het huis nog niet hersteld.+ 7 Daarom riep koning Joas de priester Jo̱jada+ en de andere priesters bij zich en zei: ‘Waarom herstellen jullie de schade aan het huis niet? Neem geen geld meer van jullie gevers aan als het niet wordt gebruikt voor het herstel van het huis.’+ 8 Toen stemden de priesters ermee in dat ze geen geld meer van het volk zouden aannemen en niet verantwoordelijk zouden zijn voor het herstel van het huis.

9 De priester Jo̱jada nam vervolgens een kist,+ boorde een gat in het deksel en plaatste die naast het altaar, rechts ervan als je het huis van Jehovah binnenkwam. Daarin deden de priesters die deurwachter waren steeds al het geld dat in het huis van Jehovah werd gebracht.+ 10 Telkens wanneer ze zagen dat er veel geld in de kist zat, lieten ze de secretaris van de koning en de hogepriester komen om het te innen.* Die telden dan het geld dat naar het huis van Jehovah was gebracht.+ 11 Ze gaven het getelde geld aan degenen die aangesteld waren over het werk dat in het huis van Jehovah werd gedaan. Die betaalden er dan weer de houtbewerkers en de bouwers mee die aan het huis van Jehovah werkten,+ 12 en ook de metselaars en de steenhouwers. Verder kochten ze balken en gehouwen stenen om de schade aan het huis van Jehovah te herstellen. Ze gebruikten het geld ook voor alle andere uitgaven voor het herstel van het huis.

13 Maar het geld dat naar het huis van Jehovah was gebracht, werd niet gebruikt voor het maken van messen,* schalen, trompetten,+ zilveren schotels en andere gouden en zilveren voorwerpen voor het huis van Jehovah.+ 14 Het ging alleen naar de werkers, die daarmee het huis van Jehovah herstelden. 15 De mannen die het geld kregen om aan de werkers te geven, werden niet gecontroleerd, want ze waren betrouwbaar.+ 16 Het geld voor schuldoffers+ en zondeoffers werd niet aan het huis van Jehovah besteed. Dat was voor de priesters.+

17 In die tijd rukte Ha̱zaël,+ de koning van Syrië, op tegen Gath,+ en hij veroverde het. Daarna besloot hij* Jeruzalem aan te vallen.+ 18 Toen nam koning Joas van Juda alle heilige offers die zijn voorvaders Josafat, Joram en Aha̱zia, koningen van Juda, hadden geheiligd, en ook zijn eigen heilige offers en al het goud dat in de schatkamers van het huis van Jehovah en het huis* van de koning te vinden was. Hij stuurde het naar Ha̱zaël, de koning van Syrië,+ die toen wegtrok van Jeruzalem.

19 De rest van de geschiedenis van Joas, alles wat hij heeft gedaan, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Juda. 20 Zijn dienaren smeedden samen een complot+ tegen Joas en doodden hem in Beth-Mi̱llo,*+ op de weg die afdaalt naar Si̱lla. 21 Hij werd gedood+ door zijn dienaren Jo̱zakar, de zoon van Si̱meath, en Jo̱zabad, de zoon van So̱mer. Ze begroeven hem bij zijn voorvaders in de Stad van David. Zijn zoon Ama̱zia volgde hem als koning op.+

13 In het 23ste jaar van koning Joas+ van Juda, de zoon van Aha̱zia,+ werd Jo̱ahaz koning over Israël in Sama̱ria. Hij was de zoon van Jehu.+ Hij regeerde 17 jaar. 2 Jo̱ahaz bleef doen wat slecht was in Jehovah’s ogen en volhardde in de zonde waartoe Jero̱beam, de zoon van Ne̱bat, Israël had aangezet.+ Hij brak er niet mee. 3 Daarom werd Jehovah woedend+ op Israël,+ en hij gaf ze die hele periode in handen van koning Ha̱zaël+ van Syrië en van Ben-Ha̱dad,+ de zoon van Ha̱zaël.

4 Na verloop van tijd smeekte Jo̱ahaz Jehovah om medelijden. Jehovah luisterde naar hem, want hij had gezien hoe Israël door de koning van Syrië werd onderdrukt.+ 5 Daarom gaf Jehovah Israël een redder+ om ze uit de greep van Syrië te bevrijden, en de Israëlieten konden weer in hun huizen wonen zoals voorheen.* 6 (Maar ze braken niet met de zonde van het huis van Jero̱beam, waartoe hij Israël had aangezet.+ Ze volhardden in die zonde* en de heilige paal*+ bleef in Sama̱ria staan.) 7 Dit was er nog over van het leger van Jo̱ahaz: 50 ruiters, 10 wagens en 10.000 man voetvolk. Want de koning van Syrië had ze vernietigd,+ vertrapt als stof tijdens het dorsen.+

8 De rest van de geschiedenis van Jo̱ahaz, alles wat hij heeft gedaan en zijn machtige daden, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Israël. 9 Toen ging Jo̱ahaz rusten bij zijn voorvaders en hij werd begraven in Sama̱ria.+ Zijn zoon Joas volgde hem als koning op.

10 In het 37ste jaar van koning Joas+ van Juda werd Joas, de zoon van Jo̱ahaz, in Sama̱ria koning over Israël. Hij regeerde 16 jaar. 11 Hij bleef doen wat slecht was in Jehovah’s ogen. Hij brak niet met alle zonden waartoe Jero̱beam, de zoon van Ne̱bat, Israël had aangezet.+ Hij volhardde* in die zonden.

12 De rest van de geschiedenis van Joas, alles wat hij heeft gedaan, zijn machtige daden en zijn strijd tegen koning Ama̱zia van Juda,+ is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Israël. 13 Toen ging Joas rusten bij zijn voorvaders, en Jero̱beam*+ besteeg zijn troon. Joas werd begraven in Sama̱ria bij de koningen van Israël.+

14 Toen Elisa+ ziek was geworden — hij had een ziekte waaraan hij uiteindelijk zou sterven — kwam Joas, de koning van Israël, naar hem toe. Hij huilde om hem en riep uit: ‘Mijn vader, mijn vader! De wagen van Israël en zijn ruiters!’+ 15 Elisa zei tegen hem: ‘Haal een boog en pijlen.’ Dat deed hij. 16 Toen zei Elisa tegen de koning van Israël: ‘Leg je hand op de boog.’ Hij legde zijn hand erop, waarna Elisa zijn handen op de handen van de koning legde. 17 ‘Open het venster aan de oostkant’, zei hij toen. De koning opende het venster. Elisa zei: ‘Schiet!’ En toen de koning schoot, zei Elisa: ‘Jehovah’s pijl van overwinning,* de pijl van overwinning op Syrië! Je zult Syrië bij A̱fek+ verslaan totdat het volledig overwonnen is.’

18 Hij zei verder: ‘Pak de pijlen.’ De koning van Israël pakte ze, waarna Elisa hem opdroeg: ‘Sla ermee op de grond.’ Hij sloeg er drie keer mee op de grond en hield toen op. 19 Toen werd de man van de ware God kwaad op hem en zei: ‘Je had vijf of zes keer op de grond moeten slaan! Dan zou je Syrië hebben verslagen totdat het volledig overwonnen was, maar nu zul je Syrië maar drie keer verslaan.’+

20 Daarna stierf Elisa en werd begraven. Er kwamen aan het begin van het jaar* altijd Moabitische roversbenden+ in het land. 21 Toen een paar mannen iemand aan het begraven waren, zagen ze een roversbende aankomen. Daarom gooiden ze de man gauw in het graf van Elisa en renden weg. Toen de man tegen de botten van Elisa aankwam, kwam hij tot leven+ en stond op.

22 Koning Ha̱zaël+ van Syrië onderdrukte Israël+ tijdens het hele leven van Jo̱ahaz. 23 Maar Jehovah was goed en barmhartig voor Israël,+ en hij was met ze begaan ter wille van zijn verbond met Abraham,+ Isaäk+ en Jakob.+ Hij wilde ze niet vernietigen, en hij heeft ze tot op de dag van vandaag niet verstoten. 24 Toen koning Ha̱zaël van Syrië stierf, volgde zijn zoon Ben-Ha̱dad hem als koning op. 25 Joas, de zoon van Jo̱ahaz, heroverde daarna op Ben-Ha̱dad, de zoon van Ha̱zaël, de steden die Ha̱zaël in de oorlog op Jo̱ahaz veroverd had. Drie keer versloeg Joas hem,+ en hij heroverde de steden van Israël.

14 In het tweede jaar van koning Joas+ van Israël, de zoon van Jo̱ahaz, werd Ama̱zia koning van Juda. Hij was de zoon van koning Joas van Juda. 2 Hij was 25 jaar toen hij koning werd en hij regeerde 29 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Jo̱addin en kwam uit Jeruzalem.+ 3 Hij bleef doen wat goed was in Jehovah’s ogen, maar niet zoals zijn voorvader David.+ Hij deed alles zoals zijn vader Joas het had gedaan.+ 4 Maar de offerhoogten werden niet verwijderd.+ Het volk bleef op de offerhoogten slachtoffers brengen en offerrook maken.+ 5 Zodra hij het koningschap stevig in handen had, doodde hij de dienaren die zijn vader, de koning, hadden vermoord.+ 6 Maar hij bracht de zonen van de moordenaars niet ter dood. Hij hield zich aan Jehovah’s gebod in het boek van de wet van Mozes: ‘Vaders mogen niet ter dood worden gebracht voor de zonden van hun zonen, en zonen mogen niet ter dood worden gebracht voor de zonden van hun vaders. Maar iedereen moet ter dood worden gebracht voor zijn eigen zonde.’+ 7 Hij doodde 10.000 Edomieten+ in het Zoutdal.+ Hij veroverde Se̱la in de oorlog+ en het kreeg de naam Jo̱kteël, zoals het nu nog heet.

8 Toen stuurde Ama̱zia boodschappers naar koning Joas van Israël, de zoon van Jo̱ahaz, de zoon van Jehu, met de boodschap: ‘Kom, laten we de strijd met elkaar aangaan.’*+ 9 Koning Joas van Israël stuurde de volgende boodschap naar koning Ama̱zia van Juda: ‘Het doornige onkruid van de Libanon stuurde een boodschap naar de ceder op de Libanon: “Laat je dochter met mijn zoon trouwen.” Maar een wild dier van de Libanon kwam voorbij en vertrapte het doornige onkruid. 10 Je hebt dan wel Edom verslagen,+ maar nu ben je trots geworden in je hart. Geniet van de roem maar blijf in je eigen huis.* Waarom zou je om moeilijkheden vragen en Juda meesleuren in je val?’ 11 Maar Ama̱zia luisterde niet.+

Toen rukte koning Joas van Israël uit. Zo kwam het bij Beth-Se̱mes+ in Juda+ tot een krachtmeting tussen hem en koning Ama̱zia van Juda. 12 Juda werd door Israël verslagen, en iedereen vluchtte naar huis.* 13 Koning Joas van Israël nam koning Ama̱zia van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Aha̱zia, bij Beth-Se̱mes gevangen. Daarna trokken ze naar Jeruzalem, en hij brak de muur van Jeruzalem af over een lengte van 400 el,* vanaf de Efraïmpoort+ tot de Hoekpoort.+ 14 Toen hij naar Sama̱ria terugging, nam hij al het goud en zilver en alle voorwerpen mee die in het huis van Jehovah en in de schatkamers van het huis van de koning gevonden werden. Ook nam hij gijzelaars mee.

15 De rest van de geschiedenis van Joas, wat hij heeft gedaan, zijn machtige daden en zijn strijd tegen koning Ama̱zia van Juda, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Israël. 16 Toen ging Joas rusten bij zijn voorvaders en hij werd begraven in Sama̱ria+ bij de koningen van Israël. Zijn zoon Jero̱beam*+ volgde hem als koning op.

17 Na de dood van koning Joas+ van Israël,+ de zoon van Jo̱ahaz, leefde koning Ama̱zia+ van Juda, de zoon van Joas, nog 15 jaar. 18 De rest van de geschiedenis van Ama̱zia is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Juda. 19 Later werd er in Jeruzalem een complot tegen hem gesmeed,+ en hij vluchtte naar La̱chis. Maar ze stuurden mannen achter hem aan en brachten hem in La̱chis ter dood. 20 Ze brachten hem met paarden terug, en hij werd in Jeruzalem begraven bij zijn voorvaders in de Stad van David.+ 21 Het volk van Juda maakte toen Aza̱rja*+ koning in de plaats van zijn vader Ama̱zia.+ Hij was 16 jaar.+ 22 Hij herbouwde E̱lath+ en bracht het weer onder het bestuur van Juda nadat de koning* was gaan rusten bij zijn voorvaders.+

23 In het 15de jaar van koning Ama̱zia van Juda, de zoon van Joas, werd Jero̱beam+ koning van Israël in Sama̱ria. Hij was de zoon van koning Joas van Israël en regeerde 41 jaar. 24 Hij bleef doen wat slecht was in Jehovah’s ogen. Hij brak niet met alle zonden waartoe Jero̱beam, de zoon van Ne̱bat, Israël had aangezet.+ 25 Hij herstelde de grens van Israël vanaf Le̱bo-Ha̱math*+ helemaal tot aan de Zee van de Ara̱ba,*+ in overeenstemming met het woord van Jehovah, de God van Israël, via zijn dienaar Jona,+ de zoon van Ami̱ttai, de profeet uit Gath-He̱fer.+ 26 Want Jehovah had de bittere ellende van Israël gezien.+ Er was niemand meer die Israël kon helpen, zelfs geen hulpeloze of zwakke. 27 Maar Jehovah had beloofd de naam van Israël niet van onder de hemel uit te wissen.+ Daarom gebruikte hij Jero̱beam, de zoon van Joas, om hen te redden.+

28 De rest van de geschiedenis van Jero̱beam, alles wat hij heeft gedaan, zijn machtige daden, zijn oorlogen en hoe hij Damaskus+ en Ha̱math+ weer onder het bestuur van Juda in Israël heeft gebracht, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Israël. 29 Toen ging Jero̱beam rusten bij zijn voorvaders, de koningen van Israël. Zijn zoon Zachari̱a+ volgde hem als koning op.

15 In het 27ste jaar van koning Jero̱beam* van Israël werd Aza̱rja*+ koning van Juda.+ Hij was de zoon van koning Ama̱zia.+ 2 Hij was 16 jaar toen hij koning werd en hij regeerde 52 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Jecho̱lia en kwam uit Jeruzalem. 3 Hij bleef doen wat goed was in Jehovah’s ogen, net zoals zijn vader Ama̱zia.+ 4 Maar de offerhoogten werden niet verwijderd.+ Het volk bleef op de offerhoogten slachtoffers brengen en offerrook maken.+ 5 Jehovah trof de koning met een ziekte, en hij bleef melaats+ tot aan zijn dood. Hij woonde in een huis dat apart stond,+ terwijl Jo̱tham,+ de zoon van de koning, de leiding had over het huis* en rechtsprak over het volk van het land.+ 6 De rest van de geschiedenis van Aza̱rja,+ alles wat hij heeft gedaan, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Juda. 7 Toen ging Aza̱rja rusten bij zijn voorvaders.+ Ze begroeven hem bij zijn voorvaders in de Stad van David. Zijn zoon Jo̱tham volgde hem als koning op.

8 In het 38ste jaar van koning Aza̱rja+ van Juda werd Zachari̱a,+ de zoon van Jero̱beam, in Sama̱ria koning over Israël. Hij regeerde zes maanden. 9 Hij deed wat slecht was in Jehovah’s ogen, net zoals zijn voorvaders. Hij brak niet met de zonden waartoe Jero̱beam, de zoon van Ne̱bat, Israël had aangezet.+ 10 Toen smeedde Sa̱llum, de zoon van Ja̱bes, een complot tegen hem en sloeg hem neer+ in Ji̱bleam.+ Nadat hij hem had gedood, werd hij koning in zijn plaats. 11 De rest van de geschiedenis van Zachari̱a is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Israël. 12 Daarmee werd het woord vervuld dat Jehovah tot Jehu had gesproken: ‘Je zonen zullen vier generaties lang+ op de troon van Israël zitten.’+ En zo is het ook gebeurd.

13 Sa̱llum, de zoon van Ja̱bes, werd koning in het 39ste jaar van koning Uzzi̱a+ van Juda. Hij regeerde een volle maand in Sama̱ria. 14 Toen rukte Mena̱hem, de zoon van Ga̱di, vanuit Ti̱rza+ naar Sama̱ria op. Hij sloeg Sa̱llum,+ de zoon van Ja̱bes, in Sama̱ria neer. Nadat hij hem had gedood, werd hij koning in zijn plaats. 15 De rest van de geschiedenis van Sa̱llum, en ook het complot dat hij smeedde, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Israël. 16 In die tijd trok Mena̱hem op uit Ti̱rza en hij doodde alle inwoners van Ti̱fsah en omgeving omdat ze de poorten niet voor hem openden. Hij verwoestte de stad en liet alle zwangere vrouwen openrijten.

17 In het 39ste jaar van koning Aza̱rja van Juda werd Mena̱hem, de zoon van Ga̱di, koning over Israël. Hij regeerde tien jaar in Sama̱ria. 18 Hij bleef doen wat slecht was in Jehovah’s ogen. Zijn hele leven* brak hij niet met de zonden waartoe Jero̱beam, de zoon van Ne̱bat, Israël had aangezet.+ 19 Koning Pul+ van Assyrië viel het land binnen, en Mena̱hem gaf aan Pul 1000 talenten* zilver in ruil voor zijn steun om zijn greep op het koninkrijk te verstevigen.+ 20 Mena̱hem zamelde het zilver in Israël in door het te vorderen van de vooraanstaande, rijke mannen.+ Hij gaf de koning van Assyrië 50 sikkels* zilver voor elke man. Toen trok de koning van Assyrië zich terug, en hij bleef niet in het land. 21 De rest van de geschiedenis van Mena̱hem,+ alles wat hij heeft gedaan, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Israël. 22 Toen ging Mena̱hem rusten bij zijn voorvaders. Zijn zoon Peka̱hia volgde hem als koning op.

23 In het 50ste jaar van koning Aza̱rja van Juda werd Peka̱hia, de zoon van Mena̱hem, in Sama̱ria koning over Israël. Hij regeerde twee jaar. 24 Hij bleef doen wat slecht was in Jehovah’s ogen. Hij brak niet met de zonden waartoe Jero̱beam, de zoon van Ne̱bat, Israël had aangezet.+ 25 Toen smeedde zijn adjudant Pe̱kah,+ de zoon van Rema̱lia, een complot tegen hem. Hij sloeg hem neer in Sama̱ria in de versterkte toren van het huis* van de koning met A̱rgob en A̱rje. Hij had 50 mannen van Gilead bij zich. Nadat hij hem had gedood, werd hij koning in zijn plaats. 26 De rest van de geschiedenis van Peka̱hia, alles wat hij heeft gedaan, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Israël.

27 In het 52ste jaar van koning Aza̱rja van Juda werd Pe̱kah,+ de zoon van Rema̱lia, in Sama̱ria koning over Israël. Hij regeerde 20 jaar. 28 Hij bleef doen wat slecht was in Jehovah’s ogen. Hij brak niet met de zonden waartoe Jero̱beam, de zoon van Ne̱bat, Israël had aangezet.+ 29 In de tijd van koning Pe̱kah van Israël viel koning Ti̱glath-Pile̱ser+ van Assyrië het land binnen. Hij veroverde I̱jon, Abel-Beth-Ma̱ächa,+ Jano̱ah, Ke̱des,+ Ha̱zor, Gilead+ en Galilea — het hele land van Na̱ftali.+ De inwoners voerde hij in ballingschap naar Assyrië weg.+ 30 Toen smeedde Hosea,+ de zoon van E̱la, een complot tegen Pe̱kah, de zoon van Rema̱lia. Hij sloeg hem neer en bracht hem ter dood. Hij werd koning in zijn plaats in het 20ste jaar van Jo̱tham,+ de zoon van Uzzi̱a. 31 De rest van de geschiedenis van Pe̱kah, alles wat hij heeft gedaan, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Israël.

32 In het tweede jaar van koning Pe̱kah van Israël, de zoon van Rema̱lia, werd Jo̱tham+ koning van Juda. Hij was de zoon van koning Uzzi̱a.+ 33 Hij was 25 jaar toen hij koning werd en hij regeerde 16 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder was Jeru̱sa, de dochter van Za̱dok.+ 34 Hij bleef doen wat goed was in Jehovah’s ogen, net zoals zijn vader Uzzi̱a.+ 35 Maar de offerhoogten werden niet verwijderd. Het volk bleef op de offerhoogten slachtoffers brengen en offerrook maken.+ Hij was degene die de Bovenpoort van het huis van Jehovah bouwde.+ 36 De rest van de geschiedenis van Jo̱tham, wat hij heeft gedaan, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Juda. 37 In die tijd begon Jehovah Re̱zin, de koning van Syrië, en Pe̱kah,+ de zoon van Rema̱lia, op Juda af te sturen.+ 38 Toen ging Jo̱tham rusten bij zijn voorvaders en hij werd bij zijn voorvaders begraven in de Stad van David, zijn voorvader. Zijn zoon Achaz volgde hem als koning op.

16 In het 17de jaar van Pe̱kah, de zoon van Rema̱lia, werd Achaz+ koning van Juda. Hij was de zoon van koning Jo̱tham. 2 Achaz was 20 jaar toen hij koning werd en hij regeerde 16 jaar in Jeruzalem. Anders dan zijn voorvader David deed hij niet wat goed was in de ogen van Jehovah, zijn God.+ 3 Hij volgde dezelfde weg als de koningen van Israël,+ en hij verbrandde zelfs zijn eigen zoon als offer.*+ Daarmee volgde hij de afschuwelijke praktijken van de volken+ die Jehovah voor de Israëlieten had verdreven. 4 Hij bleef ook slachtoffers brengen en offerrook maken op de offerhoogten,+ op de heuvels en onder elke bladerrijke boom.+

5 Toen trok koning Re̱zin van Syrië samen met koning Pe̱kah van Israël, de zoon van Rema̱lia, tegen Jeruzalem ten strijde.+ Ze belegerden de stad waar Achaz was, maar konden die niet innemen. 6 In die tijd bracht koning Re̱zin van Syrië E̱lath+ weer onder het bestuur van Edom, waarna hij de Joden* uit E̱lath verdreef. De Edomieten kwamen naar E̱lath, en ze zijn daar tot op de dag van vandaag blijven wonen. 7 Daarom stuurde Achaz boodschappers naar koning Ti̱glath-Pile̱ser+ van Assyrië en liet tegen hem zeggen: ‘Ik ben uw dienaar en uw zoon. Kom me bevrijden uit de greep van de koning van Syrië en de koning van Israël, die me aanvallen.’ 8 Achaz nam toen al het zilver en het goud dat in het huis van Jehovah en in de schatkamers van het huis* van de koning te vinden was en stuurde dat als geschenk+ naar de koning van Assyrië. 9 De koning van Assyrië deed wat Achaz vroeg. Hij ging naar Damaskus en nam het in. De bevolking voerde hij als ballingen weg naar Kir,+ en Re̱zin bracht hij ter dood.+

10 Koning Achaz ging naar Damaskus om koning Ti̱glath-Pile̱ser van Assyrië te ontmoeten. Toen koning Achaz het altaar in Damaskus zag, stuurde hij een bouwtekening+ ervan naar de priester Uri̱a. 11 Uri̱a+ bouwde het altaar na+ volgens alle instructies die koning Achaz vanuit Damaskus had gestuurd. Hij voltooide het voordat koning Achaz uit Damaskus terugkwam. 12 Toen de koning uit Damaskus terugkwam en het altaar zag, liep hij naar het altaar toe en bracht er offers op.+ 13 Op dat altaar liet hij zijn brandoffers en zijn graanoffers in rook opgaan, goot hij zijn drankoffers uit en sprenkelde hij het bloed van zijn vredeoffers.* 14 Ook verplaatste hij het koperen altaar+ dat voor Jehovah stond. Hij haalde het weg van zijn plaats vóór het huis, tussen zijn eigen altaar en het huis van Jehovah, en zette het aan de noordkant van zijn eigen altaar. 15 Koning Achaz gaf de priester Uri̱a+ het bevel: ‘Laat het morgenbrandoffer op het grote altaar+ in rook opgaan, en ook het avondgraanoffer,+ het brandoffer van de koning en zijn graanoffer, en verder de brandoffers, graanoffers en drankoffers van het hele volk. Je moet ook al het bloed van de brandoffers en al het bloed van de andere slachtoffers erop sprenkelen. Ik zal nog beslissen wat er met het koperen altaar moet gebeuren.’ 16 De priester Uri̱a deed alles wat koning Achaz hem opdroeg.+

17 Verder sneed koning Achaz de zijpanelen van de karren+ in stukken en haalde de bekkens eraf.+ De Zee die op de koperen stieren stond,+ liet hij weghalen en op een stenen vloer zetten.+ 18 De overdekte constructie voor de sabbat die in het huis was gebouwd en de buitenste ingang voor de koning verwijderde hij uit het huis van Jehovah. Dat deed hij vanwege de koning van Assyrië.

19 De rest van de geschiedenis van Achaz, wat hij heeft gedaan, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Juda.+ 20 Toen ging Achaz rusten bij zijn voorvaders en hij werd begraven bij zijn voorvaders in de Stad van David. Zijn zoon Hizki̱a*+ volgde hem als koning op.

17 In het 12de jaar van koning Achaz van Juda werd Hosea,+ de zoon van E̱la, in Sama̱ria koning over Israël. Hij regeerde negen jaar. 2 Hij bleef doen wat slecht was in Jehovah’s ogen, maar niet zo erg als de koningen van Israël vóór hem. 3 Koning Salmane̱ser van Assyrië rukte tegen Hosea op,+ en Hosea werd zijn dienaar en ging hem schatting* betalen.+ 4 Maar de koning van Assyrië ontdekte dat Hosea betrokken was bij een complot. Hosea had namelijk boodschappers gestuurd naar koning So van Egypte+ en droeg geen schatting meer af aan de koning van Assyrië zoals in de jaren daarvoor. Daarom liet de koning van Assyrië hem in de boeien slaan en in de gevangenis opsluiten.

5 De koning van Assyrië viel het land binnen. Hij kwam bij Sama̱ria en belegerde de stad drie jaar lang. 6 In het negende jaar van Hosea veroverde de koning van Assyrië Sama̱ria.+ Daarna voerde hij de Israëlieten in ballingschap weg+ naar Assyrië. Hij liet ze wonen in Ha̱lah en in Ha̱bor aan de rivier de Go̱zan+ en in de steden van de Meden.+

7 Dat gebeurde omdat de Israëlieten hadden gezondigd tegen Jehovah, hun God, die ze had weggeleid uit Egypte, uit de greep van de farao, de koning van Egypte.+ Ze aanbaden* andere goden,+ 8 ze namen de gewoonten over van de volken die Jehovah voor de Israëlieten had verdreven en ze namen de gewoonten over die de koningen van Israël hadden ingesteld.

9 De Israëlieten hielden zich bezig met dingen die volgens Jehovah, hun God, niet goed waren. Ze bouwden offerhoogten in al hun steden,+ van wachttoren tot vestingstad.* 10 Ze richtten voor zichzelf heilige zuilen en heilige palen+ op, op elke hoge heuvel en onder elke bladerrijke boom.+ 11 Op alle offerhoogten maakten ze offerrook, zoals de volken deden die Jehovah voor ze had verbannen.+ Ze bleven slechte dingen doen om Jehovah te tergen.

12 Ze vereerden walgelijke afgoden,*+ waarover Jehovah had gezegd: ‘Jullie mogen die niet aanbidden!’+ 13 Jehovah bleef Israël en Juda waarschuwen via al zijn profeten en visionairs+ door te zeggen: ‘Keer je af van je slechte weg!+ Houd je aan mijn geboden en mijn voorschriften, aan de hele wet die ik jullie voorouders heb gegeven en die ik via mijn dienaren, de profeten, aan jullie heb overgebracht.’ 14 Maar ze luisterden niet en ze bleven net zo koppig als* hun voorouders die geen geloof hadden getoond in Jehovah, hun God.+ 15 Ze verwierpen steeds zijn voorschriften, zijn verbond+ dat hij met hun voorouders had gesloten en zijn richtlijnen* die hij had gegeven om ze te waarschuwen.+ Ze bleven waardeloze afgoden+ achternalopen en werden zelf waardeloos.+ Ze volgden het voorbeeld van de volken om hen heen, ook al had Jehovah ze geboden die niet na te volgen.+

16 Ze negeerden steeds alle geboden van Jehovah, hun God. Ze maakten metalen* beelden van twee kalveren+ en een heilige paal,+ en ze bogen zich neer voor het hele hemelse leger+ en vereerden Baäl.+ 17 Ze verbrandden hun zonen en dochters als offer,*+ ze deden aan waarzeggerij+ en zochten naar voortekens. Ze legden zich erop toe* te doen wat slecht was in de ogen van Jehovah om hem te tergen.

18 Daarom was Jehovah woedend op Israël, en hij verstootte hen.+ Hij dreef iedereen weg, behalve de stam Juda.

19 Maar zelfs Juda hield zich niet aan de geboden van Jehovah, hun God.+ Ook zij hielden vast aan* de gewoonten die Israël had overgenomen.+ 20 Jehovah verwierp alle afstammelingen van Israël. Hij vernederde ze en liet ze in handen vallen van plunderaars, tot ze uit zijn ogen verdwenen waren. 21 Hij had Israël van het huis van David weggescheurd, en Israël had Jero̱beam, de zoon van Ne̱bat, koning gemaakt.+ Maar Jero̱beam liet Israël afdwalen van Jehovah, en hij zette hen aan tot een grote zonde. 22 De Israëlieten gingen door met* alle zonden die Jero̱beam had begaan.+ Ze braken daar niet mee, 23 totdat Jehovah Israël verstootte zoals hij via zijn dienaren, de profeten, had aangekondigd.+ Zo werd Israël in ballingschap uit zijn land weggevoerd naar Assyrië,+ waar ze tot op de dag van vandaag zijn.

24 De koning van Assyrië haalde vervolgens mensen uit Babylon, Ku̱tha, A̱vva, Ha̱math en Sefarva̱ïm+ en liet ze in de plaats van de Israëlieten in de steden van Sama̱ria wonen. Ze namen Sama̱ria in bezit en vestigden zich in de steden ervan. 25 Toen ze er net woonden, hadden ze geen ontzag voor Jehovah.* Daarom stuurde Jehovah leeuwen op hen af,+ die sommigen van hen doodden. 26 De koning van Assyrië kreeg het volgende bericht: ‘De volken die u in ballingschap hebt weggevoerd en in de steden van Sama̱ria hebt laten wonen, weten niet hoe ze de God van het land moeten aanbidden. Nu stuurt hij steeds leeuwen op hen af, die hen doden omdat niemand van hen weet hoe de God van het land aanbeden moet worden.’

27 Toen gaf de koning van Assyrië het bevel: ‘Stuur een van de priesters die jullie in ballingschap hebben weggevoerd naar het land terug. Hij moet daar gaan wonen en ze leren hoe ze de God van het land moeten aanbidden.’ 28 Een van de priesters die in ballingschap uit Sama̱ria was weggevoerd, kwam dus terug. Hij ging in Bethel+ wonen en begon ze te leren hoe ze ontzag voor Jehovah moesten tonen.*+

29 Maar elk volk maakte zijn eigen god,* die ze neerzetten in de heiligdommen op de offerhoogten die de Samaritanen hadden gemaakt. Elk volk deed dat in de steden waar ze woonden. 30 De mannen van Babylon maakten Su̱kkoth-Be̱noth, de mannen van Kuth maakten Ne̱rgal, de mannen van Ha̱math+ maakten Asi̱ma 31 en de Avvieten maakten Ni̱bhaz en Ta̱rtak. De Sefarvieten verbrandden hun zonen in het vuur voor Adramme̱lech en Anamme̱lech, de goden van Sefarva̱ïm.+ 32 Hoewel ze ontzag voor Jehovah hadden, stelden ze voor de offerhoogten priesters aan uit het gewone volk. Die deden voor hen dienst in de heiligdommen op de offerhoogten.+ 33 Ze hadden dus ontzag voor Jehovah maar aanbaden hun eigen goden zoals gebruikelijk was in de landen waaruit ze waren gedeporteerd.+

34 Tot op de dag van vandaag volgen ze hun vroegere religieuze gebruiken. Geen van hen aanbidt* Jehovah en niemand houdt zich aan zijn voorschriften, zijn bepalingen, de wet en het gebod dat Jehovah heeft gegeven aan de zonen van Jakob, die hij de naam Israël gaf.+ 35 Toen Jehovah een verbond met hen sloot,+ gebood hij hun: ‘Jullie mogen geen andere goden vereren. Buig je niet voor ze neer, dien ze niet en breng ze geen slachtoffers.+ 36 Maar heb ontzag+ voor Jehovah, die jullie met grote kracht en een uitgestrekte arm+ uit Egypte heeft weggeleid. Buig je voor hem neer en breng slachtoffers aan hem. 37 Houd je altijd strikt aan de voorschriften, de bepalingen, de wet en het gebod dat hij voor jullie heeft opgeschreven,+ en vereer geen andere goden. 38 Vergeet het verbond niet dat ik met jullie heb gesloten,+ en vereer geen andere goden. 39 Maar heb ontzag voor Jehovah, je God, want hij zal jullie bevrijden uit de greep van al je vijanden.’

40 Maar ze gehoorzaamden niet, en ze volgden hun vroegere religieuze gebruiken.+ 41 Deze volken kregen dus ontzag voor Jehovah,+ maar ze vereerden ook hun eigen beelden. Zowel hun zonen als hun kleinzonen doen tot op de dag van vandaag hetzelfde als hun voorvaders.

18 In het derde jaar van koning Hosea+ van Israël, de zoon van E̱la, werd Hizki̱a+ koning van Juda. Hij was de zoon van koning Achaz.+ 2 Hij was 25 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde 29 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder was A̱bi,* de dochter van Zachari̱a.+ 3 Hij bleef doen wat goed was in Jehovah’s ogen,+ net zoals zijn voorvader David.+ 4 Hij was het die de offerhoogten+ verwijderde, de heilige zuilen kapotsloeg en de heilige paal omhakte.+ Hij verbrijzelde ook de koperen slang die door Mozes was gemaakt.+ Want tot die tijd hadden de Israëlieten er offerrook voor gemaakt, en de afgod werd de Koperslang* genoemd. 5 Hizki̱a vertrouwde op Jehovah,+ de God van Israël. Onder alle koningen van Juda na hem en vóór hem was er niemand als hij. 6 Hij bleef aan Jehovah gehecht.+ Hij stopte er niet mee hem te volgen maar hield zich altijd aan de geboden die Jehovah Mozes had gegeven. 7 Jehovah was met hem. In alles wat Hizki̱a ondernam, was hij verstandig. Hij kwam in opstand tegen de koning van Assyrië en weigerde hem te dienen.+ 8 Hij versloeg ook de Filistijnen+ helemaal tot aan Gaza en omgeving, van wachttoren tot vestingstad.*

9 In het vierde jaar van koning Hizki̱a (het zevende jaar van koning Hosea+ van Israël, de zoon van E̱la) rukte koning Salmane̱ser van Assyrië tegen Sama̱ria op en belegerde de stad.+ 10 Na drie jaar namen ze de stad in.+ In het zesde jaar van Hizki̱a (het negende jaar van koning Hosea van Israël) werd Sama̱ria ingenomen. 11 Toen voerde de koning van Assyrië Israël in ballingschap+ weg naar Assyrië. Hij liet ze wonen in Ha̱lah en in Ha̱bor aan de rivier de Go̱zan en in de steden van de Meden.+ 12 Dat gebeurde omdat ze niet hadden geluisterd naar de stem van Jehovah, hun God, en zich niet hadden gehouden aan zijn verbond, aan alles wat Mozes, de dienaar van Jehovah, had geboden.+ Ze luisterden en gehoorzaamden niet.

13 In het 14de jaar van koning Hizki̱a rukte koning Sa̱nherib van Assyrië+ op tegen alle vestingsteden van Juda en veroverde ze.+ 14 Daarom stuurde koning Hizki̱a van Juda de koning van Assyrië in La̱chis het volgende bericht: ‘Ik ben schuldig. Als u zich terugtrekt, zal ik alles geven wat u van me vraagt.’ De koning van Assyrië legde koning Hizki̱a van Juda een boete op van 300 talenten* zilver en 30 talenten goud. 15 Hizki̱a gaf toen al het zilver dat in het huis van Jehovah en in de schatkamers van het huis* van de koning+ te vinden was. 16 In die tijd verwijderde* koning Hizki̱a van Juda de deuren van de tempel+ van Jehovah en de deurposten die Hizki̱a zelf had bekleed,*+ en hij gaf ze aan de koning van Assyrië.

17 De koning van Assyrië stuurde de tartan,* de rabsa̱ris* en de ra̱bsake* met een groot leger vanuit La̱chis+ naar koning Hizki̱a in Jeruzalem.+ Ze rukten uit naar Jeruzalem en stelden zich op bij de waterleiding van de Bovenvijver, aan de hoofdweg naar het veld van de wasman.+ 18 Toen ze een gesprek met de koning eisten, kwamen hofmeester E̱ljakim,+ de zoon van Hilki̱a, secretaris Se̱bna+ en kroniekschrijver Jo̱ah, de zoon van Asaf, naar hen toe.

19 De ra̱bsake zei toen tegen hen: ‘Zeg alsjeblieft tegen Hizki̱a: “Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: ‘Waarom voel je je zo zeker?+ 20 Je zegt: “Ik heb een strategie en beschik over militaire macht.” Maar dat zijn lege woorden. Op wie vertrouw je, dat je tegen mij in opstand durft te komen?+ 21 Luister, je vertrouwt op de steun van Egypte,+ die geknakte rietstengel die je hand doorboort als je erop leunt. Zo is de farao, de koning van Egypte, voor iedereen die op hem vertrouwt. 22 Of willen jullie tegen mij zeggen dat jullie vertrouwen op Jehovah, jullie God?+ Is hij niet degene van wie de offerhoogten en altaren door Hizki̱a zijn verwijderd+ terwijl Hizki̱a tegen Juda en Jeruzalem zegt: “Buig je neer voor dit altaar in Jeruzalem”?’”+ 23 Sluit alsjeblieft deze weddenschap met mijn heer, de koning van Assyrië: ik zal je 2000 paarden geven als je er genoeg ruiters voor kunt vinden.+ 24 Hoe zou je zelfs maar één van de onbelangrijkste gouverneurs van mijn heer kunnen terugdrijven als je op Egypte vertrouwt voor wagens en voor ruiters? 25 Denk je soms dat ik zonder machtiging van Jehovah tegen deze plaats ben opgerukt om die te vernietigen? Jehovah heeft zelf tegen me gezegd: “Ruk op tegen dit land en vernietig het.”’

26 Toen zeiden E̱ljakim, de zoon van Hilki̱a, en Se̱bna+ en Jo̱ah tegen de ra̱bsake:+ ‘Spreek alstublieft Aramees*+ met uw dienaren, want wij kunnen dat verstaan. Spreek niet met ons in de taal van de Joden terwijl de mensen op de muur het kunnen horen.’+ 27 Maar de ra̱bsake zei tegen hen: ‘Denken jullie soms dat mijn heer me heeft gestuurd om alleen tegen jullie heer en tegen jullie te spreken? Mijn woorden zijn ook bedoeld voor de mannen die op de muur zitten, degenen die net als jullie hun eigen uitwerpselen zullen eten en hun eigen urine zullen drinken.’

28 Toen riep de ra̱bsake luid in de taal van de Joden: ‘Hoor het woord van de grote koning, de koning van Assyrië.+ 29 Dit zegt de koning: “Laat je niet door Hizki̱a bedriegen, want hij kan jullie niet uit mijn greep redden.+ 30 Laat je niet door Hizki̱a overhalen om op Jehovah te vertrouwen als hij zegt: ‘Jehovah zal ons zeker redden, en deze stad zal niet in handen vallen van de koning van Assyrië.’+ 31 Luister niet naar Hizki̱a, want dit zegt de koning van Assyrië: ‘Sluit vrede met mij en geef je over.* Dan zullen jullie allemaal van je eigen wijnstok en je eigen vijgenboom eten en het water uit je eigen waterput* drinken, 32 tot ik kom en jullie naar net zo’n land breng als jullie eigen land:+ een land van graan en nieuwe wijn, een land van brood en wijngaarden, een land van olijfbomen en honing. Dan blijven jullie in leven en hoeven jullie niet te sterven. Luister niet naar Hizki̱a, want hij misleidt jullie door te zeggen: “Jehovah zal ons redden.” 33 Heeft ook maar één van de goden van de volken zijn land gered uit de handen van de koning van Assyrië? 34 Waar zijn de goden van Ha̱math+ en A̱rpad? Waar zijn de goden van Sefarva̱ïm,+ He̱na en I̱vva? Hebben ze Sama̱ria uit mijn handen gered?+ 35 Wie onder alle goden van de landen heeft zijn land uit mijn handen gered? Zou Jehovah Jeruzalem dan wél uit mijn handen kunnen redden?’”’+

36 Het volk zweeg en zei niets terug, want de koning had bevolen: ‘Jullie mogen niet reageren.’+ 37 Toen kwamen hofmeester E̱ljakim, de zoon van Hilki̱a, secretaris Se̱bna en kroniekschrijver Jo̱ah, de zoon van Asaf, met gescheurde kleren bij Hizki̱a en vertelden hem wat de ra̱bsake had gezegd.

19 Zodra koning Hizki̱a dat hoorde, scheurde hij zijn kleren, deed een zak aan en ging het huis van Jehovah in.+ 2 Toen stuurde hij hofmeester E̱ljakim, secretaris Se̱bna en de oudsten van de priesters gekleed in zakken naar de profeet Jesaja,+ de zoon van Amoz. 3 Ze zeiden tegen hem: ‘Dit zegt Hizki̱a: “Dit is een dag van angst, van straf* en van vernedering. Want de kinderen staan op het punt geboren te worden,* maar de kracht om te baren+ ontbreekt. 4 Misschien zal Jehovah, je God, alle woorden horen van de ra̱bsake, die door zijn heer, de koning van Assyrië, gestuurd is om de levende God te bespotten,+ en zal hij hem ter verantwoording roepen voor de woorden die Jehovah, je God, heeft gehoord. Bid+ dus voor het overblijfsel dat nog in leven is.”’

5 Toen de dienaren van koning Hizki̱a bij Jesaja kwamen,+ 6 zei Jesaja tegen hen: ‘Dit moeten jullie tegen je heer zeggen: “Dit zegt Jehovah: ‘Laat je niet bang maken+ door de woorden die jullie hebben gehoord, de woorden waarmee de bedienden van de koning van Assyrië mij hebben gelasterd.+ 7 Want ik zal een gedachte in zijn geest* leggen, en hij zal een bericht horen en naar zijn eigen land teruggaan. Ik zal hem vervolgens in zijn eigen land met het zwaard laten ombrengen.’”’+

8 Toen de ra̱bsake hoorde dat de koning van Assyrië zich van La̱chis had teruggetrokken,+ ging hij terug naar de koning, die Li̱bna aan het belegeren was.+ 9 De koning hoorde dat er over koning Tirha̱ka van Ethiopië werd gezegd: ‘Hij is uitgerukt om tegen u te strijden.’ Hij stuurde dus opnieuw boodschappers+ naar Hizki̱a en zei: 10 ‘Dit moeten jullie zeggen tegen koning Hizki̱a van Juda: “Laat je God, op wie je vertrouwt, je niet bedriegen door te zeggen: ‘Jeruzalem zal niet in handen vallen van de koning van Assyrië.’+ 11 Je hebt gehoord wat de koningen van Assyrië met alle landen hebben gedaan: ze hebben ze volledig verwoest.*+ Zul jij dan als enige worden gered? 12 De volken die door mijn voorvaders zijn uitgeroeid, werden toch ook niet door hun goden bevrijd? Waar zijn Go̱zan, Ha̱ran,+ Re̱zef en het volk van Eden dat in Tel-A̱ssar was? 13 Waar zijn de koning van Ha̱math, de koning van A̱rpad en de koningen van de steden Sefarva̱ïm, He̱na en I̱vva?”’+

14 Hizki̱a las de brieven die de boodschappers hem overhandigden. Daarna ging Hizki̱a naar het huis van Jehovah en spreidde ze* voor Jehovah uit.+ 15 Hizki̱a bad+ toen tot Jehovah en zei: ‘O Jehovah, God van Israël, die boven* de cherubs+ op zijn troon zit, u alleen bent de ware God van alle koninkrijken op aarde.+ U hebt de hemel en de aarde gemaakt. 16 Luister,* o Jehovah. Hoor toch!+ Open uw ogen,+ o Jehovah, en zie! Luister naar de woorden die Sa̱nherib heeft geschreven om de levende God te bespotten. 17 Het is waar, o Jehovah, dat de koningen van Assyrië de volken en hun landen hebben verwoest.+ 18 Ze hebben hun goden in het vuur gegooid, omdat het geen goden waren+ maar het werk van mensenhanden,+ hout en steen. Daarom konden ze die vernietigen. 19 Red ons nu alstublieft uit zijn hand, o Jehovah, onze God, zodat alle koninkrijken op aarde weten dat u alleen God bent, o Jehovah.’+

20 Jesaja, de zoon van Amoz, stuurde toen deze boodschap naar Hizki̱a: ‘Dit zegt Jehovah, de God van Israël: “Ik heb je gebed+ over koning Sa̱nherib van Assyrië+ gehoord. 21 Dit is het woord dat Jehovah tegen hem heeft gesproken:

‘De maagdelijke dochter Sion veracht je, ze lacht je uit.

De dochter Jeruzalem schudt haar hoofd.

22 Wie heb je bespot en belasterd?+

Tegen wie heb je je stem verheven?+

Op wie heb je trots neergekeken?

Het is de Heilige van Israël!+

23 Via je boodschappers+ heb je Jehovah bespot+ en gezegd:

“Met al mijn strijdwagens

bestijg ik de hoogste bergen,

de uithoeken van de Libanon.

Ik kap zijn statige ceders, zijn beste jeneverbomen.

Ik dring door tot zijn verste schuilplaats, zijn diepste woud.

24 Ik graaf putten en drink andermans water.

Ik leg alle stromen* van Egypte met mijn voetzolen droog.”

25 Heb je het niet gehoord? Lang geleden is het bepaald.*+

In lang vervlogen tijden heb ik het voorbereid.*+

Nu zal ik het laten gebeuren.+

Je zult vestingsteden verwoesten tot puinhopen.+

26 Hun inwoners zullen machteloos zijn.

Ze zullen doodsbang en beschaamd zijn.

Ze zullen worden als plantjes op het veld en als groen gras,+

als gras op de daken, verschroeid door de oostenwind.

27 Maar ik weet precies wanneer je gaat zitten, wanneer je weggaat, wanneer je terugkomt+

en wanneer je woedend op me bent.+

28 Je woede tegen mij+ en je razernij zijn tot mijn oren doorgedrongen.+

Daarom zal ik mijn haak in je neus slaan en mijn toom+ tussen je lippen leggen.

En ik zal je terugleiden over de weg waarlangs je gekomen bent.’+

29 Dit is voor jou* het teken: Dit jaar zul je eten wat vanzelf groeit.* In het tweede jaar zul je graan eten dat daaruit opkomt.+ Maar in het derde jaar zul je zaaien en oogsten, wijngaarden planten en de vrucht ervan eten.+ 30 Wie van het huis van Juda ontkomt, wie overblijft,+ zal van onder wortel schieten en van boven vrucht dragen. 31 Want er zal een overblijfsel uit Jeruzalem komen, overlevenden van de berg Sion. Jehovah van de legermachten zal dat in zijn ijver doen.+

32 Daarom zegt Jehovah het volgende over de koning van Assyrië:+

‘Hij zal deze stad niet binnenkomen,+

er geen pijl op afschieten,

er geen schild tegen opheffen

en er geen belegeringsdam tegen opwerpen.+

33 Hij zal teruggaan over de weg waarlangs hij is gekomen.

Hij komt deze stad niet binnen’, verklaart Jehovah.

34 ‘Ik zal deze stad verdedigen+ en redden ter wille van mijzelf+

en ter wille van mijn dienaar David.’”’+

35 Die nacht kwam de engel van Jehovah naar het kamp van de Assyriërs en doodde daar 185.000 man.+ De volgende ochtend zag men overal lijken liggen.+ 36 Koning Sa̱nherib van Assyrië vertrok daarna. Hij ging terug naar Ninevé+ en bleef daar.+ 37 Toen hij zich neerboog in het huis* van zijn god Ni̱sroch, werd hij met het zwaard gedood+ door Adramme̱lech en Sare̱zer, zijn eigen zonen, die daarna naar het land A̱rarat+ vluchtten. Zijn zoon E̱sar-Ha̱ddon+ volgde hem als koning op.

20 In die tijd werd Hizki̱a dodelijk ziek.+ De profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam bij hem en zei: ‘Dit zegt Jehovah: “Tref regelingen met je familie,* want je zult sterven. Je zult niet herstellen.”’+ 2 Toen draaide hij zijn gezicht naar de muur en bad tot Jehovah: 3 ‘Ik smeek u, o Jehovah, herinner u alstublieft dat ik u trouw en met een onverdeeld hart heb gediend,* en dat ik heb gedaan wat goed was in uw ogen.’+ En Hizki̱a barstte in tranen uit.

4 Jesaja had het middelste hof nog niet bereikt of Jehovah’s woord kwam tot hem. Het luidde:+ 5 ‘Ga terug en zeg tegen Hizki̱a, de leider van mijn volk: “Dit zegt Jehovah, de God van je voorvader David: ‘Ik heb je gebed gehoord. Ik heb je tranen gezien.+ Ik genees je.+ Over drie dagen zul je naar het huis van Jehovah gaan.+ 6 Ik geef je nog 15 jaar te leven,* en ik zal jou en deze stad redden uit de handen van de koning van Assyrië.+ Ik zal deze stad verdedigen ter wille van mij en ter wille van mijn dienaar David.’”’+

7 Jesaja zei toen: ‘Haal een koek van samengeperste gedroogde vijgen.’ Ze haalden er een en legden die op de zweer, waarna hij geleidelijk herstelde.+

8 Hizki̱a had aan Jesaja gevraagd: ‘Aan welk teken+ kan ik zien dat Jehovah me zal genezen en dat ik over drie dagen naar het huis van Jehovah zal gaan?’ 9 Jesaja antwoordde: ‘Dit is het teken van Jehovah om je te laten zien dat Jehovah zich aan zijn woord zal houden: wil je dat de schaduw op de trap* tien treden vooruitgaat of tien treden achteruit?’+ 10 Hizki̱a zei: ‘Het is voor de schaduw makkelijk om tien treden vooruit te gaan maar niet om tien treden achteruit te gaan.’ 11 Toen riep de profeet Jesaja tot Jehovah, en Hij liet de schaduw op de trap van Achaz tien treden achteruitgaan toen die al op de treden afgedaald was.+

12 In die tijd stuurde de koning van Babylon, Be̱rodach-Ba̱ladan, de zoon van Ba̱ladan, brieven en een geschenk naar Hizki̱a, want hij had gehoord dat Hizki̱a ziek was geweest.+ 13 Hizki̱a verwelkomde* de boodschappers en liet ze zijn hele schathuis+ zien: het zilver, het goud, de balsemolie en andere kostbare olie, zijn wapenhuis en alles wat er in zijn schatkamers te vinden was. Er was niets in zijn eigen huis* en in zijn hele rijk dat Hizki̱a ze niet liet zien.

14 Daarna kwam de profeet Jesaja bij koning Hizki̱a. Hij vroeg hem: ‘Wat hebben die mannen gezegd en waar kwamen ze vandaan?’ Hizki̱a antwoordde: ‘Ze kwamen uit een ver land, uit Babylon.’+ 15 Toen vroeg hij: ‘Wat hebben ze in je huis gezien?’ Hizki̱a antwoordde: ‘Ze hebben alles in mijn huis gezien. Er was niets in mijn schatkamers dat ik ze niet heb laten zien.’

16 Daarna zei Jesaja tegen Hizki̱a: ‘Hoor het woord van Jehovah:+ 17 “Er komt een tijd dat alles wat er in je huis is en wat je voorvaders tot nu toe hebben verzameld, weggebracht wordt naar Babylon.+ Er zal niets overblijven”, zegt Jehovah. 18 “En sommigen van je eigen zonen, van wie je vader zult worden, zullen meegenomen worden+ en hofbeambten worden in het paleis van de koning van Babylon.”’+

19 Toen zei Hizki̱a tegen Jesaja: ‘Het woord van Jehovah dat je hebt gesproken is goed.’+ En hij voegde eraan toe: ‘Het is goed als er tijdens mijn leven* vrede en stabiliteit* is.’+

20 De rest van de geschiedenis van Hizki̱a — al zijn machtige daden en de vijver+ en de waterleiding die hij heeft aangelegd om het water in de stad te brengen+ — is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Juda. 21 Toen ging Hizki̱a rusten bij zijn voorvaders.+ Zijn zoon Manasse+ volgde hem als koning op.+

21 Manasse+ was 12 jaar toen hij koning werd en hij regeerde 55 jaar in Jeruzalem.+ Zijn moeder heette He̱fsibah. 2 Hij deed wat slecht was in Jehovah’s ogen en volgde de afschuwelijke praktijken van de volken+ die Jehovah voor de Israëlieten had verdreven.+ 3 Hij herbouwde de offerhoogten die zijn vader Hizki̱a had verwoest.+ Hij richtte altaren op voor Baäl en maakte een heilige paal,+ net zoals koning Achab van Israël had gedaan.+ Hij boog zich neer voor het hele hemelse leger en diende ze.+ 4 Hij bouwde ook altaren in het huis van Jehovah,+ waarover Jehovah had gezegd: ‘In Jeruzalem zal ik mijn naam vestigen.’+ 5 Hij bouwde in twee voorhoven van het huis van Jehovah+ altaren voor het hele hemelse leger.+ 6 Hij verbrandde zijn eigen zoon als offer.* Hij deed aan magie, zocht naar voortekens+ en stelde mediums en waarzeggers+ aan. Hij deed op grote schaal wat slecht was in Jehovah’s ogen om hem te tergen.

7 Hij zette de heilige paal,+ het beeld dat hij had gemaakt, in het huis waarover Jehovah tegen David en zijn zoon Salomo had gezegd: ‘In dit huis en in Jeruzalem, dat ik uit alle stammen van Israël heb uitgekozen, zal ik voor altijd mijn naam vestigen.+ 8 Ik zal ervoor zorgen dat Israël nooit meer hoeft weg te trekken uit het land dat ik hun voorouders heb gegeven,+ maar dan moeten ze zich wel strikt houden aan alles wat ik ze heb geboden,+ de hele wet die mijn dienaar Mozes ze heeft voorgeschreven.’ 9 Maar ze gehoorzaamden niet, en Manasse liet ze steeds weer afdwalen en zette ze ertoe aan nog slechtere dingen te doen dan de volken die Jehovah voor de Israëlieten had uitgeroeid.+

10 Jehovah bleef via zijn dienaren, de profeten, zeggen:+ 11 ‘Koning Manasse van Juda heeft al die afschuwelijke dingen gedaan. Hij heeft meer kwaad gedaan dan alle Amorieten+ vóór hem,+ en hij heeft Juda met zijn walgelijke afgodsbeelden* tot zonde aangezet. 12 Daarom zegt Jehovah, de God van Israël: “Ik breng zo’n grote ramp over Jeruzalem+ en Juda dat iedereen die ervan hoort zijn oren niet zal kunnen geloven.+ 13 Ik zal voor Jeruzalem het meetlint+ van Sama̱ria+ gebruiken en het schietlood* van het huis van Achab.+ Ik zal Jeruzalem schoonvegen zoals je een schaal schoonveegt en ondersteboven keert.+ 14 Ik zal het overblijfsel van mijn erfdeel in de steek laten+ en ze in handen van hun vijanden geven. Ze zullen door al hun vijanden geplunderd en beroofd worden,+ 15 omdat ze hebben gedaan wat slecht was in mijn ogen en mij steeds hebben getergd vanaf de dag dat hun voorouders uit Egypte kwamen tot op de dag van vandaag.”’+

16 Behalve dat Manasse zondigde door Juda tot zonde aan te zetten, zodat ze deden wat slecht was in de ogen van Jehovah, vergoot hij ook zo veel onschuldig bloed dat Jeruzalem er van het ene einde tot het andere mee werd gevuld.+ 17 De rest van de geschiedenis van Manasse, alles wat hij heeft gedaan en zijn zonden, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Juda. 18 Toen ging Manasse rusten bij zijn voorvaders. Hij werd begraven in de tuin van zijn huis, in de tuin van U̱zza.+ Zijn zoon A̱mon volgde hem als koning op.

19 A̱mon+ was 22 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaar in Jeruzalem.+ Zijn moeder was Mesulle̱meth, de dochter van Ha̱ruz uit Jo̱tba. 20 Hij bleef doen wat slecht was in Jehovah’s ogen, net zoals zijn vader Manasse.+ 21 Hij volgde dezelfde weg als zijn vader. Hij bleef zich in aanbidding neerbuigen voor dezelfde walgelijke afgodsbeelden die zijn vader had vereerd.+ 22 Hij verliet Jehovah, de God van zijn voorvaders, en hij volgde de weg van Jehovah niet.+ 23 Uiteindelijk smeedden A̱mons dienaren een complot tegen de koning en ze doodden hem in zijn eigen huis. 24 Maar het volk van het land doodde iedereen die in het complot tegen koning A̱mon had gezeten. Ze maakten zijn zoon Josi̱a koning in zijn plaats.+ 25 De rest van de geschiedenis van A̱mon, wat hij heeft gedaan, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Juda. 26 Ze begroeven hem in zijn graf in de tuin van U̱zza,+ en zijn zoon Josi̱a+ volgde hem als koning op.

22 Josi̱a+ was acht jaar toen hij koning werd, en hij regeerde 31 jaar in Jeruzalem.+ Zijn moeder was Jedi̱da, de dochter van Ada̱ja uit Bo̱zkath.+ 2 Hij deed wat goed was in Jehovah’s ogen en volgde dezelfde weg als zijn voorvader David.+ Hij week er niet van af, niet naar rechts en niet naar links.

3 In het 18de jaar van koning Josi̱a stuurde de koning zijn secretaris Sa̱fan, de zoon van Aza̱lja, de zoon van Mesu̱llam, met de volgende opdracht naar het huis van Jehovah:+ 4 ‘Ga naar hogepriester Hilki̱a+ en laat hem al het geld verzamelen dat in het huis van Jehovah wordt gebracht+ en dat de deurwachters hebben ingezameld van het volk.+ 5 Ze moeten het geven aan degenen die zijn aangesteld over het werk in het huis van Jehovah. Zij zullen het dan weer geven aan de werkers in het huis van Jehovah die de schade aan* het huis moeten herstellen:+ 6 de ambachtslieden, de bouwers en de metselaars. Ze moeten het gebruiken om balken en gehouwen stenen te kopen om het huis te herstellen.+ 7 De mannen die het geld krijgen, hoeven niet gecontroleerd te worden, want ze zijn betrouwbaar.’+

8 Later zei hogepriester Hilki̱a tegen secretaris Sa̱fan:+ ‘Ik heb het wetboek+ in het huis van Jehovah gevonden.’ Hilki̱a gaf het boek aan Sa̱fan, en die begon het te lezen.+ 9 Toen ging secretaris Sa̱fan naar de koning en zei tegen hem: ‘Uw dienaren hebben het geld verzameld dat zich in het huis bevond en ze hebben het overhandigd aan degenen die zijn aangesteld over het werk in het huis van Jehovah.’+ 10 Verder vertelde secretaris Sa̱fan aan de koning: ‘De priester Hilki̱a heeft mij een boek+ gegeven.’ Toen begon Sa̱fan het aan de koning voor te lezen.

11 Zodra de koning de woorden van het wetboek hoorde, scheurde hij zijn kleren.+ 12 Hij gaf het volgende bevel aan de priester Hilki̱a, aan Ahi̱kam,+ de zoon van Sa̱fan, aan A̱chbor, de zoon van Micha̱ja, aan secretaris Sa̱fan en aan Asa̱ja, de dienaar van de koning: 13 ‘Ga voor mij, voor het volk en voor heel Juda bij Jehovah navraag doen over de woorden van dit boek dat is gevonden. Want Jehovah’s grote woede is tegen ons opgelaaid+ omdat onze voorouders de woorden van dit boek niet hebben gehoorzaamd en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven.’

14 Dus gingen de priester Hilki̱a, Ahi̱kam, A̱chbor, Sa̱fan en Asa̱ja naar de profetes+ Hu̱lda. Zij was de vrouw van Sa̱llum, de zoon van Ti̱kva, de zoon van Ha̱rhas, de beheerder van de kleding. Ze woonde in het Tweede Stadsdeel van Jeruzalem. Daar spraken ze met haar.+ 15 Ze zei tegen hen: ‘Dit zegt Jehovah, de God van Israël: “Zeg tegen de man die jullie naar mij heeft gestuurd: 16 ‘Dit zegt Jehovah: “Ik zal ellende brengen over deze plaats en de inwoners, namelijk alles wat in het boek staat dat de koning van Juda heeft gelezen.+ 17 Ze hebben mij verlaten en voor andere goden+ offers in rook laten opgaan om mij te tergen met alles wat ze hebben gemaakt.+ Daarom zal mijn woede tegen deze plaats hoog oplaaien en niet meer doven.”’+ 18 Maar dit moeten jullie zeggen tegen de koning van Juda, die jullie gestuurd heeft om Jehovah te raadplegen: ‘Dit zegt Jehovah, de God van Israël, over de woorden die je hebt gehoord: 19 “Je hebt je hart opengesteld* en je voor Jehovah vernederd+ toen je hoorde wat ik tegen deze plaats en de inwoners heb gezegd — dat ze een schrikbeeld en een vloek zouden worden — en je hebt je kleren gescheurd+ en voor mij gehuild. Ik heb daarom naar je geluisterd, verklaart Jehovah. 20 Om die reden zul je in vrede in je graf worden gelegd als ik je tot je voorvaders vergader.* Je zult alle ellende die ik over deze plaats breng niet met eigen ogen zien.”’”’ Dat antwoord brachten ze aan de koning over.

23 Toen liet de koning alle oudsten van Juda en Jeruzalem bij zich komen.+ 2 Hij ging vervolgens naar het huis van Jehovah, samen met alle mannen van Juda, alle inwoners van Jeruzalem, de priesters en de profeten — het hele volk, van klein tot groot. Hij las hun alle woorden voor van het boek+ van het verbond+ dat in het huis van Jehovah was gevonden.+ 3 De koning stond bij de zuil en sloot een verbond* ten overstaan van Jehovah:+ hij beloofde Jehovah te volgen en zich met zijn hele hart en zijn hele ziel* aan zijn geboden, richtlijnen* en voorschriften te houden door de woorden van het verbond na te leven die in dit boek stonden. En het hele volk stemde in met het verbond.+

4 Toen gaf de koning aan hogepriester Hilki̱a,+ de andere priesters en de deurwachters het bevel om uit de tempel van Jehovah alle voorwerpen te halen die gemaakt waren voor Baäl, voor de heilige paal+ en voor het hele hemelse leger. Toen verbrandde hij ze buiten Jeruzalem op de Ki̱dronterrassen, en hij bracht de as naar Bethel.+ 5 Hij ontsloeg de priesters van vreemde goden, die door de koningen van Juda waren aangesteld om offerrook te maken op de offerhoogten in de steden van Juda en in de omgeving van Jeruzalem. Hij stuurde ook degenen weg die offerrook maakten voor Baäl, de zon, de maan, de sterrenbeelden van de dierenriem en het hele hemelse leger.+ 6 Hij haalde de heilige paal+ uit het huis van Jehovah weg en bracht die naar de rand van Jeruzalem, naar het Ki̱drondal. Hij verbrandde hem+ in het Ki̱drondal, verpulverde hem tot stof en verstrooide het stof op de graven van het gewone volk.+ 7 In het huis van Jehovah brak hij ook de huizen van de tempelprostitués+ af, waar de vrouwen tentheiligdommen weefden voor de heilige paal.

8 Toen haalde hij alle priesters weg uit de steden van Juda. De offerhoogten waar de priesters offerrook hadden gemaakt — van Ge̱ba+ tot Berse̱ba+ — maakte hij ongeschikt voor aanbidding. Hij brak ook de offerhoogten bij de poorten af, die bij de ingang waren van de poort van de stadsbestuurder Jozua, links als je de stadspoort binnenkwam. 9 De priesters van de offerhoogten deden geen dienst bij het altaar van Jehovah in Jeruzalem,+ maar ze aten wel ongezuurd brood samen met hun broeders. 10 Hij maakte ook To̱feth+ in het Dal van de Zonen van Hi̱nnom*+ ongeschikt voor aanbidding, zodat niemand zijn zoon of dochter als offer kon verbranden* voor Mo̱lech.+ 11 Hij bepaalde dat de paarden die de koningen van Juda aan de zon hadden gewijd,* het huis van Jehovah niet meer mochten binnengaan bij de kamer* van de hofbeambte Nathan-Me̱lech in de zuilengang. De zonnewagens+ verbrandde hij. 12 De koning brak ook de altaren af die de koningen van Juda hadden gemaakt op het dak+ van de bovenkamer van Achaz, en de altaren die Manasse had gemaakt in twee voorhoven van het huis van Jehovah.+ Hij sloeg ze stuk en verstrooide het stof in het Ki̱drondal. 13 De koning maakte de offerhoogten buiten Jeruzalem die aan de zuidkant* van de Berg van het Verderf* waren, ongeschikt voor aanbidding. Koning Salomo van Israël had die gebouwd voor A̱storeth, de walgelijke godin van de Sidoniërs, voor Ka̱mos, de walgelijke god van Moab, en voor Mi̱lkom,+ de afschuwelijke god van de Ammonieten.+ 14 Hij brak de heilige zuilen aan stukken, hakte de heilige palen+ om en vulde die plekken op met mensenbotten. 15 Hij brak ook het altaar in Bethel af en de offerhoogte die Jero̱beam, de zoon van Ne̱bat, had gemaakt en die Israël tot zonde had aangezet.+ Toen hij dat altaar en de offerhoogte had afgebroken, verbrandde en verpulverde hij de offerhoogte en verbrandde hij de heilige paal.+

16 Toen Josi̱a zich omdraaide en de graven op de berg zag, liet hij de botten uit de graven halen. Hij verbrandde ze op het altaar om het ongeschikt voor aanbidding te maken, overeenkomstig Jehovah’s woord dat bekendgemaakt was door de man van de ware God die deze dingen had voorspeld.+ 17 Toen zei hij: ‘Wat is dat voor een grafsteen die ik daar zie?’ De mannen van de stad antwoordden hem: ‘Het is het graf van de man van de ware God uit Juda+ die de dingen heeft voorspeld die u met het altaar van Bethel hebt gedaan.’ 18 Hij zei: ‘Laat hem met rust. Laat niemand zijn botten aanraken.’ Ze lieten zijn botten dus met rust, en ook de botten van de profeet die uit Sama̱ria was gekomen.+

19 Josi̱a verwijderde ook alle heiligdommen op de offerhoogten die in de steden van Sama̱ria waren,+ die door de koningen van Israël waren gebouwd om God te tergen. Hij deed daarmee hetzelfde als hij met de offerhoogte in Bethel had gedaan.+ 20 Op de altaren offerde hij alle priesters van de offerhoogten die daar waren, en hij verbrandde er mensenbotten op.+ Daarna ging hij terug naar Jeruzalem.

21 De koning gaf het hele volk het bevel: ‘Vier een Pascha+ voor Jehovah, je God, zoals in dit boek van het verbond staat.’+ 22 Sinds de tijd dat de rechters over Israël rechtspraken, was er op die manier geen Pascha meer gevierd, ook niet in de tijd van de koningen van Israël en de koningen van Juda.+ 23 Maar in het 18de jaar van koning Josi̱a werd dit Pascha voor Jehovah in Jeruzalem gevierd.

24 Josi̱a verwijderde ook de mediums, de waarzeggers,+ de huisgoden,*+ de walgelijke afgodsbeelden* en alle walgelijke dingen die in het land Juda en in Jeruzalem waren. Zo voerde hij de woorden van de wet+ uit die in het boek stonden dat de priester Hilki̱a in het huis van Jehovah had gevonden.+ 25 Er was vóór hem geen koning zoals hij, die bij Jehovah is teruggekomen met zijn hele hart, zijn hele ziel*+ en zijn hele kracht, overeenkomstig de hele wet van Mozes. Ook na hem is er niemand zoals hij geweest.

26 Toch verminderde Jehovah’s grote woede niet, die tegen Juda was opgelaaid vanwege alle beledigende dingen die Manasse had gedaan om Hem te tergen.+ 27 Jehovah zei: ‘Ik zal Juda verstoten,+ net zoals ik Israël heb verstoten.+ Jeruzalem, de stad die ik heb uitgekozen, zal ik verwerpen, en ook het huis waarover ik heb gezegd: “Mijn naam zal daar blijven.”’+

28 De rest van de geschiedenis van Josi̱a, alles wat hij heeft gedaan, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Juda. 29 In de tijd van Josi̱a ging farao Ne̱cho, de koning van Egypte, naar de koning van Assyrië bij de rivier de Eufraat. Koning Josi̱a rukte tegen hem uit, maar toen Ne̱cho hem zag, doodde hij hem bij Megi̱ddo.+ 30 Zijn dienaren vervoerden zijn dode lichaam op een wagen van Megi̱ddo naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf. Toen zalfde het volk* Josi̱a’s zoon Jo̱ahaz en maakte hem koning in de plaats van zijn vader.+

31 Jo̱ahaz+ was 23 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. Zijn moeder was Hamu̱tal,+ de dochter van Jeremia uit Li̱bna. 32 Hij ging doen wat slecht was in Jehovah’s ogen, precies zoals zijn voorvaders hadden gedaan.+ 33 Farao Ne̱cho+ zette hem gevangen in Ri̱bla,+ in het land van Ha̱math, zodat hij niet meer in Jeruzalem zou regeren. Hij legde het land toen een boete op van 100 talenten* zilver en een talent goud.+ 34 Bovendien maakte farao Ne̱cho Josi̱a’s zoon E̱ljakim koning in de plaats van zijn vader Josi̱a. Hij veranderde zijn naam in Jo̱jakim. Maar Jo̱ahaz nam hij mee naar Egypte,+ waar hij uiteindelijk stierf.+ 35 Jo̱jakim gaf het zilver en het goud aan de farao, maar hij moest het volk belasting opleggen om het zilver te kunnen geven dat de farao eiste. Hij vorderde van iedereen in het land een vastgestelde hoeveelheid zilver en goud om farao Ne̱cho te kunnen betalen.

36 Jo̱jakim+ was 25 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde 11 jaar in Jeruzalem.+ Zijn moeder was Zebu̱dda, de dochter van Peda̱ja uit Ru̱ma. 37 Hij bleef doen wat slecht was in Jehovah’s ogen,+ precies zoals zijn voorvaders hadden gedaan.+

24 Tijdens de regering van Jo̱jakim rukte koning Nebukadne̱zar+ van Babylon tegen hem op. Jo̱jakim werd drie jaar lang zijn dienaar. Maar hij keerde zich tegen hem en kwam in opstand. 2 Toen stuurde Jehovah benden Chaldeeën,+ Syriërs, Moabieten en Ammonieten op hem af. Hij bleef ze naar Juda sturen om het te vernietigen, in overeenstemming met het woord dat Jehovah had gesproken+ via zijn dienaren, de profeten. 3 Het was duidelijk dat dit met Juda gebeurde op bevel van Jehovah; hij verstootte ze+ vanwege de zonden die Manasse had begaan+ 4 en ook vanwege het onschuldige bloed dat hij had vergoten.+ Want hij had Jeruzalem met onschuldig bloed gevuld en Jehovah wilde geen vergeving schenken.+

5 De rest van de geschiedenis van Jo̱jakim, alles wat hij heeft gedaan, is opgeschreven in het boek met historische verslagen van de koningen van Juda.+ 6 Toen ging Jo̱jakim rusten bij zijn voorvaders.+ Zijn zoon Jo̱jachin volgde hem als koning op.

7 De koning van Egypte waagde zich niet meer buiten zijn land, want de koning van Babylon had alles veroverd wat van de koning van Egypte was geweest,+ vanaf de Wadi* van Egypte+ tot aan de rivier de Eufraat.+

8 Jo̱jachin+ was 18 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem.+ Zijn moeder was Nehu̱sta, de dochter van Elna̱than uit Jeruzalem. 9 Hij bleef doen wat slecht was in Jehovah’s ogen, precies zoals zijn vader had gedaan. 10 In die tijd rukten de dienaren van koning Nebukadne̱zar van Babylon op tegen Jeruzalem, en de stad werd belegerd.+ 11 Tijdens de belegering kwam koning Nebukadne̱zar van Babylon naar de stad.

12 Koning Jo̱jachin van Juda gaf zich over aan de koning van Babylon,+ samen met zijn moeder, zijn dienaren, zijn aanvoerders en zijn hofbeambten.+ De koning van Babylon nam hem gevangen in het achtste jaar van zijn regering.+ 13 Toen nam hij vandaar alle schatten van het huis van Jehovah en de schatten van het huis* van de koning mee.+ Hij sloeg alle gouden voorwerpen kapot die koning Salomo van Israël in de tempel van Jehovah had gemaakt.+ Het gebeurde precies zoals Jehovah had voorspeld. 14 Hij voerde heel Jeruzalem in ballingschap weg: alle aanvoerders,+ alle dappere strijders en elke ambachtsman en metaalbewerker.*+ Hij voerde 10.000 man in ballingschap weg. Niemand werd achtergelaten behalve de armste mensen van het land.+ 15 Zo voerde hij Jo̱jachin+ in ballingschap weg naar Babylon.+ Ook de moeder van de koning, de vrouwen van de koning, zijn hofbeambten en de vooraanstaande mannen van het land nam hij als ballingen uit Jeruzalem mee naar Babylon. 16 De koning van Babylon nam ook alle strijders, 7000 man, en 1000 ambachtslieden en metaalbewerkers* als ballingen mee naar Babylon. Het waren allemaal sterke mannen, opgeleid voor de oorlog. 17 De koning van Babylon maakte Matta̱nja, de oom van Jo̱jachin,+ koning in zijn plaats. Hij veranderde zijn naam in Zedeki̱a.+

18 Zedeki̱a was 21 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde 11 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder was Hamu̱tal,+ de dochter van Jeremia uit Li̱bna. 19 Hij bleef doen wat slecht was in Jehovah’s ogen, precies zoals Jo̱jakim had gedaan.+ 20 Vanwege de woede van Jehovah gebeurden die dingen in Jeruzalem en in Juda, en uiteindelijk verstootte hij ze.+ Zedeki̱a kwam tegen de koning van Babylon in opstand.+

25 In het negende jaar van Zedeki̱a’s regering, op de tiende dag van de tiende maand, rukte koning Nebukadne̱zar+ van Babylon met zijn hele leger tegen Jeruzalem op.+ Hij sloeg er zijn kamp op en bouwde een belegeringswal rondom de stad.+ 2 De belegering van de stad duurde tot het 11de jaar van koning Zedeki̱a. 3 Op de negende dag van de vierde maand — er was grote hongersnood+ in de stad en het volk* had niets te eten+ — 4 werd de stadsmuur doorbroken.+ Die nacht vluchtten alle soldaten door de poort tussen de beide muren bij de koningstuin, terwijl de Chaldeeën de stad hadden omsingeld. De koning nam de weg van de Ara̱ba.+ 5 Maar het Chaldeeuwse leger ging achter de koning aan en haalde hem in op de woestijnvlakte van Jericho. Zijn hele leger werd uiteengeslagen. 6 Ze namen de koning gevangen+ en brachten hem naar de koning van Babylon in Ri̱bla. Daar werd het vonnis over hem uitgesproken. 7 Zedeki̱a’s zonen werden voor zijn ogen afgeslacht. Nebukadne̱zar maakte Zedeki̱a daarna blind, deed hem koperen boeien om en bracht hem naar Babylon.+

8 Op de zevende dag van de vijfde maand, in het 19de jaar van koning Nebukadne̱zar, de koning van Babylon, kwam zijn dienaar Nebuza̱radan,+ de bevelhebber van de wachters, naar Jeruzalem.+ 9 Hij brandde het huis van Jehovah tot de grond toe af,+ en ook het huis* van de koning+ en alle huizen van Jeruzalem.+ Alle huizen van de vooraanstaande mannen gingen in vlammen op.+ 10 De stadsmuren van Jeruzalem werden omvergehaald door het Chaldeeuwse leger dat bij de bevelhebber van de wachters was.+ 11 De mensen die nog in de stad over waren, werden door Nebuza̱radan, de bevelhebber van de wachters, in ballingschap weggevoerd, samen met degenen die naar de koning van Babylon waren overgelopen en de rest van de bevolking.+ 12 Maar de bevelhebber van de wachters liet enkelen van de armste mensen van het land achter om als wijnbouwers en als dwangarbeiders te werken.+ 13 De Chaldeeën sloopten de koperen zuilen+ van het huis van Jehovah en de karren+ en de koperen Zee+ die in het huis van Jehovah stonden. Het koper namen ze mee naar Babylon.+ 14 Ook de bakken, de scheppen, de messen,* de bekers en alle koperen voorwerpen die bij de tempeldienst werden gebruikt, namen ze mee. 15 De bevelhebber van de wachters nam de vuurpannen en de schalen mee die van zuiver goud+ en zilver+ waren. 16 Het koper van de twee zuilen, de Zee en de karren die Salomo voor het huis van Jehovah had gemaakt, was zo zwaar dat het niet te wegen was.+ 17 De zuilen waren allebei 18 el* hoog+ en het kapiteel* erop was van koper. De hoogte van het kapiteel was drie el. Ook het vlechtwerk en de granaatappels rond het kapiteel waren van koper.+ Beide zuilen met het vlechtwerk waren hetzelfde.

18 De bevelhebber van de wachters nam verder de overpriester Sera̱ja,+ de tweede priester Zefa̱nja+ en de drie deurwachters+ mee. 19 En uit de stad nam hij één hofbeambte mee die commandant van de soldaten was, vijf vertrouwelingen van de koning die in de stad werden aangetroffen, de secretaris van de legeraanvoerder die als taak had het volk van het land te mobiliseren, en 60 mannen uit het gewone volk van het land die nog in de stad werden aangetroffen. 20 Nebuza̱radan,+ de bevelhebber van de wachters, nam ze mee en bracht ze naar de koning van Babylon in Ri̱bla.+ 21 De koning van Babylon sloeg ze neer en bracht ze ter dood in Ri̱bla in het land van Ha̱math.+ Zo werd Juda uit zijn land weggevoerd in ballingschap.+

22 Koning Nebukadne̱zar van Babylon stelde Geda̱lja,+ de zoon van Ahi̱kam,+ de zoon van Sa̱fan,+ aan over het volk dat hij in het land Juda had achtergelaten.+ 23 Toen de legeraanvoerders en hun mannen hoorden dat de koning van Babylon Geda̱lja had aangesteld, kwamen ze meteen naar Geda̱lja in Mi̱zpa. Het waren Ismaël, de zoon van Netha̱nja, Joha̱nan, de zoon van Kare̱ah, Sera̱ja, de zoon van de Netofathiet Tanchu̱meth, en Jaäza̱nja, de zoon van de Maächathiet, samen met hun mannen.+ 24 Geda̱lja zwoer hun en hun mannen: ‘Wees niet bang om dienaren van de Chaldeeën te zijn. Woon in het land en dien de koning van Babylon, en het zal goed met jullie gaan.’+

25 In de zevende maand kwam Ismaël,+ de zoon van Netha̱nja, de zoon van Elisa̱ma, die van de koninklijke geslachtslijn* was, met tien andere mannen naar Mi̱zpa. Ze sloegen Geda̱lja neer en hij stierf, samen met de Joden en de Chaldeeën die bij hem waren.+ 26 Daarna vluchtte het hele volk, van klein tot groot, inclusief de legeraanvoerders, naar Egypte,+ want ze waren bang voor de Chaldeeën.+

27 Koning E̱vil-Me̱rodach van Babylon liet in het jaar dat hij koning werd koning Jo̱jachin+ van Juda vrij* uit de gevangenis. Dat was in het 37ste jaar van de ballingschap van koning Jo̱jachin van Juda, op de 27ste dag van de 12de maand.+ 28 Hij sprak vriendelijk met hem en plaatste zijn troon hoger dan de troon van de andere koningen die met hem in Babylon waren. 29 Jo̱jachin hoefde geen gevangeniskleren meer te dragen, en de rest van zijn leven at hij aan zijn tafel. 30 Hij kreeg zijn leven lang elke dag een vastgestelde hoeveelheid voedsel van de koning.

Bet.: ‘mijn God is Jehovah’.

Of ‘ziel’.

Of ‘de ziel’.

Of ‘ziel’.

D.w.z. Ahazia’s broer.

Of ‘in de lucht’.

Of ‘je ziel’.

‘De profetenzonen’ lijkt te slaan op een school voor profeten of op een profetengemeenschap.

Of ‘je ziel’.

Of ‘je ziel’.

Of ‘twee delen’.

Of ‘in de lucht’.

Of ‘wind’.

Of mogelijk ‘veroorzaakt misgeboorten’.

Of mogelijk ‘misgeboorten’.

Zie Woordenlijst.

Of ‘hij was Elia’s dienaar’.

Lett.: ‘Wat voor mij en voor jou?’

Lett.: ‘voor wie ik sta’.

Of ‘muzikant’.

Of ‘deze wadi’.

Of ‘iedereen die een gordel omdeed’.

Of ‘kruik met schenktuit’.

Of ‘want haar ziel is bitter in haar binnenste’.

Of ‘uw ziel’.

Of ‘redding’.

Of ‘had een huidziekte’. Zie Woordenlijst.

Mogelijk Naäman.

Een talent woog 34,2 kg. Zie App. B14.

Lett.: ‘vlees’.

Lett.: ‘vlees’.

Lett.: ‘kamp’.

Lett.: ‘zegen’.

Lett.: ‘voor wie ik sta’.

Of ‘de tempel’.

Een plek in Samaria, mogelijk een heuvel of een vesting.

Lett.: ‘mijn hart’.

Of ‘meer dan een of twee keer’.

Lett.: ‘het hart van de koning’.

Of ‘dienaar’.

Lett.: ‘kamp’.

Een kab was 1,22 l. Zie App. B14.

Of ‘daaronder, op zijn huid’.

Of ‘op de markten’.

Een sikkel woog 11,4 g. Zie App. B14.

Een sea was 7,33 l. Zie App. B14.

Lett.: ‘dat woord’.

Of ‘ziel’.

Lett.: ‘een woord als dit’.

Of ‘legde’.

Lett.: ‘dochter’.

Of ‘zieke’.

Lett.: ‘iedereen die tegen een muur plast’. In het Hebreeuws een uiting van minachting waarmee op mannen werd gedoeld.

Of ‘jullie zielen’.

Lett.: ‘zoon’.

Of ‘met spannen paarden’.

Of ‘oogschaduw’.

Of ‘maakte haar hoofd mooi’.

Lett.: ‘de voogden van Achab’.

Of ‘oprechte’.

Lett.: ‘huis’.

Of ‘rechtvaardig’.

Lett.: ‘op de aarde zal vallen’.

Blijkbaar een plek waar schapen werden vastgebonden om te worden geschoren.

Of ‘vrouwe’.

Of ‘het waterreservoir’.

Of ‘zegende’.

Of ‘is je hart oprecht met mij, zoals mijn hart met jouw hart is?’

Of ‘dan zul je zien dat ik geen mededinging ten opzichte van Jehovah tolereer’, ‘dan zul je mijn ijver voor Jehovah zien’.

Lett.: ‘heilig’.

Of ‘de tempel’.

Of ‘ziel’.

Lett.: ‘hardlopers’.

Lett.: ‘de stad’. Mogelijk een bouwwerk dat op een vesting leek.

Lett.: ‘wandelde niet (...) in’.

Lett.: ‘stukje bij beetje af te snijden’.

Of ‘Wadi Arnon’.

Lett.: ‘het hele zaad van het koninkrijk’.

Lett.: ‘hardlopers’.

Of ‘verbond’.

Of ‘paleis’.

Lett.: ‘wanneer hij naar buiten gaat en wanneer hij naar binnen gaat’.

Of ‘diadeem’.

Mogelijk een boekrol met de wet van God.

Lett.: ‘het hele volk van het land’.

Zie Woordenlijst.

Lett.: ‘volk van het land’.

Of ‘de tempel’.

Lett.: ‘het hele volk van het land’.

Lett.: ‘het hele volk van het land’.

Of ‘ziel’.

Of ‘hun bekenden’.

Of ‘scheuren’.

Of ‘in zakken te doen’. Lett.: ‘binden’.

Zie Woordenlijst.

Lett.: ‘richtte hij zijn gezicht erop’.

Of ‘paleis’.

Of ‘het huis van de Millo’.

D.w.z. in vrede en veiligheid.

Lett.: ‘daarin wandelde hij’.

Zie Woordenlijst.

Lett.: ‘wandelde’.

D.w.z. Jerobeam II.

Of ‘redding’.

Lett.: ‘bij de intrede van het jaar’, waarschijnlijk in de lente.

Of ‘elkaar persoonlijk ontmoeten’.

Of ‘paleis’.

Lett.: ‘hun tenten’.

Ongeveer 178 m. Zie App. B14.

D.w.z. Jerobeam II.

Bet.: ‘Jehovah heeft geholpen’. Hij wordt Uzzia genoemd in 2Kon 15:13, 2Kr 26:1-23, Jes 6:1 en Za 14:5.

D.w.z. zijn vader Amazia.

Of ‘de ingang van Hamath’.

D.w.z. de Zoutzee of Dode Zee.

D.w.z. Jerobeam II.

Bet.: ‘Jehovah heeft geholpen’. Hij wordt Uzzia genoemd in 2Kon 15:13, 2Kr 26:1-23, Jes 6:1 en Za 14:5.

Of ‘paleis’.

Lett.: ‘al zijn dagen’.

Een talent woog 34,2 kg. Zie App. B14.

Een sikkel woog 11,4 g. Zie App. B14.

Of ‘paleis’.

Lett.: ‘liet zelfs (...) door het vuur gaan’.

Of ‘de mannen van Juda’.

Of ‘paleis’.

Of ‘gemeenschapsoffers’. Zie Woordenlijst.

Bet.: ‘Jehovah geeft kracht’.

Zie Woordenlijst.

Lett.: ‘hadden ontzag voor’.

D.w.z. in elke plaats, of die nu dun- of dichtbevolkt was.

De Hebreeuwse term is misschien verwant aan een woord voor uitwerpselen en werd gebruikt als een uiting van minachting.

Lett.: ‘verhardden hun nek net als de nek van’.

Of ‘vermaningen’, ‘herinneringen’.

Of ‘gegoten’.

Lett.: ‘lieten (...) door het vuur gaan’.

Lett.: ‘verkochten zich’.

Lett.: ‘wandelden in’.

Lett.: ‘bleven wandelen in’.

Of ‘aanbaden ze Jehovah niet’.

Of ‘Jehovah moesten aanbidden’.

Of ‘goden’.

Lett.: ‘heeft ontzag voor’.

Een verkorte vorm van Abia.

Of ‘Nehustan’.

D.w.z. in elke plaats, of die nu dun- of dichtbevolkt was.

Een talent woog 34,2 kg. Zie App. B14.

Of ‘paleis’.

Lett.: ‘sneed (...) af’.

D.w.z. met goud.

Of ‘legeraanvoerder’.

Of ‘hofmaarschalk’.

Of ‘opperschenker’.

Of ‘Syrisch’.

Lett.: ‘Maak een zegen met mij en kom uit tot mij.’

Of ‘waterreservoir’.

Of ‘belediging’.

Lett.: ‘zijn aan de opening van de baarmoeder gekomen’.

Lett.: ‘een geest in hem’.

Of ‘voor de vernietiging bestemd’.

Lett.: ‘hem’.

Of mogelijk ‘tussen’.

Lett.: ‘neig uw oor’.

Of ‘Nijlkanalen’.

Lett.: ‘gedaan’.

Of ‘vormgegeven’.

D.w.z. Hizkia.

Of ‘wat uit gevallen korrels graan opschiet’.

Of ‘de tempel’.

Lett.: ‘huis’.

Lett.: ‘vóór u heb gewandeld’.

Of ‘ik voeg 15 jaar aan je dagen toe’.

Mogelijk werd deze trap gebruikt om de tijd te meten, zoals met een zonnewijzer.

Of ‘luisterde naar’.

Of ‘paleis’.

Lett.: ‘dagen’.

Of ‘waarheid’.

Lett.: ‘liet (...) door het vuur gaan’.

De Hebreeuwse term is misschien verwant aan een woord voor uitwerpselen en werd gebruikt als een uiting van minachting.

Of ‘waterpasinstrument’.

Of ‘scheuren van’.

Lett.: ‘je hart was zacht’.

Een poëtische uitdrukking voor de dood.

Of ‘hernieuwde het verbond’.

Zie Woordenlijst.

Of ‘vermaningen’, ‘herinneringen’.

Zie Woordenlijst ‘Gehenna’.

Lett.: ‘door het vuur laten gaan’.

Lett.: ‘gegeven’.

Of ‘eetruimte’.

Lett.: ‘rechts’, zuidelijk als je naar het oosten kijkt.

D.w.z. de Olijfberg, in het bijzonder het zuidelijkste deel dat ook als de Berg van de Ergernis bekendstaat.

Of ‘afgoden’. Lett.: ‘terafim’.

De Hebreeuwse term is misschien verwant aan een woord voor uitwerpselen en werd gebruikt als een uiting van minachting.

Zie Woordenlijst.

Lett.: ‘volk van het land’.

Een talent woog 34,2 kg. Zie App. B14.

Zie Woordenlijst.

Of ‘paleis’.

Of mogelijk ‘bouwer van bolwerken’.

Of mogelijk ‘bouwers van bolwerken’.

Lett.: ‘volk van het land’.

Of ‘paleis’.

Zie Woordenlijst.

Een el was 44,5 cm. Zie App. B14.

Zie Woordenlijst.

Lett.: ‘het zaad van het koninkrijk’.

Lett.: ‘verhief het hoofd van’.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen